id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.398 Rolnummer: A. 155739/X-12057 Zaak: Arrest 146398 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 18:41 Fiche Arrest nr 146.398 van 21 juni 2005 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.398 van 21 juni 2005 in de zaak A. 155.739/X-12.
- In zake : de n.v. ETS VASTIAU-GODEAU, die woonplaats kiest bij Advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ETS VASTIAU-GODEAU op 17 september 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 12 juli 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende de afgifte van een negatief planologisch attest aan het bedrijf VASTIAU-GODEAU in de gemeenten Beersel en Sint-Genesius-Rode; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 januari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-12.057-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. DE GREEF, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat T. DE KETELAERE die, loco Advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij een naamloze vennootschap is die handelt in meubelen en interieurartikelen; dat haar zaakvoerder op 20 november 2003 een aanvraag tot het verkrijgen van een planologisch attest heeft ingediend bij de gewestelijke planologische ambtenaar voor een terrein gelegen deels te Sint-Genesius-Rode, Steenweg naar Eigenbrakel, kadastraal bekend Sectie D, nrs. 8d, 13k3, 23s21, 23t21, 23w14, 23r20 en 23t26, en deels te Beersel, Steenweg naar Halle, kadastraal bekend Sectie B, nrs. 49f, 49m en 49n; dat dit terrein volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 is gelegen, deels in gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, deels in dienstverleningsgebied en deels in natuurgebied; dat een openbaar onderzoek werd georganiseerd van 29 december 2003 tot 28 januari 2004, naar aanleiding waarvan 25 bezwaarschriften werden ingediend; dat de planologische ambtenaar een negatief advies heeft uitgebracht; dat de Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening op 20 april 2004 gunstig advies heeft verleend voor zover het de ruimtelijke behoeften op korte termijn betreft, en ongunstig advies over de ruimtelijke behoeften op lange termijn; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie op 12 juli 2004 een negatief planologisch attest heeft verleend; dat dit het bestreden besluit is; Overwegende dat de verwerende partij de onontvankelijkheid ratione materiae van de vordering opwerpt; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en uitspraak over deze excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; X-12.057-2/7 Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partij uiteenzet wat volgt : "
- Door de afgifte van een negatief planologisch attest geeft de overheid aan ofwel dat het bedrijf niet op zijn huidige locatie behouden kan blijven of dat het hoofdzakelijk vergund of vergund geacht bedrijf wel op de bestaande locatie kan behouden worden maar niet mag herbouwd of uitgebreid worden. Hoewel verzoekster een vergund bedrijf is dat op dit ogenblik geenszins 'zonevreemd' is, laat de bevoegde overheid schijnbaar doorschemeren dat het bedrijf best zou verhuizen naar Drogenbos of Sint-Pieters-Leeuw.
- Verzoekster heeft supra aangetoond dat de 4 sites die in het planologisch attest als mogelijke alternatieven worden opgegeven, niet voldoende zijn aangezien er niet voldoende ruimte beschikbaar is. Bovendien houden deze suggesties geen rekening met de zeer goede economische ligging van het bedrijf (...) op de huidige site sedert 1948, hetzij reeds 56 jaar. VASTIAU-GODEAU op de huidige locatie is een begrip. Op een andere locatie dreigt het bedrijf veel van zijn cliënteel te verliezen. Bovendien is de kost van een herlokalisatie minstens dubbel zo groot dan de voorgestelde modernisering van het bedrijf : • De groep VASTIAU-GODEAU is ook eigenares van de bedrijfsterreinen in Alsemberg en Sint-Genesius-Rode X-12.057-3/7 • De onzekerheid of de zogenaamde 'alternatieve locaties' wel te koop zijn en tegen welke prijs • De geplande verbouwingen op de huidige site in fases kunnen verlopen.
- De invoering van de Euro zal de detailhandel en in het bijzonder de meubelhandel een Europese dimensie geven. De bezoekers zullen van verder komen en zullen ook beter opgevangen moeten worden. De huidige installaties voldoen hiervoor niet. Tevens wordt verwacht dat buitenlandse meubelgiganten zich in België zullen vestigen naar het voorbeeld van IKEA. IKEA heeft haar vestiging in Zaventem volledig in een nieuw modern gebouw gelokaliseerd. In Anderlecht wordt momenteel een gloednieuwe IKEA-vestiging gebouwd die reeds in 2005 haar deuren zal openen. Beide vestigingen zijn op 10 à 15 minuten rijden gevestigd van verzoekster. Verzoekster probeert reeds jaren bij de overheid goodwill te bekomen om de nodige verbouwingen te kunnen doen die haar moeten toelaten te overleven in een markt met een zeer grote concurrentie. Reeds op 05/11/1998 schreef de toenmalige minister bevoegd voor ruimtelijke ordening dat 'een verhuis van Vastiau-Godeau NV naar de site ten oosten van de Steenweg op Eigenbrakel mogelijk is na een herbestemming van deze site'. (...) Nu door de wetswijziging van 19 juli 2002 het juridisch instrumentarium hiervoor beschikbaar was, diende verzoekster haar aanvraag in. Dat de minister hierop negatief beslist ondanks bijna alle (voorwaardelijk) positieve adviezen, zelfs van VLACORO, is onredelijk.
- De voorgebrachte cijfers i.v.m. de omzet van het bedrijf tonen aan dat de omzet van het bedrijf de laatste 10 jaar quasi hetzelfde is gebleven : 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 Omzetcijfer (X mio 22,56 22,16 22,29 22,24 20,58 20,97 20,95 23,05 23,09 23,51 Euro) (...) Ook de meest recente BTW-aangiften bevestigen deze trend (...). Welnu, sedert tien jaar zijn de lonen en de koopwaar enorm gestegen en de winstmarges gekrompen wegens de steeds grotere concurrentie. In realiteit gaat het dus steeds minder goed. Dit terwijl concurrenten met 10 à 11 % per jaar groeien! (...) Het is werkelijk hoog tijd om het tij te keren, wil men VASTIAU-GODEAU een kans geven om te overleven.
- Delokaliseren is omwille van gebrek aan 'echte' alternatieven en wegens 'veel te duur' niet mogelijk. Bij een aanvraag tot de kleinste verbouwing of uitbreiding zal verzoekster geconfronteerd worden met het negatieve planologisch attest dd 12/07/
- Indien dit planologisch attest niet zeer spoedig geschorst wordt - zodat de overheid genoodzaakt wordt een heroverweging te doen - is het bestaan zelf van het bedrijf en de tewerkstelling van 109 mensen in gevaar."; Overwegende dat de verwerende partij repliceert als volgt : X-12.057-4/7 "7.
- Een vordering tot schorsing dient een uiteenzetting van de feiten te bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de verzoekende partij een moeilijk te herstellen nadeel kan berokkenen (artikel 8, 5/ KB van 05.12.1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State). Die bepaling dient zo te worden opgevat - conform de vaste rechtspraak van Uw Raad - dat de verzoekende partij zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar integendeel zeer concrete gegevens moet aanvoeren die er op wijzen dat ze persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan ondergaan. De verzoekende partij moet in haar vordering tot schorsing duidelijk en concreet aangeven welk MTHEN zij zelf ondergaat of dreigt te ondergaan. Er moet door de verzoekende partij m.a.w. een geïndividualiseerde band tussen het vermeende MTHEN en haarzelf worden aangetoond. Het moet voor Uw Raad mogelijk zijn met voldoende precisie in te schatten of er al dan geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel voorhanden is, en het moet voor de verwerende partij mogelijk zijn zich tegen de door de verzoekende partij aangevoerde feiten en argumenten te verdedigen. De verzoekende partij dient in principe gegevens aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat ze ondergaat of kan ondergaan, hetgeen betekent dat zij aanduidingen zal moeten geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel (...). 7.
- Volgens verzoekster bestaat haar MTHEN in het feit dat zij
(1)zonder de nodige verbouwingen te doen niet zal kunnen overleven in een markt met een zeer grote concurrentie, en dat bijgevolg het bestaan van het bedrijf en de tewerkstelling van 109 mensen in gevaar is. Een tweede
(2)MTHEN is volgens verzoekster te vinden in het feit dat 'Bij een aanvraag tot de kleinste verbouwing of uitbreiding zal verzoekster geconfronteerd worden met het negatieve planologisch attest dd 12/07/2004'. De bewering van verzoekster onder
(2)wordt niet verduidelijkt. Verzoekster blijft volledig in gebreke om concrete elementen in rechte en in feite aan te duiden waarop zij deze bewering steunt, alsmede om het MTHEN te omschrijven dat het gevolg zou kunnen zijn van deze hypothetische situatie. Uiteraard vindt in de vermelde situatie het beweerde nadeel haar rechtstreekse oorzaak niet in de aangevochten beslissing. De thesis van verzoekster dat het planologisch attest moet geschorst worden opdat zij zou kunnen
(1)overleven in een Europese markt waar een zeer grote concurrentie heerst, wordt met geen enkel stuk gestaafd waaruit zou kunnen blijken dat het voortbestaan van de onderneming van verzoekster gevaar loopt. Verzoekster legt geen enkel financieel stuk voor om dit beweerde MTHEN te staven, laat staan overtuigende financiële stukken. De cijfers die door verzoekster worden geciteerd inzake de gerealiseerde omzetten over de jaren 1993 t/m 2002 (met een constante stijging vanaf het jaar 2000 tot 2002), worden gekoppeld aan de bewering dat de winsten gedaald zijn wegens de enorme stijging van de lonen en de prijs van de koopwaar. Daargelaten de correctheid van de bewering dat de lonen en de koopwaar in die periode sterk gestegen zouden zijn (2000-2002), wordt deze thesis door verzoekster met geen enkel stuk onderbouwd (behoudens de BTW aangiftes voor de omzetten...). Het beweerde nadeel is bovendien louter hypothetisch. Op geen enkele wijze toont verzoekster aan dat het beweerde nadeel zich normaler- en logischerwijze zal voordoen bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, of dat de bestreden (negatieve) beslissing aan de oorsprong zou liggen van dit hypothetische nadeel . Tenslotte kan de loutere bewering dat het bestreden besluit de realisatie van een grotere omzet of winst in de weg staat, geen MHTEN uitmaken"; X-12.057-5/7 Overwegende dat verzoekster samengevat aanvoert dat het bestreden besluit haar verhindert verbouwings- en uitbreidingswerken uit te voeren op haar huidige locatie, dat zulke werken op deze locatie nodig zijn en enkel op deze locatie mogelijk zijn om als bedrijf te kunnen blijven voortbestaan; Overwegende dat verzoekster een naamloze vennootschap is met als statutair doel : "het vervaardigen van meubelen van alle aard, ze te verkopen en verhandelen, hetzij rechtstreeks, hetzij met tussenpersonen (...) (
- en)de handel in hout en de bewerkingen ervan, in de ruimste zin van het woord"; Overwegende dat verzoekster in wezen een financieel nadeel aanvoert; dat een financieel nadeel in beginsel niet moeilijk te herstellen is, tenzij wordt aangetoond dat dit nadeel dermate ernstig is dat het voortbestaan van de vennootschap zelf ernstig in het gedrang dreigt te worden gebracht; dat aan de hand van de enkele omzetcijfers van de periode 1993 - 2002, de BTW-aangiftes van de periode oktober 2003 - augustus 2004 en de opgaven van de vrijgestelde intracommunautaire leveringen van het laatste kwartaal van 2003 en van het eerste kwartaal van 2004, het de Raad van State onmogelijk is om vast te stellen dat het niet kunnen uitvoeren van een "verbouwing of uitbreiding" het voortbestaan van het bedrijf ernstig in het gedrang zal brengen; dat verzoekster bovendien in gebreke blijft concrete plannen voor te leggen van verbouwings- en uitbreidingswerken die zij in de nabije toekomst beoogt uit te voeren, en die haar ingevolge de bestreden beslissing onmogelijk worden gemaakt; dat zij evenmin enige duidelijkheid verschaft omtrent de impact van de uitvoering van deze niet nader genoemde "verbouwing of uitbreiding" op haar bedrijfsactiviteiten; dat aldus niet aannemelijk wordt gemaakt dat het ingeroepen nadeel niet louter financieel is en derhalve moeilijk herstelbaar; dat voorts het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en niet uit de tijd die de annulatieprocedure in beslag neemt; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, X-12.057-6/7 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig juni 2005, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-12.057-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.398 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.410 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div