id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.471 Rolnummer: Zaak: Arrest 146471 - - 23/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 18:50 Fiche Arrest nr 146.471 van 23 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.471 van 23 juni 2005 in de zaak A. 60.430/XII-923 62.805/XII-
- In zake : Michaël VAN POELVOORDE, wonende te Dilbeek, Ninoofsesteenweg 896 tegen : de BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE DIENST VOOR BRANDWEER EN DRINGENDE MEDISCHE HULP. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Michaël Van Poelvoorde op 19 oktober 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 augustus 1994 van de minister-voorzitter van de Brusselse hoofdstedelijke regering waarbij hij bij tijdelijke ordemaatregel met ingang van 1 juni 1994 voor onbepaalde duur wordt geschorst met volledige inhouding van wedde (A.60.430/XII-923); Gezien het verzoekschrift dat Michaël Van Poelvoorde op 16 maart 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 september 1994 van de Brusselse hoofdstedelijke regering in zoverre het hem bij tijdelijke ordemaatregel met ingang van 1 juni 1994 voor onbepaalde duur schorst met gedeeltelijke inhouding van wedde (A.62.805/XII-922); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord, en de toelichtende memorie van verzoeker; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; XII-923-1/9 Gelet op de beschikking van 13 maart 1998 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 13 maart 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Stuckens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat V. Schippers, die loco advocaat W. Muls verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaken. Overwegende dat verzoeker vastbenoemd brandweerman is bij de Brusselse hoofdstedelijke dienst voor brandweer en dringende medische hulp; dat hij op 30 maart 1994 op bevel van de onderzoeksrechter te Dendermonde wordt aangehouden waardoor hij met ingang van 1 april 1994 afwezig is op het werk; dat de officier-dienstchef met een brief van 26 april 1994 aan verzoekers raadsman meedeelt dat verzoekers toestand wordt geregulariseerd door het toekennen van de vakantiedagen waarop hij recht heeft, dat hij zijn dienst zou XII-923-2/9 kunnen hernemen indien hij in afwachting van zijn proces zou worden vrijgelaten, dat ingeval verzoekers vakantiedagen zouden worden opgebruikt, zijn toestand zal worden geregulariseerd door aan de minister voor te stellen hem bij wijze van ordemaatregel te schorsen met tijdelijke inhouding van wedde of door de bevoegde overheid te laten beslissen hem voorlopig in non-activiteit met tijdelijke inhouding van wedde te plaatsen, dat met deze beslissing geenszins vooraf wordt geoordeeld over verzoekers schuld en dat zal worden gewacht op het definitieve vonnis vooraleer verdere maatregelen te treffen; dat de officier-dienstchef bij brief van 30 juni 1994 aan verzoekers raadsman een vragenlijst voorlegt “met het oog op een tijdelijke regeling van de administratieve situatie van [verzoeker]”, vragenlijst die luidt : “
- Gaat U akkoord met de werkwijze om Uw verlofdagen te gebruiken als regularisatie van Uw afwezigheid.
- Kan U zich akkoord verklaren met de maatregel zoals deze wordt vastgelegd in art. 48 §2, meer bepaald de schorsing bij ordemaatregel ten bewarende titel met gehele of gedeeltelijke inhouding van wedde.
- Gaat U eveneens akkoord met de schriftelijke procedure zoals deze voorzien wordt in het tuchtreglement, meer bepaald in art. 50 §4”; dat verzoeker op elk van voormelde vragen bevestigend antwoordt; Overwegende dat verzoekers aanhouding op 12 augustus 1994 eindigt waarna hij zich op 17 augustus 1994 op het werk aanbiedt, alwaar de officier-dienstchef hem niet toelaat het werk te hervatten; dat verzoekers raadsman hiertegen op dezelfde datum protesteert door aan de officier-dienstchef schriftelijk mee te delen dat indien deze verzoeker voorlopig of disciplinair wenst te schorsen, hij de reglementair bepaalde procedures dient na te leven; dat de officier- dienstchef op 18 augustus 1994 antwoordt dat hij na kennisname van de feiten waarvoor verzoeker werd aangehouden van oordeel is dat een tuchtprocedure dient te worden opgestart die volgens de voorziene procedure zal verlopen; dat verzoeker op 18 augustus 1994 kennis neemt van het verslag van 17 augustus 1994 van de directieraad van de Brusselse hoofdstedelijke dienst voor brandweer en dringende medische hulp waarin aan de minister-voorzitter van de Brusselse hoofdstedelijke regering wordt voorgesteld hem, gezien de ernst van de feiten en XII-923-3/9 de omstandigheden waarin ze zijn gepleegd, bij wege van tijdelijke maatregel voor onbepaalde tijd te schorsen met volledige inhouding van wedde; dat verzoeker met een brief van 31 augustus 1994 door de officier-dienstchef in kennis wordt gesteld van het besluit van 17 augustus 1994 van de minister-voorzitter van de Brusselse hoofdstedelijke regering waarbij hij met ingang van 1 juni 1994 bij “tijdelijke ordemaatregel voor onbepaalde duur” wordt geschorst in zijn functie van brandweerman, met volledige inhouding van wedde; dat dit de bestreden beslissing in de eerste zaak is; Overwegende dat verzoekers raadsman, in het kader van een door verzoeker bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel ingestelde procedure in kort geding, op 20 september 1994 van verwerende partij per fax een afschrift ontvangt van het besluit van 8 september 1994 “van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering” waarbij -in artikel 4- het voormelde besluit van 17 augustus 1994 wordt ingetrokken en waarbij -in artikelen 2 en 3- verzoeker met ingang van 1 juni 1994 bij “tijdelijke ordemaatregel voor onbepaalde duur” wordt geschorst in zijn functie van brandweerman, met “gedeeltelijke inhouding van de wedde”; dat het besluit uitsluitend is ondertekend door een gewestelijk staatssecretaris; dat een afschrift van het betrokken besluit volgens verwerende partij op 22 september 1994 ook zou zijn neergelegd ter zitting van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel; dat aan verzoeker bij brief van 26 januari 1995 een afschrift van het besluit, ondertekend door de bevoegde leden van de Brusselse hoofdstedelijke regering, wordt betekend; dat de tijdelijke schorsing voor onbepaalde duur, met gedeeltelijke inhouding van wedde, de aangevochten beslissing in het tweede beroep is; XII-923-4/9
- De ontvankelijkheid van het verzoekschrift in de zaak A. 60.430/XII-
- Overwegende dat verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is omdat het bestreden besluit werd ingetrokken door het besluit van 8 september 1994 van de Brusselse hoofdstedelijke regering waarvan verzoeker, op het ogenblik dat hij zijn verzoekschrift bij de Raad van State indiende, reeds op de hoogte was als gevolg van de stukken die zij op 22 september 1994 indiende in het kader van de kort- gedingprocedure voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die op vordering van verzoeker werd gevoerd; Overwegende dat ten gevolge van de intrekking in artikel 4 van het besluit van 8 september 1994, de beslissing van 17 augustus 1994 niet meer bestaat; dat niet blijkt of zelfs maar beweerd wordt dat de beslissing zou herleven indien verzoekers tweede beroep -tegen de artikelen 2 en 3 van het besluit van 8 september 1994- wordt ingewilligd; dat het beroep bij gebrek aan voorwerp onontvankelijk is; dat de intrekking niet vóór het instellen van het beroep op de geëigende wijze aan verzoeker is aangezegd; dat het bijgevolg past de kosten ten laste van verwerende partij te leggen;
- De ontvankelijkheid van het verzoekschrift in de zaak A. 62.805/XII-
- Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie doet gelden dat een annulatieberoep dient te worden ingesteld binnen zestig dagen na kennisname van het bestreden besluit, ongeacht de wijze waarop betrokkene er kennis van kreeg, dat verzoeker reeds voor 26 januari 1995 op de hoogte was van het bestreden besluit aangezien zijn raadsman er met een fax van 20 september 1994 kennis van kreeg en het besluit bovendien in het kader van de kort-gedingprocedure voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 22 september 1994 ter zitting werd neergelegd, dat overeenkomstig artikel 743, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek de inventaris van de stukken bij de conclusies wordt gevoegd en dat voorts artikel 746 van het Gerechtelijk XII-923-5/9 Wetboek bepaalt dat de neerlegging van de conclusies ter griffie als betekening geldt, dat bijgevolg de bestreden beslissing werd betekend zodat de termijn van zestig dagen minstens sinds 22 september 1994 loopt en het beroep derhalve laattijdig werd ingediend; Overwegende dat het bestreden besluit op individuele wijze een element van verzoekers juridische positie wijzigt; dat het, met het oog op de aanvang van de termijn voor het indienen van een annulatieberoep ertegen, dan ook aan hem moet worden betekend; dat het van geen belang is te weten of verzoeker al dan niet voordien reeds feitelijk kennis van het besluit had; dat de kennisgeving aan verzoekers raadsman van de bestreden beslissing met een fax van 20 september 1994 en de neerlegging ervan ter zitting op 22 september 1994 niet kunnen worden beschouwd als een volwaardige betekening, van aard om de beroepstermijn te doen lopen; dat dit des te minder het geval is waar daarbij immers werd nagelaten toepassing te maken van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat de exceptie verworpen wordt;
- De grond van de zaak A. 62.805/XII-
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel stelt dat zijn rechten van verdediging werden geschonden, dat hij zich op 17 augustus 1994 opnieuw op het werk heeft aangeboden en dat de minister-voorzitter van de Brusselse hoofdstedelijke regering dezelfde dag een besluit heeft genomen waarbij hij voor onbepaalde tijd werd geschorst met volledige inhouding van wedde, dat het bestreden besluit de beslissing van 17 augustus 1994 goedkeurt en de motieven ervan integraal overneemt, maar de volledige inhouding van wedde vervangt door een gedeeltelijke inhouding met gegarandeerde toekenning van het bestaansminimum, dat de rechten van verdediging niet enkel dienen te worden nageleefd in het kader van een tuchtprocedure, maar ook bij het opleggen van een ordemaatregel, dat het tegensprekelijk karakter van de administratieve procedure de overheid die een ordemaatregel neemt op grond van het gedrag van een personeelslid ertoe verplicht de betrokkene in kennis te stellen van de hem ten XII-923-6/9 laste gelegde feiten en hem de mogelijkheid te bieden zich daarvoor, na kennisname van het dossier, te verantwoorden, dat hij te dezen niet voorafgaandelijk op de hoogte werd gebracht van de hem ten laste gelegde feiten en hij zich niet heeft kunnen verantwoorden na kennisname van het volledige dossier; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie repliceert dat verzoeker zich “uitdrukkelijk en schriftelijk” akkoord verklaarde met een “schorsing bij ordermaatregel ten bewarende titel met gehele of gedeeltelijke inhouding van wedde”, dat hij niet voorafgaandelijk diende te worden gehoord, dat hij alleszins de kans kreeg zijn standpunt uiteen te zetten ten aanzien van het hoofd van de Brusselse hoofdstedelijke dienst voor brandweer en dringende medische hulp zodat verzoeker voorafgaand aan het nemen van de bestreden beslissing werd gehoord; Overwegende dat de Brusselse hoofdstedelijke regering op 8 september 1994 verzoeker bij ordemaatregel vanaf 1 juni 1994 voor onbepaalde duur heeft geschorst met gedeeltelijke inhouding van wedde; dat wanneer de overheid, zoals te dezen, overweegt een maatregel te nemen die de betrokkene in zijn belangen schaadt en die is gestoeld op zijn gedrag dat hem als een tekortkoming wordt aangerekend, zij overeenkomstig een beginsel van behoorlijk bestuur, aan hem de mogelijkheid moet bieden om op nuttige wijze zijn standpunt over de voorgenomen maatregel kenbaar te maken; dat deze verplichting impliceert dat betrokkene vooraf op deugdelijke wijze in kennis wordt gesteld van de tekortkomingen die hem ten laste worden gelegd alsook van de aard van de maatregel die tegenover hem wordt overwogen; dat te dezen aan verzoeker niet de mogelijkheid werd geboden nuttig zijn standpunt ten aanzien van de voorgenomen maatregel aan de overheid kenbaar te maken; dat zulks inzonderheid niet is gebeurd tijdens het onderhoud dat verzoeker op 17 augustus 1994 met de officier-dienstchef had; dat het stuk 6 van verwerende partij daar geen twijfel over laat; dat, tenslotte, verzoekers antwoorden op de vragenlijst die de officier-dienstchef hem met brief van 30 juni 1994 heeft voorgelegd, geen excuus XII-923-7/9 konden vormen om hem niet te horen; dat die antwoorden gelezen moeten worden in het licht van wat de officier-dienstchef eerder, met brief van 26 april 1994, aan verzoekers raadsman meedeelde; dat aldus verzoekers akkoord, in antwoord op de tweede vraag, met “de schorsing bij ordemaatregel ten bewarende titel met gehele of gedeeltelijke inhouding van wedde”, blijkbaar alleen het geval betreft waarin hij niet zijn dienst kan hernemen, maar in voorarrest wordt gehouden en geen vakantiedagen meer heeft waarmee zijn afwezigheid “geregulariseerd” kan worden; dat sinds 12 augustus 1994 evenwel verzoeker wél weer zijn dienst kon, en wou, hernemen; dat het eerste middel in de aangegeven mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 8 september 1994 van de Brusselse hoofdstedelijke regering in zoverre het, in de artikelen 2 en 3, Michaël Van Poelvoorde bij tijdelijke ordemaatregel met ingang van 1 juni 1994 voor onbepaalde duur schorst met gedeeltelijke inhouding van wedde. Artikel
- Het beroep in de zaak A. 60.430/XII-923 wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, XII-923-8/9 J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-923-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.471 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.