id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.396 Rolnummer: A. 157416/X-12117 Zaak: Arrest 146396 - - 21/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 18:41 Fiche Arrest nr 146.396 van 21 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.396 van 21 juni 2005 in de zaak A. 157.416/X-12.
(2003)diende de advocaat nieuwe plannen in, waarop de kantoorfuncties werden gewijzigd tot recreatiefuncties (constructie zelf bleek identiek). Deze nieuwe ingediende plannen maakten het voorwerp van de weigering en zijn thans voorwerp van dit beroep. Het voorzien van woonvertrekken in plaats van kantoren kan de impact van het gebouw op de omgeving enkel verminderen. Daarom is ons college van oordeel dat in casu geen nieuw openbaar onderzoek vereist is./Uit inlichtingen bij het gemeentebestuur op 7 juli 2004 blijkt dat betrokkene in eerste aanleg een nieuwe aanvraag heeft ingediend. (...) Deze aanvraag is met een gunstig advies doorgestuurd naar Arohm.' Deze overweging maakt de onregelmatigheden die ook de gemachtigde ambtenaar terecht opgemerkt heeft, in de procedure 2003/69, niet goed. Na een weigering of een verklaring van onvolledigheid moet immers opnieuw een openbaar onderzoek gehouden worden, want het aangepast ontwerp kan op zijn beurt nieuwe bezwaren van een andere aard uitlokken (...). Wijzigingen van de plannen - tijdens of na het openbaar onderzoek - verplichten uiteraard tot het houden van een nieuw openbaar onderzoek. (...)"; Overwegende dat uit de samenlezing van het bepaalde in artikel 3, § 3, artikel 8, vijfde lid, en artikel 11, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, blijkt dat de in artikel 3, § 3, van voornoemd besluit opgesomde aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, behoudens de in § 2 van hetzelfde artikel bepaalde gevallen, worden onderworpen aan een openbaar onderzoek; dat iedereen gedurende de periode van het openbaar onderzoek bezwaren of opmerkingen in verband met het ontwerp ter kennis kan brengen van het college van burgemeester en schepenen en dat de vergunningverlenende overheid zich over de ingediende bezwaren en opmerkingen dient uit te spreken; dat deze openbaarmaking is voorgeschreven, eensdeels, om degenen die bezwaren zouden hebben tegen de bouwaanvraag de mogelijkheid te bieden hun bezwaren en opmerkingen te doen gelden, anderdeels, aan de bevoegde overheden de nodige inlichtingen en gegevens te verstrekken opdat zij met kennis van zaken zouden kunnen oordelen; dat de formaliteit van het openbaar onderzoek een substantiële pleegvorm is; X-12.117-5/8 Overwegende dat, op straffe van anders de waarborgen die de voornoemde reglementaire procedure van openbaarmaking aan de belanghebbende derden biedt volkomen te negeren, deze substantiële pleegvorm wordt miskend indien, na de formaliteit van het openbaar onderzoek, een aangepast plan omvattend essentiële wijzigingen, wordt ingediend dat niet aan de formaliteit van het openbaar onderzoek is onderworpen en dat als grondslag dient voor het advies van de gemachtigde ambtenaar en voor het nemen van de bestreden beslissing; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de aanvraagster op 16 april 2003, dit is twee dagen voor de sluiting van het openbaar onderzoek, nieuwe plannen heeft ingediend; dat zij dit nogmaals heeft gedaan op 30 juli 2003; dat in het bestreden besluit hieromtrent wordt gesteld wat volgt : "De aanvraag diende ingevolge het besluit van 5 mei 2000 openbaar gemaakt. Het openbaar onderzoek werd gehouden van 20 maart tot 18 april
- Op de plans die ter inzage lagen tijdens het openbaar onderzoek, waren blijkbaar een aantal kantoorfuncties aangeduid. Echter, in juli diende de advocaat nieuwe plannen in, waarop de kantoorfuncties werden gewijzigd tot recreatiefuncties (constructie zelf bleef identiek). Deze nieuw ingediende plannen maakten het voorwerp uit van de weigering en zijn thans voorwerp van dit beroep. Het voorzien van woonvertrekken in plaats van kantoren kan de impact van het gebouw op de omgeving enkel verminderen. Daarom is ons college van oordeel dat in casu geen nieuw openbaar onderzoek vereist is."; Overwegende dat de wijziging van de bestemming van een aantal ruimten in het ontworpen bouwwerk van kantoorfuncties in recreatiefuncties niet anders dan als een essentiële wijziging van de plannen kan worden aanzien; dat deze wijziging is aangebracht nadat het openbaar onderzoek over de aanvraag werd gehouden; dat het argument dat naar het oordeel van de bestendige deputatie het voorzien van woonvertrekken in plaats van kantoren de impact van het gebouw op de omgeving enkel kan verminderen niet dienstig kan worden ingeroepen om de gewijzigde plannen niet aan een nieuw openbaar onderzoek te onderwerpen; dat het aangepaste plan -ook al zou het tegemoet komen aan bepaalde bezwaren en opmerkingen- aanleiding zou kunnen geven tot nieuwe bezwaren en opmerkingen; dat het in voorkomend geval evenmin uitgesloten is dat de aangebrachte wijzigingen door de bezwaarindiener onvoldoende worden geacht om hem voldoening te schenken zodat hij in de mogelijkheid moet worden gesteld zijn bezwaren en opmerkingen ten aanzien van het aangepaste plan te formuleren; dat noch het feit dat de betrokken ruimten die werden benoemd "archief", "computerzaal" en X-12.117-6/8 "vergaderruimte" door hun ligging in het gebouw op geen enkele wijze dienstig konden zijn zoals omschreven op de plannen, noch het feit dat de constructie ongewijzigd bleef, aan voormelde vaststellingen afbreuk doen; dat het middel kennelijk gegrond is; Overwegende dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging zonder voorwerp wordt; dat het feit dat met de beschikking van 24 maart 2005 tot vaststelling van de "Vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging. Administratief kort geding" van deze zaak op de openbare terechtzitting van 29 april 2005 in bijlage het "Verslag aan de Voorzitter van de Xe Kamer inzake een kennelijk gegronde vordering tot nietigverklaring (artikel 94 van de algemene procedureregeling)" van 15 maart 2005 werd betekend in plaats van het "Verslag over een vordering tot schorsing" van dezelfde datum over dezelfde zaak, derhalve irrelevant is voor de oplossing van het geschil; dat er geen reden is om te onderzoeken in welke mate deze kennelijk materiële vergissing een schending uitmaakt van de rechten van de verdediging zoals door de tussenkomende partijen pas ter terechtzitting opgeworpen, BESLUIT: Artikel
- De verzoeken tot tussenkomst van de n.v. MK REAL ESTATE en van de n.v. MK FINANCE in het beroep tot nietigverklaring en in de vordering tot schorsing worden ingewilligd. Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 19 augustus 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep wordt ingewilligd van de n.v. MK. FINANCE tegen het besluit van 24 februari 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten waarbij haar de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een alleenstaand landhuis op een terrein, gelegen te Schoten, Spechtendreef 3, kadastraal bekend Sectie A, nr. 111 R 11, en de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend overeenkomstig de voorgebrachte plannen, behoudens wat de muur als omheining betreft. X-12.117-7/8 Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig juni 2005, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-12.117-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.396 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div