← België

Arrest 146307 - - 20/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.307 Rolnummer: A. 157468/IX-4697 Zaak: Arrest 146307 - - 20/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 18:34 Fiche Arrest nr 146.307 van 20 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.307 van 20 juni 2005 in de zaak A. 157.468/IX-

  1. In zake : Rita DE BOLSTER, die woonplaats kiest bij advocaat C. PEETERS, kantoor houdende te MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door
  2. de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, die woonplaats kiest bij advocaten P. HOFSTRÖSSLER en K. LEUS, kantoor houdende te BRUSSEL, Goedheidstraat 5-7,
  3. de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaten J. VANDEN EYNDE en B. VAN HYFTE, kantoor houdende te BRUSSEL, Kroonlaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Rita DE BOLSTER op 15 november 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissingen van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie van 16 september 2004 waarbij zij met ingang van 12 augustus 2004 ambtshalve uit haar ambt wordt ontslagen en in non-activiteit zonder wedde wordt geplaatst op 11 augustus 2004, en van de beslissing van 7 september 2004 van de hoofdgeneesheer-directeur van het Medisch Centrum Gent die verzoekster geschikt verklaart om haar functies op een normale en regelmatige wijze te vervullen; Gelet op de beschikking van 4 februari 2005 waarbij aan verzoekster het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend voor wat betreft de schorsingsprocedure; IX-4697-1/12 Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota’s van de eerste en tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. PEETERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat K. LEUS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat B. VAN HYFTE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  6. Verzoekster was klerk, later omgevormd tot administratief medewerkster, bij het Bestuur Handelsbeleid van het Ministerie van Economische Zaken, thans de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. Sinds 1993 is zij veelvuldig afwezig wegens ziekte en wordt ze daarom elk jaar voor meerdere periodes in disponibiliteit gesteld. Zij is sinds 25 januari 2002 continue afwezig wegens ziekte en sinds 12 september 2002 continue in disponibiliteit. IX-4697-2/12 1.
  7. In april 2003 vraagt de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij een onderzoek door de pensioencommissie aan. De pensioencommissie beslist dat verzoekster niet de voorwaarden vervult om wegens medische redenen vroegtijdig te worden gepensioneerd en dat zij geschikt is om haar werkzaamheden te vervullen. Ingevolge beroep van verzoekster wordt die beslissing op 23 juli 2003 bevestigd. 1.
  8. Omdat verzoekster, na een kortstondige diensthervatting op 17 en op 22 juli 2003, terug ononderbroken ziek is vanaf 23 juli 2003 vraagt de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij aan het bestuur van de medische expertise bij de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu om verzoekster op te roepen voor een geneeskundig onderzoek na eindbeslissing van de pensioencommissie. Dit onderzoek leidt tot het besluit dat er geen nieuwe medische feiten zijn die werkhervatting binnen de door de pensioencommissie gestelde voorwaarden verhindert. Deze beslissing wordt aan verzoekster meegedeeld bij brief van 29 oktober
  9. Verzoekster gaat hiertegen opnieuw in beroep maar dit leidt tot dezelfde conclusie. Verzoekster hervat haar dienst op 16 december 2003 doch is terug afwezig wegens ziekte vanaf 18 december
  10. 1.
  11. Op 17 februari 2004 doet de administratie een nieuwe aanvraag om verzoekster te laten onderzoeken door de pensioencommissie. Het onderzoek dat plaatsvindt op 19 maart 2004 leidt tot de conclusie dat verzoekster niet de voorwaarden vervult om wegens medische redenen vroegtijdig te worden gepensioneerd en dat zij geschikt is om haar werkzaamheden te vervullen. Deze beslissing wordt op 22 maart 2004 aan verzoekster meegedeeld en op 26 april 2004 aan de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij. Volgens verzoekster diende zij beroep in tegen deze beslissing. Verzoekster hervat haar dienst niet maar dient verder medische getuigschriften in. Op 7 mei 2004 vraagt de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij een controle-onderzoek na eindbeslissing pensioencommissie aan. Tevens vraagt hij aan, haar onder spontane controle te plaatsen. Dit controle-onderzoek leidt opnieuw tot de conclusie dat er geen nieuwe medische IX-4697-3/12 feiten zijn die werkhervatting binnen de door de pensioencommissie gestelde voorwaarden verhindert. Deze beslissing wordt op 25 mei 2004 meegedeeld aan verzoekster. 1.
  12. Op 1 juli 2004 schrijft de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij aan verzoekster dat, aangezien zij ondanks de medische beslissingen haar werk niet heeft hervat, zij vanaf 26 april 2004 in non-activiteit zonder wedde wordt gesteld. Er wordt haar op gewezen dat, zo zij verder afwezig blijft zonder verdere verwittiging, artikel 112, § 2, 6/, van het statuut van het rijkspersoneel zal worden toegepast en dat zij aldus ambtshalve en zonder opzegging zal worden ontslagen. Zij vraagt ook een controle aan huis door een controlegeneesheer aan. Deze biedt zich op verzoeksters adres aan op 9 augustus 2004 maar verzoekster is afwezig. Zij wordt uitgenodigd zich op 10 augustus 2004 aan te bieden op het Geneeskundig Centrum Gent. Zij biedt zich aldaar aan op 11 augustus 2004 maar het resultaat van het onderzoek is nogmaals hetzelfde: zij is geschikt om haar functies op een normale en regelmatige wijze te vervullen. Dit is de derde bestreden akte. Dit advies wordt op 7 september 2004 meegedeeld aan de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij. Verzoekster beweert dat zij nooit van dat advies op de hoogte werd gesteld, de vertegenwoordigers van de verwerende partij beweren evenwel het tegendeel. 1.
  13. Op 16 september 2004 ontslaat de voorzitter van het directie- comité van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie verzoekster ambtshalve en zonder opzegging uit haar ambt met ingang van 12 augustus
  14. In een tweede beslissing van dezelfde datum plaatst hij haar in non-activiteit zonder wedde op 11 augustus
  15. Dit zijn de eerste en de tweede bestreden beslissing. Zij worden bij aangetekend schrijven van 16 september 2004 aan verzoekster betekend;
  16. Over de ontvankelijkheid. 2.
  17. Overwegende dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij opwerpt dat de derde bestreden beslissing geen voor vernietiging IX-4697-4/12 en dus ook niet voor schorsing vatbare akte is; dat hij uiteenzet dat het slechts om een verslag gaat van de spontane controle op afwezigheid wegens ziekte ingevolge het verzoek van 7 mei 2004 van de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij en het aldus slechts een medisch advies is ten aanzien van de werkgever; dat dit advies geenszins van aard is om de werkgever te binden wat betreft de eerste en tweede bestreden beslissing; 2.
  18. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat het advies van 7 september 2004 werd opgesteld in uitvoering van een vraag tot spontane controle op verlof wegens ziekte en niet in het kader van een optreden van de pensioencommissie; dat immers de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij op 7 mei 2004 aan het bestuur van de medische expertise bij de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu heeft gevraagd om verzoekster onder spontane controle te plaatsen; dat die aanvraag op 2 juli 2004, eerst mondeling en daarna schriftelijk is bevestigd; dat de controlegeneesheer op 9 augustus 2004 ter plaatse is gegaan maar dat hij verzoekster niet kon onderzoeken omdat zij afwezig was en dat verzoekster uiteindelijk op 11 augustus 2004 werd onderzocht in de kantoren van het Medisch Centrum te Gent; dat het advies bijgevolg deel uitmaakt van een onderzoek op afwezigheid wegens ziekte in het kader van een spontane controle; dat, ofschoon de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij zich op die beslissing heeft gesteund om de eerste en tweede bestreden beslissing te nemen, het medisch advies zelf geen voor vernietiging vatbare akte is aangezien zij de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij niet bindt maar alleen een advies geeft over het medisch verantwoord zijn van de afwezigheid van de onderzochte ambtenaar; dat de exceptie moet worden aangenomen;
  19. Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.
  20. Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde betreft, verzoekster in haar eerste middel de schending inroept van de algemene beginselen van behoorlijk IX-4697-5/12 bestuur, met name de kennisgevingsplicht en het recht op verdediging en de schen- ding van de formele motiveringsverplichting; dat zij in een eerste onderdeel aanvoert dat de derde bestreden beslissing haar nooit werd meegedeeld; dat alhoewel de controlearts aan verzoekster heeft gezegd dat hij wel iets zou laten weten, zij geen enkel bericht ontving; dat dit wordt bevestigd door het administratief dossier aangezien er zich geen enkel stuk in bevindt dat de mededeling van de beslissing aan verzoekster bevestigt; dat de niet-mededeling in strijd is met het artikel 1.7.
  21. van het reglement van de Administratieve Gezondheidsdienst; dat zij in een tweede onderdeel aanvoert dat het niet meedelen van de beslissing haar belangen heeft geschaad nu zij daardoor niet in de mogelijkheid was om er beroep tegen aan te tekenen; dat ook de formele motiveringsplicht geschonden is aangezien in die beslissing geen feitelijke noch juridische overwegingen werden opgenomen die er aan ten grondslag liggen en zij enkel bestaat uit een standaardformule; dat ook de eerste en de tweede beslissing niet afdoende gemotiveerd zijn nu zij expliciet verwijzen naar de derde beslissing en die beslissing niet aan verzoekster werd bekendgemaakt en zelf niet afdoende is gemotiveerd; dat zij hierbij verwijst naar het arrest MAGNETTE, nr. 52.627 van 31 maart 1995; 3.1.
  22. Overwegende dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat de derde bestreden akte werd meegedeeld aan verzoekster bij brief van 7 september 2004; dat het voorts geen akte is die valt onder de bepalingen van de wet op de formele motivering omdat het slechts een niet bindend advies betreft; 3.1.
  23. Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij in zijn nota stelt dat verzoekster wel degelijk ter plaatse mondeling en schriftelijk in kennis werd gesteld van de resultaten van het controle-onderzoek, met name door afgifte van een formulier AGD 8/9 zoals voorgeschreven door het reglement van de Administratieve Gezondheidsdienst, evenals door een brief met daarin de motieven van de beslissing; dat zij hierbij wijst op stuk 27 van het door haar neergelegde administratief dossier; dat, wat de eerste en de tweede bestreden beslissing betreft, uit de motivering ervan blijkt dat zij gesteund zijn op de definitief geworden beslissing van de pensioencommissie van 19 maart 2004 die aan verzoekster op 22 maart 2004 werd meegedeeld en die haar geschikt heeft verklaard, op de bevestigende beslissing van 25 mei 2004 waartegen verzoekster geen beroep aantekende en op de nota van 7 september 2004 waarin de hoofdgeneesheer- directeur na een controle-onderzoek laat weten dat de beslissing van 25 mei IX-4697-6/12 2004 gehandhaafd blijft; dat het duidelijk is dat de eerste twee bestreden beslissing in essentie steunen op de beslissingen van 19 maart 2004 en op de bevestigende beslissing van 25 mei 2004; dat in ieder geval moet worden vastgesteld dat de voorwaarden voor ambtshalve ontslag en non-activiteit zonder wedde wegens meer dan tien dagen afwezigheid reeds voor 7 september 2004 vervuld waren aangezien verzoekster geen beroep had aangetekend tegen de beslissing van 25 mei 2004 en zulks evenmin deed, hoewel zij nu het tegendeel beweert, tegen de beslissing van 19 maart 2004 en evenmin het werk hervatte; dat voorts in het aangetekend schrijven van 1 juli 2004 de beslissingen van 19 maart 2004 en 25 mei 2004 als motieven zijn aangegeven voor het omzetten van de periode van ongewettigde afwezigheid van 26 april 2004 tot 30 juni 2004 in non-activiteit zonder wedde en voor de verwittiging dat zij, indien zij haar werk niet hervat zonder verdere verwittiging ambtshalve zal worden ontslagen; dat deze brief gold als een voldoende verwittiging zoals bedoeld in artikel 112, § 2, 6/, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel en dat verzoekster geen andere opheldering verschaft heeft dan het indienen van nieuwe ziekteattesten; dat het reeds genoemde controle- onderzoek van 11 augustus 2004 geen deel uitmaakte van het onderzoek dat plaatsvond in het kader van het onderzoek door de pensioencommissie; dat het niettemin een administratieve praktijk is binnen de Administratieve Gezond- heidsdienst om in de gevallen waarin de betrokkene zijn werk niet hervat na een definitief geworden beslissing van de pensioencommissie doch een nieuw attest indient met daarin bij wijze van opheldering voor haar voortdurende afwezigheid een andere medische reden, dat het bestuur aan de Administratieve Gezondheidsdienst mag vragen of het om dezelfde diagnose gaat dan deze die aanleiding gaf tot het onderzoek door de pensioencommissie; dat wanneer na dat controle-onderzoek blijkt dat de diagnose onveranderd is gebleven en dat de opheldering derhalve niet kan worden aanvaard, er wordt overgegaan tot ontslag; dat in casu de nota van 7 september 2004 bijgevolg geenszins de doorslag heeft gegeven om tot ontslag te beslissen, aangezien dit ontslag steunt op de beslissingen van 19 maart 2004 en 25 mei 2004 en derhalve slechts is te beschouwen als een extra controle; dat bijgevolg, zelfs indien er in de beslissingen van 16 september 2004 niet naar verwezen zou zijn geworden, deze nog afdoende gemotiveerd zijn; dat verzoekster ook ten onrechte verwijst naar het arrest MAGNETTE omdat het in dat specifieke geval ging om een voor de overheid bindende beslissing die de definitieve ongeschiktheid van een ambtenaar vaststelde; dat wat betreft de stelling van verzoekster dat de beslissingen van 16 september 2004 niet afdoende zijn gemotiveerd omdat zij verwijzen naar een beslissing van de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij, met name IX-4697-7/12 deze van 7 september 2004 die zelf niet voldoende is gemotiveerd, het medisch beroepsgeheim de controlerende geneesheer verhinderde om de medische redenen van zijn beslissing op te nemen in zijn brief van 7 september 2004; dat derhalve, aangezien de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij niet op de hoogte kon zijn van de medische motieven hij ze ook niet kon opnemen in zijn beslissingen; 3.1.
  24. Overwegende dat aangezien de door verzoekster bestreden beslissing van 7 september 2004 geen voor vernietiging vatbare akte is, die beslissing als dusdanig ook niet is onderworpen aan de formele motiveringsverplichting; dat weliswaar elke overheidshandeling dient te steunen op aanvaardbare motieven en dus ook dit advies; dat uit het administratief dossier afdoende blijkt dat deel A van het formulier AGD 8/9 en een brief aan verzoekster werden overhandigd ter zitting en dat zij op 28 oktober 2004 een afschrift van de brief van 7 september 2004 heeft ontvangen zodat zij zowel de beslissing als de motieven ervan kende; dat zij niet beweert dat die motieven en de er op gesteunde beslissing onjuist zouden zijn zodat haar kritieken tegen de derde bestreden akte dan ook niet als ernstig kunnen worden aanvaard; dat gelet op wat voorafgaat het tweede onderdeel met betrekking tot de beslissingen van 16 september 2004 evenmin ernstig is; dat overigens de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij terecht stelt dat het medisch beroeps- geheim de controlerende geneesheer verhinderde om de medische redenen van zijn beslissing meer expliciet op te nemen in zijn brief van 7 september 2004; dat het eerste middel niet ernstig is. 3.2.
  25. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 112, § 2, 6/, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, van de hoorplicht en de zorgvuldigheids- plicht doordat zij door de verwerende partij vooraf niet verwittigd is geworden van het feit dat zij ambtshalve zou worden ontslagen; dat zij hierbij uiteenzet dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij, nadat zij het advies van 7 september 2004 had ontvangen, haar opnieuw had moeten verwittigen over haar nakende ambtshalve ontslag en dat integendeel de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij overhaast, met name tien dagen na de mededeling van 7 september 2004, is overgegaan tot het ambtshalve ontslag; dat zij verwijzend naar het arrest MOUTON, nr. 110.412 van 18 september 2002 betoogt dat het schrijven van 1 juli 2004 waarbij zij er wordt op gewezen dat zij bij niet-hervatting zonder verdere verwittiging ambtshalve en zonder opzegging zou worden ontslagen, niet kan worden beschouwd als de in artikel 112 voornoemd vermelde voorafgaande verwittiging, IX-4697-8/12 aangezien die waarschuwing voorafgegaan is aan de zogenaamde onwettige afwezigheid en niet aan het ambtshalve ontslag; dat dit onzorgvuldig handelen er toe geleid heeft dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij niet over alle feitelijke gegevens beschikte en niet op de hoogte was van het feit dat er geen kennisgeving van de derde bestreden akte aan haar was gebeurd ten gevolge waarvan zij er geen beroep tegen had kunnen aantekenen en in de onmogelijkheid was te weten dat zij haar dienst moest hervatten; 3.2.
  26. Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoekster op een behoorlijke wijze is verwittigd door de brief van 1 juli 2004; dat die verwittiging, in tegenstelling tot wat verzoekster beweert, voorafgegaan is aan de bestreden maatregel en niet aan de onwettige afwezigheid; dat verzoekster immers reeds voor 1 juli 2004 onwettig afwezig was, met name reeds vanaf het moment dat haar termijn om beroep in te stellen tegen de beslissing van 25 mei 2004 was verstreken en zij het werk niet had hervat en zelfs, gezien het bevestigend karakter van de beslissing van 25 mei 2004, reeds vanaf 26 april 2004, datum waarop de beslissing van 19 maart 2004 definitief was geworden, zoals in de brief van 1 juli 2004 wordt aangegeven; dat met betrekking tot de schending van de hoorplicht reeds door het aangetekend schrijven van 1 juli 2004 zelf de mogelijkheid werd geboden om opheldering te geven over de daarin vermelde ongewettigde afwezigheid en dat de enige opheldering die na dat schrijven door verzoekster is gegeven bestond in het indienen van nieuwe medische afwezigheids- attesten die voor de verwerende partij aanleiding zijn geweest voor het controle- onderzoek van 11 augustus 2004 zodat op die wijze kon worden gewaarborgd dat de medische diagnose die tot de eerdere beslissingen had geleid nog steeds actueel was; dat de bevestiging, door de controlearts, dat de diagnose dezelfde bleef, volstond om de voorgenomen ontslagmaatregel te nemen zodat het geen zin meer had er zich nog door een mondelinge ondervraging van verzoekster van te vergewissen dat het inderdaad zo was; dat dit alles “(...) des te meer (klemt) nu verzoekster zelf verzuimde binnen de beroepstermijn door tussenkomst van een arts de beslissingen van 19 maart 2004 en de bevestigende beslissing van 25 mei 2004 te betwisten teneinde het eigen standpunt naar voren te brengen”; 3.2.
  27. Overwegende dat luidens artikel 112, § 2, 6/, van het meerge- noemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 een ambtshalve ontslag wegens postverlating slechts kan worden opgelegd indien de betrokkene “vooraf verwittigd en om opheldering verzocht is”; dat hieruit voortvloeit dat de overheid, IX-4697-9/12 geconfronteerd met de postverlating zonder geldige reden van meer dan tien werkdagen van een ambtenaar, de betrokken ambtenaar moet verwittigen dat zij een maatregel van ambtshalve opzegging zal treffen; dat die verwittiging aan de voorgenomen maatregel moet voorafgaan en niet aan postverlating zonder geldige reden; dat dit betekent dat de verwittiging alleen maar kan gebeuren nadat er reeds tien werkdagen van postverlating zonder geldige reden zijn vastgesteld en niet vroeger; dat de aangetekende brief van 1 juli 2004 gericht aan verzoekster als volgt luidt : “Op 19 maart 2004 werd u onderzocht door de geneesheren van de Pensioen- commissie die beslisten dat u geschikt was om het werk te hervatten. Deze beslissing werd door de Pensioencommissie aan u betekend op 22 maart 2004 en aan de Stafdienst Personeel en Organisatie meegedeeld op 26 april
  28. U hebt evenwel het werk niet hervat. Op 18 mei 2004 werd u opgeroepen voor een onderzoek na beslissing tot werkhervatting van de Pensioencommissie door het Geneeskundig Centrum Gent. Met zijn nota dd. 25 mei 2004 werd u het volgende resultaat meegedeeld : 'Er zijn geen nieuwe medische feiten die werkhervatting binnen de door de Pensioencommissie vastgestelde voorwaarden verhindert.' U hebt eens te meer het werk niet hervat. Aangezien u afwezig bent gebleven, ondanks de voornoemde beslissing dat u het werk diende te hervatten en u ook hiertegen geen beroep binnen de gestelde termijn hebt aangetekend, zie ik mij verplicht de afwezigheidsperiode van 26 april 2004 tot en met 30 juni 2004 om te zetten in een non-activiteit zonder wedde. Inderdaad, het Reglement van de Administratieve Gezondheidsdienst bepaalt dat indien het ziekteverlof niet gerechtvaardigd blijkt te zijn, de afwezige periodes kunnen worden omgezet in non-activiteit zonder wedde. Bijgevolg vindt u bijgevoegd een beslissing van de Voorzitter, waarmee deze maatregel wordt geconcretiseerd. Tegen deze beslissing kan beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State. Het verzoek tot nietigverklaring moet als aangetekend stuk over de Post worden toegezonden aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel, binnen 60 dagen na deze kennisgeving. Bovendien stel ik er u hierbij van in kennis, dat zo u, ondanks de voornoemde beslissingen van de Pensioencommissie en de geneesheer- inspecteur van het Geneeskundig Centrum Gent, verder afwezig blijft, of zelfs indien er na diensthervatting in de toekomst recidive zou plaatsvinden, zonder verdere verwittiging artikel 112, § 2 punt 6 van het Statuut van het Rijkspersoneel zal worden toegepast. Onderhavig artikel bepaalt dat de ambtenaar die zonder geldige reden afwezig is en dit meer dan tien werkdagen blijft, na behoorlijk en vooraf te zijn verwittigd, ambtshalve en zonder opzegging de hoedanigheid van Rijksambtenaar verliest, m.a.w. wordt ontslagen. Voor eventuele bijkomende informatie kan u terecht bij de Stafdienst Personeel en Organisatie, de heer G. ICKMANS, telefoonnummer 02/506.56.00.”; dat uit de lezing van die brief blijkt dat verzoekster gewaarschuwd wordt dat zij reeds meer dan tien dagen ongewettigd afwezig is geweest; dat evenwel blijkt dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij die ongewettigde afwezigheid niet heeft IX-4697-10/12 beschouwd als de tien dagen die het ambtshalve ontslag verantwoorden; dat hij immers de ongewettigde afwezigheid van 26 april 2004 tot 30 juni 2004 omzet in non-activiteit maar dat hij tezelfdertijd verzoekster waarschuwt dat indien zij nog verder afwezig blijft artikel 112 zal worden toegepast, dit betekent dat elke verdere ongewettigde afwezigheid van 10 dagen het ambtshalve ontslag zal veroorzaken; dat alhoewel de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij niet eerst minstens de postverlating zonder geldige reden heeft afgewacht om dan te laten weten dat er reden is om haar om die reden te ontslaan en haar de mogelijkheid te geven om zich te verdedigen, de wijze waarop de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij is opgetreden verzoekster niet kan hebben geschaad; dat inderdaad verzoekster verwittigd wordt dat zij bij verdere ongewettigde afwezigheid - verdere afwezigheid om dezelfde niet meer aanvaarde medische redenen - zou worden ontslagen; dat verzoekster daarop niet heeft gereageerd doch dat zij verder medische attesten is blijven indienen met dezelfde medische reden zoals blijkt uit het advies van 7 september 2004; dat derhalve niet wordt ingezien hoe verzoekster nog zou kunnen gebaat zijn indien zij na een bijkomende postverlating zonder geldige reden van opnieuw tien dagen opnieuw zou zijn aangeschreven met de vermelding dat zij haar afwezigheid moet verantwoorden of anders zal worden ontslagen; dat zij weliswaar haar afwezigheid voortdurend heeft “verantwoord”, doch dat dit geschiedde nadat zij met zekerheid wist dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij de intentie had om toepassing te maken van de bepalingen van artikel 112, § 2, 6/, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937; dat het middel niet ernstig is; 3.
  29. Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, IX-4697-11/12 BESLUIT: Artikel
  30. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  31. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig juni 2000 en vijf, door : de HH. L. HELLIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-4697-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.307 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.