id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.470 Rolnummer: A. 163377/IX-4948 Zaak: Arrest 146470 - - 22/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 18:50 Fiche Arrest nr 146.470 van 22 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.470 van 22 juni 2005 in de zaak A. 163.377/IX-
- In zake : Mezian BOUHAJRA, die woonplaats kiest bij advocaat A. DESCHAMPHELEIRE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat 30 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de minister van Justitie,
- de directeur van de gevangenis te HASSELT. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Mezian BOUHAJRA op 17 juni 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing genomen op 11 juni 2005 door de directeur van de gevangenis Hasselt waarbij aan verzoeker de tuchtsanctie van 14 dagen telefoonverbod werd opgelegd; Gelet op de beschikking van 22 juni 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het administratief dossier; Gelet op de beschikking van 17 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2005, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Geho o rd de o p me r k ing e n van advocat en A. DESCHAMPHELEIRE en S. SCHÜTT, die verschijnen voor verzoeker en van attaché K. VAN DRIESSCHE, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-4948-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Verzoeker is gedetineerd in de gevangenis van Hasselt. Op vrijdag 10 juni 2005 om 21 uur wordt te zijnen laste het volgende tuchtverslag opgesteld : “Vermelde gedetineerde had omstreeks 18.00 een telefoongesprek gevoerd. Omstreeks
- 40 belde hij opnieuw .Toen de sectie beambte hem, na een tiental minuten, vroeg om het gesprek te beëindigen om nog anderen toe te laten om te telefoneren werd vermelde agressief en dreigde om na zijn vrijlating de sectiebeambte fysiek te zullen aanpakken. De kwartierchef dd. die de gemoederen probeerde te bedaren, kreeg dezelfde verwijten en bedreigingen. Na controle in verband met de belwaarde stelde de kwartierchef vast dat deze nihil was. Vermelde heeft dus met iemand anders zijn belwaarde en code getelefoneerd, hetgeen verboden is”. 1.
- Op zaterdag 11 juni 2005 besluit de directeur van de gevangenis tegen verzoeker een tuchtprocedure op te starten. Hem wordt medegedeeld dat hij op dezelfde dag, om 15.30 uur zal worden gehoord. Verzoeker verklaart beroep te willen doen op de bijstand van een raadsman en vermeldt op het desbetreffende formulier 263 als zijn advocaat: “Axel Deschampheleire, Schermersstraat 30, 2000 Antwerpen, Tel. 03/203.43.13 Fax 03/203.43.18". Op 11 juni 2005 om 11.02 uur wordt de voornoemde raadsman door de gevangenisdirectie per fax uitgenodigd voor de zitting. Blijkbaar wordt deze fax door de bestemmeling slechts gelezen op maandag 13 juni
- 1.
- Op de hoorzitting, waar verzoeker verschijnt zonder bijstand van een advocaat, verklaart verzoeker : “Ik geef toe dat ik met iemand anders zijn code heb getelefoneerd. Het is de code van een medegedetineerde, wiens naam ik niet ken, maar ik ken deze persoon vanuit de Antwerpse gevangenis. Ik kan U later deze naam wel bezorgen. Hij heeft mij vrijwillig zijn code gegeven zodat ik mijn moeder en vrienden kon telefoneren. De code is
- In Antwerpen heb ik dat ook al gedaan, daar werd immers geen controle uitgevoerd. Ik heb wel geen 10 minuten getelefoneerd. Ik heb inderdaad een discussie gehad met 2 cheffen. Het was een hevige discussie. Ik heb wel geen bedreigingen geuit, maar heb wel mijn stem IX-4948-2/6 verhefd. Ik wil me hiervoor verontschuldigen. Ik wil niemand opzoeken achteraf voor een of andere afrekening”. De gevangenisdirecteur legt daarop aan verzoeker op 11 juni 2005 de sanctie op van 14 dagen telefoonverbod.
- Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert, “genomen uit de schending van titel C van de ministeriële omzendbrief nr. 1.777 dd. 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde, uit de schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti als beginsel van behoorlijk bestuur, en uit de schending van het recht van verdediging, doordat de bestreden beslissing genomen is na een hoorzitting waarop de raadsman van verzoeker afwezig was, doordat verzoeker door de directie van de gevangenis Hasselt niet in de mogelijkheid gesteld werd om zijn raadsman op een zaterdag telefonisch te contacteren op diens GSM, terwijl meergenoemde omzendbrief voorziet dat het personeel van de gevangenis gehouden is om aan de gedetineerde de mogelijkheid te geven om een advocaat te contacteren via het snelste middel, en terwijl het sturen van een fax tijdens het weekend een veel minder efficiënte manier is om de raadsman te contacteren dan het bellen op diens GSM, en terwijl het naleven van dit voorschrift van de omzendbrief niet afhankelijk kan worden gemaakt van de toevallige financiële toestand van de betrokken gedetineerde”; Overwegende dat verzoeker bij dit middel toelicht dat de ministeriële omzendbrief nr. 1.777 onder andere beoogt om de tuchtprocedure “conform de rechten van verdediging te maken” en daarom voorschrijft dat “wanneer hij gevraagd heeft om te worden bijgestaan door een advocaat, moet de gedetineerde in de gelegenheid worden gesteld om zijn tuchtdossier te raadplegen in aanwezigheid van zijn advocaat” (punt A.2) en dat “de gedetineerde die het voorwerp vormt van een tuchtprocedure moet in alle omstandigheden een beroep kunnen doen op de bijstand van een advocaat. Het personeel is gehouden om hem hiertoe de IX-4948-3/6 mogelijkheid te geven via het snelste middel: telefoon, fax, ..”(titel C van de omzendbrief); dat verzoeker dan vaststelt dat het rapport waarin de feiten waren weergegeven waarvan door het personeelslid vermoed werd dat zij een tuchtrechtelijke inbreuk zouden kunnen uitmaken, opgesteld is op een zaterdag, dat de directeur van de gevangenis dezelfde dag nog heeft beslist om een tuchtprocedure te starten, hoewel de omzendbrief (punt A 2) daartoe in een periode van maximaal 7 dagen voorziet, dat overeenkomstig punt A 3 van de omzendbrief de hoorzitting dan ook binnen de 24 uur diende te worden gehouden, wat in casu opnieuw zeer snel gebeurde, namelijk reeds om 15.30 uur en dat verzoekers raadsman daartoe werd uitgenodigd per fax verstuurd om 11.03 uur; dat volgens verzoeker de directie van de gevangenis niet onwetend kon zijn van het feit dat het risico zeer groot was dat deze fax de raadsman niet tijdig onder ogen zou komen, nu advocatenkantoren in de regel gesloten zijn tijdens het weekend en er geen secretariaatspermanentie wordt georganiseerd; dat hij het beschouwt als een louter formele poging om zich te conformeren aan het voorschrift van titel C van de omzendbrief, terwijl een veel probater middel erin bestond om de raadsman van verzoeker te contacteren op zijn GSM, welke hij ook tijdens het weekend bij zich heeft en waarop in ieder geval een bericht kon worden ingesproken waarvan veel eerder kennis genomen kon worden dan van het faxbericht; dat met andere woorden aan verzoeker niet het snelste middel ter beschikking werd gesteld om op zijn advocaat beroep te doen; dat verzoeker ook nog stelt dat de omstandigheid dat hij niet in het bezit was van een persoonlijke telefooncode hem de waarborg op een effectieve verdediging niet vermocht te ontnemen; dat de omzendbrief immers duidelijk bepaalt dat het personeel van de gevangenis gehouden is om aan de gedetineerde de faciliteiten te bieden voor contactname met zijn raadsman “via het snelste middel: telefoon, fax”, zonder dat hij gehouden kon zijn de kosten van die communicatie te betalen; dat verzoeker aanstipt dat hij ten andere niet moest betalen voor de verzending per fax aan zijn raadsman van de uitnodiging voor de hoorzitting; 3.
- Overwegende dat verzoeker terecht stelt dat volgens titel C van de ministeriële omzendbrief nr. 1.777 van 2 mei 2005 hem de mogelijkheid moest IX-4948-4/6 worden geboden om een beroep te kunnen doen op de bijstand van zijn advocaat, met gebruik van het snelste middel, zoals telefoon en fax en dat, op zijn minst indien hij niet over de middelen beschikte om persoonlijk in contact te treden met zijn raadsman, het gevangenisbestuur zelf daarvoor diende in te staan; dat het eveneens waar is dat het verzenden van een fax tijdens het weekend het risico inhoudt dat deze pas bij het begin van de volgende werkweek gelezen zal worden; dat indien verzoeker vreesde dat hij zijn raadsman niet tijdig zou kunnen contacteren, het echter aan hem stond om de gevangenisadministratie de nodige gegevens te verstrekken opdat dit wel zou kunnen gebeuren; dat naar verluidt verzoeker het GSM nummer van zijn raadsman kende, maar men zich afvraagt waarom hij dat nummer dan niet heeft vermeld op het formulier 263, waarvan sprake onder 1.
- hiervoor; dat weliswaar het personeel verzoeker het snelste middel moest bieden om in contact te treden met zijn raadsman, doch het er niet toe gehouden was in zijn plaats uit te maken welk dat snelste middel was; dat bijgevolg in deze stand van de rechtspleging moet worden besloten dat het personeel van de gevangenis te Hasselt correct heeft gehandeld door verzoekers raadsman in kennis te stellen van de hoorzitting op de wijze die verzoeker zelf had aangegeven; dat, overigens, verzoeker op de hoorzitting er zich niet over heeft beklaagd dat zijn raadsman niet tijdig was verwittigd; dat het middel niet ernstig is; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. IX-4948-5/6 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni 2000 en vijf, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4948-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.470 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.