← België

Arrest 146469 - - 22/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.469 Rolnummer: A. 144401/XIV-17697 Zaak: Arrest 146469 - - 22/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-12 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 18:49 Fiche Arrest nr 146.469 van 22 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.469 van 22 juni 2005 in de zaak A. 144.401/XIV-17.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 25 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 oktober 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 11 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-17.697-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. NUYTS die, loco Advocaat L. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Georgische nationaliteit, komt in België binnen op 11 september 2003 waar zij zich op dezelfde dag vluchteling verklaart. 1.
  4. Op 1 oktober 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 27 oktober 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 oktober 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing: “(...) A. Vluchtrelaas U verklaart het Georgisch staatsburgerschap te bezitten en van Armeense origine te zijn. Uw problemen begonnen in juli
  6. Op 8 juli 2003 toonde uw echtgenoot u een capsule, en stelde hij dat u de inhoud ervan in het eten of in het drinken moest mengen van de persoon waarvan u de huishoudster was, namelijk mijnheer K.. Hij was parlementslid en er was reeds vroeger een aanval op hem gepleegd, waardoor hij nu in een rolstoel zit. U wist niet wie K. wou vermoorden, maar u weet dat men die capsule aan uw man gaf omdat u bij Karkarashvili werkte. U gooide de capsule dadelijk in het toilet. U vertelde niets aan Karkarashvili, en u diende geen klacht in bij de politie. Op 12 juli 2003 kwamen 3 mannen naar u thuis. Uw echtgenoot werd geslagen, u werd geduwd en ze sleurden uw echtgenoot mee naar buiten. Uw echtgenoot werd ontvoerd. Er werd gesteld dat als u Karkarashvili niet zou vermoorden, ze uw kinderen ook zouden ontvoeren. Op 13 juli 2003 vertrok u naar het dorpje Kumissi (Georgië), waar u bleef tot 8 augustus
  7. Op 20 juli 2003 diende uw vader een klacht in bij de Isani politie, die uw vader doorstuurden naar de UVD. Bij de UVD werd eveneens geen PV opgesteld maar werd uw vader teruggestuurd naar de Isani politie. Bij de Isani politie werd uw vader beledigd, geklopt en buiten geschopt omwille van zijn origine. Uw vader diende klacht in bij het parket van Isani, waar de secretaresse stelde dat ze geen klachten in verband met de politie aannamen en zeker niet van Armeniërs. Op 8 augustus 2003 vertrok u in het gezelschap van uw minderjarige kinderen vanuit Kumissi naar Vladikavkaz (Russische Federatie). U bleef in Vladikavkaz tot 7 september 2003 bij uw schoonzus, en u reisde dan via Minsk (Belarus), Polen en XIV-17.697-2/6 Duitsland verder richting België. U kwam België binnen op 11 september 2003 in het gezelschap van uw minderjarige kinderen, en u diende een asielaanvraag in bij de Belgische asielinstanties op 11 september
  8. U kreeg geen nieuws meer over uw echtgenoot, en u stelt dat hij het wellicht niet overleefd heeft. B. Motivering Uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal blijkt dat u problemen kende in Georgië omdat u in de hoedanigheid van huishoudster gevraagd werd uw werkgever, het parlementslid Karkarashvili, te vermoorden, maar dat u weigerde Karkarashvili te vermoorden en blijkt bovendien dat er geen andere redenen voor uw problemen waren (Commissariaat-generaal, Akopyan Svetlana, p. 12 en 21). Hierover dient te worden opgemerkt dat deze door u aangehaalde problemen tot staving van uw asielaanvraag van gemeenrechtelijke en private aard zijn en als dusdanig buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie vallen. U werd immers geviseerd om een moord te plegen op een parlementariër omwille van het feit dat u de huishoudster was van deze laatste, doch niet omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie. Daarnaast verklaart u voor het Commissariaat-generaal dat u geen bescherming kreeg van de Georgische autoriteiten omdat mensen van Armeense origine vervolgd worden door de autoriteiten (Commissariaat-generaal, Akopyan Svetlana, p. 21). Dit gegeven strookt echter niet met de informatie beschikbaar op het Commissariaat-generaal. Uit deze informatie, waarvan een kopie aan het administratief dossier is toegevoegd, blijkt dat mensen van Armeense origine in Georgië niet vervolgd worden door de autoriteiten, en dat mensen van Armeense origine in Georgië geen aan etnische afkomst gerelateerde problemen ondervinden. Bovendien blijkt uit de informatie dat het behoren tot een bepaalde sociale of etnische groep geen rol speelt bij de te verwachten mate van politiebescherming. Met betrekking tot uw verklaring dat de autoriteiten corrupt zijn waardoor u geen bescherming kon krijgen (Commissariaat-generaal Akopyan Svetlana, p. 21) dient tot slot opgemerkt te worden dat corruptie niet gezien kan worden als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie en bijgevolg buiten het toepassingsgebied valt van deze Conventie. Gezien het bovenstaande kan er in uw hoofde geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie vastgesteld worden. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (een internationaal paspoort, een huwelijksakte, uw geboorteakte, een geboorteakte van uw zoon, een geboorteakte van uw dochter, en de lidkaart van uw echtgenoot van de Labour Partij) bevatten informatie met betrekking tot de identiteit van uzelf, en de identiteit van uw gezin, en met betrekking tot het politiek engagement van uw echtgenoot, doch bevatten geen informatie met betrekking tot de door u in het kader van uw asielaanvraag aangehaalde problemen. Derhalve wijzigen deze documenten niets aan bovenstaande beslissing. De overige door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (een medisch document van uw zoon en een medisch document van uw dochter) bevatten informatie over het feit dat uw kinderen slecht zagen omwille van stress, doch bevatten geen informatie over de reden waarom uw kinderen stress hadden. Derhalve wijzigen deze documenten niets aan bovenstaande beslissing. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving XIV-17.697-3/6 van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
  9. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  10. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Schending van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 en van de artikelen 2 en 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29.07.
  11. Waar tegenpartij oordeelt dat de asielaanvraag van verzoekster buiten het toepassingsgebied van het Verdrag van Genève valt. Terwijl verzoekster via haar advocaat in een schrijven van 17.10.2003 uitdrukkelijk argumenteerde waarom haar asielaanvraag wel binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag valt, en tegenpartij met deze argumenten geen rekening houdt en er niet op antwoordt. Aangezien de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken enkel inging op de etnische componenten in het asielrelaas van verzoekster en daarmee impliciet uitsloot dat er sprake was van een vervolging om politieke motieven, richtte de advocaat van verzoekster per fax op 17.10.2003 een gemotiveerd schrijven aan tegenpartij waarin uitgebreid uiteengezet werd dat de vervolging waarvan verzoekster het slachtoffer werd wel degelijk politiek geïnspireerd was. In het schrijven werd o.m. aangehaald dat de werkgever van verzoekster voordien reeds het slachtoffer werd van een politieke aanslag en alles erop wees dat ook de problemen die verzoekster nu kent een politiek karakter hadden. Ook indien tegenpartij met deze argumentatie niet akkoord kon gaan, had hij op zijn minst moeten motiveren waarom. Ze beperkt er zich toe te stellen dat het gaat om feiten van gemeen recht, zonder uit te leggen waarom. Weliswaar stelt tegenpartij dat verzoekster werd gevraagd omdat ze de huishoudster van de politicus was, maar daarmee houdt tegenpartij nog geen rekening met de motieven van de daders, terwijl alles erop wijst dat deze van politieke aard waren. Nu verzoekster vervolgd wordt omdat ze haar werkgever niet wilde vermoorden, heeft het motief van de vervolging rechtstreeks te maken met deze weigering, en heeft de vervolging van verzoekster door de aanstokers van de moord een politiek motief Bovendien werd tijdens het verhoor bij tegenpartij door de aanwezige advocaat uitdrukkelijk verwezen naar de argumentatie in deze fax (zie nota's dringend beroep p. 25: "motivatie in fax van Mr. Denys"). Door in het geheel voorbij te gaan aan dit belangrijk argument, heeft tegenpartij de formele, en in ondergeschikte orde de materiële, motiveringsplicht op een grove wijze geschonden. In een niet determinerend motief stelt tegenpartij dat verzoekster niet geloofd kan worden dat ze geen bescherming kon krijgen van de overheid. Uit het feitenrelaas, zoals dit blijkt uit het verzoekschrift en ook uit het administratief dossier, blijkt nochtans dat verzoekster gepoogd heeft bescherming te vinden bij de Georgische overheid. Of ze er geen kreeg omwille van haar etnische oorsprong, of niet, doet niet terzake, daar de opdrachtgevers van de moord precies de overheid was (de wagen reed met de man van verzoekster weg en deze wagen van voorzien van een sirene). Hieruit blijkt dat verzoekster geen bescherming kon krijgen omdat ze te raden ging bij--de opdrachtgevers van de moord. De weigering om bescherming te bieden heeft bijgevolg politieke motieven. In voornoemde fax, blz. 2 werd geargumenteerd dat de vraag of personen van Armeense oorsprong in Georgië gediscrimineerd worden of niet, niet terzake doet, nu de motieven van de opdrachtgevers, die tot de overheid behoren, van politieke aard zijn, en tegenpartij houdt hiermee geen rekening, waardoor ook hier de motiveringsplicht wordt geschonden.”; 2.2.
  12. Overwegende dat verzoekster de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt geen rekening te hebben gehouden met alle door haar aangehaalde argumenten; dat verzoekster stelt dat de Commissaris-generaal voor de XIV-17.697-4/6 vluchtelingen en de staatlozen geen rekening heeft gehouden met haar bewering dat de vervolging waarvan zij het slachtoffer werd, wel degelijk politiek geïnspireerd was; dat verzoekster in dit verband verwijst naar de uiteenzetting die haar raadsman hieromtrent heeft gevoerd in een fax die hij op 17 oktober 2003 aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen richtte; 2.2.
  13. Overwegende dat het feit dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk ingaat op het argument van verzoekster dat politieke motieven aan de basis liggen van haar vervolging, niet inhoudt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met dit argument geen rekening heeft gehouden en dit argument niet heeft overwogen bij het nemen van zijn beslissing; dat uit de motivering van de bestreden beslissing, meer bepaald uit de eerste alinea van deze motivering impliciet blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de stelling van verzoekster niet volgt; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen stelt dat verzoeksters problemen louter voortvloeien uit het feit dat haar, “in de hoedanigheid van huishoudster” van parlementslid Karkarashvili, opgedragen werd deze politicus te vermoorden, doch dat zij dit weigerde; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen er nog aan toevoegt “dat er geen andere redenen voor (verzoeksters) problemen waren”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bijgevolg besluit dat deze problemen “van gemeenrechtelijke en private aard zijn en als dusdanig buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie vallen”; dat verzoekster er niet in slaagt de kennelijke onredelijkheid aan te tonen van deze overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat zij weliswaar beweert dat haar vervolging politiek geïnspireerd was, doch deze bewering niet met enig concreet element staaft; dat het niet is omdat de opdrachtgevers van de moord politieke drijfveren hebben, dat zij ook verzoekster vervolgen omwille van politieke redenen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekster uitgekozen werd om deze moord te plegen omwille van het feit dat zij de huishoudster van de geviseerde politicus was, “doch niet omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie”; dat deze stelling overigens steun vindt in de stukken van het administratief dossier; dat verzoekster voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uitdrukkelijk verklaarde dat de gifcapsule aan haar man werd gegeven, “omdat ze wisten dat (zij) er werkte” (verhoorverslag p. 11); dat verzoekster vervolgens zelf uitdrukkelijk specifieerde dat er geen andere reden was waarom net zij was uitgekozen (verhoorverslag p. 12); dat, wat verzoeksters kritiek betreft ten aanzien van de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “dat mensen van Armeense origine in Georgië niet vervolgd worden door de autoriteiten”, kan volstaan worden met de opmerking dat verzoekster in haar verzoekschrift zelf aangeeft dat deze overweging een “niet determinerend motief” betreft; dat verzoeksters kritiek hieromtrent dan ook niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat het enige middel niet gegrond is; XIV-17.697-5/6
  14. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  15. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.697-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.