← België

Arrest 146388 - - 21/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.388 Rolnummer: A. 143944/XIV-17546 Zaak: Arrest 146388 - - 21/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-13 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 18:40 Fiche Arrest nr 146.388 van 21 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.388 van 21 juni 2005 in de zaak A. 143.944/XIV-17.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 14 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 11 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2005; XIV-17.546-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS die, loco Advocaat F. JACOBS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Russische nationaliteit, is in België binnengekomen op 3 juli 2000 en heeft zich op dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 12 april 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. De beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 april 2001 tot weigering van verblijf luidt als volgt: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 05/09/2003 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. XIV-17.546-2/6
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  7. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Schendig van art. 2 par. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht van administratieve akten en artikels 62 en 52 § 2, 4/ van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling, en algemene beginselen van behoorlijk bestuur en zorgvuldigheid; Dat echter de motivering moet betrekking hebben op de ingeroepen feiten, waarbij melding moet worden gemaakt van de toepasselijke juridische regels en waarbij dient gemeld te worden hoe en waarom deze juridische regels hebben aanleiding gegeven tot de genomen beslissing; Bovendien stelt de wet dat de motivering afdoende dient te zijn. Teneinde als afdoende kunnen beschouwd te worden dient de motivatie steun te vinden in het administratief dossier en dienen alle elementen die ter kennis van de administratie werden gebracht in overweging genomen te worden. De aangevochten beslissing is als volgt gemotiveerd: "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 05/09/2003 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren.” • Verzoekende partij is niet tijdig geraakt geweest door de brief dd. 05.09.2003 welke verzoekende partij voor 17.09.2003 voor verhoor opriep; Verzoekende partij heeft zich op 03.07.2000 aan de DVZ aangeboden, doch werd niet onmiddellijk verhoord; Het gezin diende zich aan te bieden op 13.10.2000 en vervolgens nog op 27.02.2001; In de mate dat verzoekende partij de procedure niet erg begreep, raadpleegde verzoekende partij een advocaat te Antwerpen, voor 27.02.2001; Er werd hem gezegd dat zij zich niet diende aan te bieden en dat de advok(c)aat ervoor ging zorgen dat het in orde kwam; In die omstandigheden kwam de beslissing van de DVZ tussen, op 12.04.2001; De toenmalige raadsman van verzoekende partij tekende beroep aan op 17 april 2001; In juli 2002 verzond verzoekende partij de vragenlijst terug die haar door het CGVS was opgestuurd geweest en bevestigde tevens dat zij de procedure wenste verder te zetten; Op donderdag 4 september werd de oproepingsbrief voor het verhoor dd. 17.9.2003 aangetekend verstuurd; Deze brief werd aangeboden op maandag 08.09.2003, toen verzoekende partij afwezig was; Een bericht werd door de post achtergelaten, met melding dat de brief binnen de 15 dagen kon worden afgehaald; Hetzij uiterst op 22.09.2003; Verzoekende partij heeft die brief daags na de datum voor verhoor afgehaald; Zij bracht die naar haar toenmalige raadsman, die haar verklaarde dat de beslissing diende te worden afgewacht; Verzoekende partij heeft hier manifest te kampen met overmacht, minstens dwaling, mits zij een verkeerde informatie kreeg van een specialist in het vak, aan de welke zij opdracht had gegeven haar asielprocedure te behartigen; Persoonlijk is verzoekende partij steeds attent geweest haar procedure te behartigen en verder te zetten; Zij heeft steeds al haar adreswijzigingen met aangetekend schrijven kenbaar gemaakt; (op 18/07/2000 en 22.12.2000) Op 18.07.2002 heeft verzoekende partij de vragenlijst naar het CGVS teruggestuurd, samen met het volledige relaas van haar asielmotieven; XIV-17.546-3/6 Dat door verzoekende partij op te roepen, het CGVS duidelijk kenbaar heeft gemaakt, dat verzoekende partij diende te worden verhoord en dat hij dat wenste te doen; Dat artikel 52 §2.4/ voorziet dat: De Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnegekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: ... wanneer de vreemdeling binnen een maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven; Dat het CGVS zijn beslissing niet uitdrukkelijk steunt op het feit dat verzoekende partij zich niet heeft aangeboden op 17.09.2003, EN geen gevolg zou hebben gegeven aan de vraag om inlichtingen; Dat de vragenlijst dd 18.07.2002 reeds een uitgebreid relaas van de feitelijke omstandigheden die tot de vlucht hadden geleid, bevatte; Dat aan de brief 04.09.2003 , die verzoekende partij geen bijzonder uitleg of nader bepaling vordert, geen andere draagwijdte kan worden gegeven dan elementen te bekomen die reeds aan het CGVS werden medegedeeld; Dat zulke aanvraag niet kan worden beschouwd als een aanvraag om inlichtingen zoals bedoeld met artikel 52 §2.4/ van de wet van 15.12.1980; Dat de aangevochten beslissing op een motief steunt die van een verkeerde toepassing van gezegde bepaling voortvloeit; • Dat bijkomend dient te worden vastgesteld dat door zijn oproepingsbrieven uitsluitend per aangetekend schrijven te versturen , inhoudende een oproeping op(m) te verschijnen binnen een termijn die korter is dan de termijn die door de postdiensten worden vermeld om de brief af te halen, het CGVS een even, en zelfs meer onzorgvuldige en nalatige houding aanneemt als de CV die niet onmiddellijk, doch binnen de gestelde termijn zijn brief gaat afhalen; De werkwijze van het CGVS is echter als meer nalatig te beschouwen, daar waar het CGVS bewust is en van het feit dat hij definitieve gevolgen zal trekken in geval van gebrek aan verschijning en van de heel algemene neiging van de mensen, -niet specifiek aan asielaanvragers om aangetekende schrijven gedurende de laatste dagen van de termijn van 15 dagen te gaan afhalen. Daar waar integendeel, de asielaanvrager aan wie de brief gericht is, de identiteit van de afzender niet kent;”; 2.2.
  8. Overwegende dat, gelet op de devolutieve kracht van het in artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bedoeld dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de kritiek van verzoekster met betrekking tot de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken niet relevant en niet ontvankelijk is; 2.2.2.
  9. Overwegende dat verzoekster de vaststelling van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen betwist dat zij zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping verstuurd op 4 september 2003 om op 17 september 2003 te verschijnen; dat verzoekster stelt dat zij geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping daar deze oproeping haar niet raakte; dat dit echter is gebeurd omwille van omstandigheden die volgens verzoekster bijna gelijk te stellen zijn met overmacht; dat verzoekster de oproepingsbrief binnen 15 dagen, maar daags na het verhoor heeft opgehaald op het postkantoor en dan vertrouwd, op het advies van haar raadsman, om gewoon de beslissing XIV-17.546-4/6 af te wachten; dat volgens verzoekster zij steeds zelf het nodige heeft gedaan om haar procedure te behartigen; 2.2.2.
  10. Overwegende dat overmacht niet kan aangenomen worden wanneer feitelijk vaststaat dat de zogenaamde overmacht te wijten is aan een fout, een vergetelheid of een onachtzaamheid die perfect had kunnen worden vermeden; dat verzoekster meent dat zij reeds alle informatie had verstrekt door de vragenlijst naar het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op te sturen; dat het al dan niet invullen van de vragenlijst niet ter zake doende is, gelet op artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat daarenboven diegene die een asielaanvraag indient, gehouden is zijn volledige medewerking te verlenen aan het onderzoek en elke vraag tot inlichtingen van de bevoegde instanties te beantwoorden; dat uit het administratief dossier blijkt dat de oproepingsbrief zowel per fax naar de raadsman van verzoekster werd gestuurd, als aangetekend naar de gekozen woonplaats van verzoekster en dit 13 dagen voor het verhoor plaatsvond; dat verzoekster de oproepingsbrief tijdig kon afhalen; dat het feit dat verzoekster de aangetekende zending pas na de datum van het verhoor gaat ophalen niet ten laste van de verwerende partij kan worden gelegd; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekster meermaals woonplaats koos op het volgende adres: Plantin & Moretuslei 79, 2140 Borgerhout; dat bij aangetekend schrijven van 4 september 2003, aangeboden op voornoemd adres, verzoekster werd uitgenodigd voor een verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 17 september 2003; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen er in deze brief nog op wijst dat, in geval verzoekster door overmacht geen gevolg kan geven aan deze oproeping, zij wordt verzocht, enerzijds, het bewijs van de ingeroepen overmacht en, anderzijds, de vraag te beantwoorden of de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over alle elementen beschikt die zij ter ondersteuning van de asielaanvraag wil inroepen, binnen een maand per aangetekend schrijven over te zenden aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoekster echter niet op het verhoor kwam opdagen en ook geen bewijs van overmacht indiende; dat verzoeksters argument dat zij geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping die haar verstuurd werd omwille van omstandigheden die bijna gelijk te stellen zijn met overmacht, hieraan geen afbreuk doet; dat, aangezien verzoekster niet verschenen is op het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en ook geen bewijs van de ingeroepen overmacht heeft ingediend, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen redelijkerwijze artikel 52, §2, 4/ van de Vreemdelingenwet kon toepassen; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  11. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als XIV-17.546-5/6 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig juni tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.546-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.388 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.