← België

Arrest 146472 - - 23/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.472 Rolnummer: A. 82186/XII-1837 Zaak: Arrest 146472 - - 23/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-29 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 18:50 Fiche Arrest nr 146.472 van 23 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.472 van 23 juni 2005 in de zaak A. 82.186/XII-

  1. In zake : Alain VANDEN HOLE, die woonplaats kiest bij advocaat J. De Koekelaere, kantoor houdende te Brakel, Ommegangstraat 15 tegen : de STAD RONSE, die woonplaats kiest bij advocaat V. Tollenaere, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan
  2. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alain Vanden Hole op 26 januari 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 23 november 1998 van de gemeenteraad van Ronse houdende niet-verlenging van zijn dienstnemingscontract als effectief brandweerman-vrijwilliger; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 14 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verwerende partij; XII-1837-1/26 Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. De Sutter, die loco advocaat V. Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker is sinds 1988 officier-dienstchef van de brandweer van Ronse en behoort tot het vrijwilligerspersoneel. Zijn dienstverbintenis werd voor het laatst hernieuwd met ingang van 1 december 1993, om te verstrijken op 30 november
  5. 1.
  6. Wegens “aanslepende moeilijkheden in het brandweerkorps” voeren de diensten van de gouverneur van Oost-Vlaanderen in 1997 een onderzoek naar de structuur en het functioneren van het korps. In het verslag van 18 september 1997 wordt de historiek van de bedoelde moeilijkheden als volgt geschetst : “De aan de gang zijnde moeilijkheden dateren reeds van ongeveer twee jaar terug, toen een klachtenstroom op gang kwam, hoofdzakelijk gericht tegen de huidige bevelhebber, de heer Alain Vanden Hole en de wijze waarop deze het korps leidt (of soms niet leidt). XII-1837-2/26 Op initiatief van de Gouverneur werd door de brandweerinspectie een onderzoek ingesteld en werden door bemiddeling van de burgemeester van Ronse eind 1995 verzoeningsvergaderingen belegd en afspraken gemaakt. Het verhoopte resultaat bleef echter uit. Integendeel, de toestand escaleerde verder en leidde tot het ontslag, in het voorjaar van ’96, van een twintigtal leden van de brandweerdienst, waaronder de tweede (en naast de commandant enige) officier. De toestand kwam daarmee niet tot rust. De klachtenstroom hield aan, zowel uit middens van de uit dienst getreden brandweermannen (die inmiddels een feitelijke vereniging oprichtten), als uit het brandweerkorps zelf. Aangezien de diverse verzoeken, gericht aan het gemeentebestuur, om de toestand te onderzoeken en maatregelen te treffen, blijkbaar weinig effect opleverden, kwam de Gouverneur eind ’96 tot de conclusie dat de wedergezondmaking van, en zo mogelijk de verzoening binnen het korps, niet mogelijk was zonder een diepgaand onderzoek van de structuur en het functioneren van het korps. Begin ’97 werd tot dit onderzoek opdracht gegeven, onderzoek dan diende uitgevoerd met bijstand van de brandweerinspectie èn met de (noodzakelijke) instemming van het gemeentebestuur”. 1.
  7. Op 25 september 1997 bezorgt de provinciegouverneur het verslag aan de burgemeester van Ronse. Het bevat een aantal vaststellingen, conclusies en voorstellen voor de toekomst, opgesteld met inachtneming van “alle sinds ’95 ingediende klachten” betreffende de brandweerdienst. Wat de “vaststellingen” betreft worden de onderzochte tekortkomingen en feiten die op verzoeker betrekking hebben, gesynthetiseerd in de volgende verwijten : “* favoritisme ten voordele van sommige leden van het korps, inzonderheid zijn zoon, Philippe Vanden Hole; andere leden van het korps worden systematisch gediscrimineerd; * gebrek aan openheid: het achterhouden van documenten, informatie en verslagen van vergaderingen, geen -of onvolledig- inzage geven van de toestand van de brandweerkas; * inbreuken op de tucht: het niet eerbiedigen van het verbod om leveringen te doen aan de brandweerdienst; het tolereren van tuchtinbreuken of insubordinatie door ondergeschikten; * onvoldoende oog te hebben voor de gebrekkige operationaliteit van het korps, die voortvloeit uit een tekort aan inzetbare manschappen: inadequaat oefenen, alarmeren en inzetten van materieel; * deloyaal gedrag jegens het gemeentebestuur, door het niet of onvolledig uitvoeren van instructies”. XII-1837-3/26 De “algemene conclusies” van het verslag vangen aan met de volgende vaststelling : “de verantwoordelijkheid voor de ernstige malaise in het brandweerkorps van Ronse is [...] niet eenduidig”. Er wordt gewezen op de rol van het gemeentebestuur -jarenlang gebrek aan sturing en controle- en op de “aangehouden hetze tegen de bevelhebber [door] de groep gewezen brandweermannen”. Met inachtneming van die nuances wordt dan vermeld dat “de korpsleiding in gebreke is gebleven”. Verzoeker wordt wel voorgesteld als een man met kwaliteiten, gezien onder meer de “uitstekende onderhoudsstaat van het rollend materieel en van het brandweerarsenaal” en het “zuinig omspringen met de beschikbare middelen”. Er wordt ook gewezen op de “niet-gemakkelijke omstandigheden [waarin hij] is aangetreden” en op de onderbezetting van het korps. Dan volgen echter de verwijten: “het belangrijkste probleem waarmee de korpsleiding te kampen heeft is het vinden van een gepaste stijl van leiding geven. Waar de bevelhebber hoog scoort voor zin voor orde en onderhoud van materieel (en tot op zekere hoogte voor administratie en organisatie) heeft hij duidelijk te weinig oog voor het correct omgaan met zijn manschappen en het middenkader”. Dat verwijt wordt dan in een aantal aspecten opgesplitst: gebrek aan vermogen tot delegatie, gebrek aan openheid, favoritisme van getrouwen en voorkeursbehandeling van zijn zoon, misplaatst gedrag ter gelegenheid van zijn optreden in het “comité van advies”, het “niet optreden tegen brutaliteiten door Sgt. Vanden Hole” en het “tolereren van racistische uitspraken in het tijdschrift van de vriendenkring” en het persoonlijk menselijk falen, inzonderheid “brutaliteiten” waaraan hij zich schuldig zou hebben gemaakt. Wat de “voorstellen” betreft wordt er met betrekking tot verzoeker aanbevolen dat “de bevelhebber zijn leidersschap drastisch zal moeten herzien” in die zin dat “hij zal moeten leren omgaan met begrippen als delegatie, motivatie, communicatie en openheid” en dat uit het gebrek aan bereidheid van verzoeker om het veranderingsproces tot een goed einde te brengen “evident de passende conclusies [moeten] worden getrokken”. XII-1837-4/26 1.
  8. Op 14 oktober 1997 komt tussen de gemeentes Ronse en Oudenaarde een overeenkomst tot stand waarbij, ingevolge de onmogelijkheid van de brandweerdienst van Ronse om zijn wettelijke en reglementaire verplichtingen te vervullen, de bescherming van het grondgebied van Ronse wordt overgedragen aan de brandweerdienst van Oudenaarde. Deze overdracht is tijdelijk: ze geldt tot wanneer de brandweerdienst van Ronse zijn verplichtingen weer volwaardig kan vervullen. Deze overeenkomst wordt op 15 oktober 1997 door de provinciegouverneur goedgekeurd. 1.
  9. Met een brief van 16 oktober 1997 deelt de burgemeester van Ronse aan verzoeker mee dat hij “in het raam van de tegen [hem] geformuleerde klachten” met onmiddellijke ingang gedurende vier maanden bij ordemaatregel preventief wordt geschorst en dat deze maatregel is gesteund “op zware tekortkomingen in de manier van leiding geven en op insubordinatie ten aanzien van de Burgemeester” waardoor zijn aanwezigheid “onverenigbaar is met de goede werking van de dienst”. Na verzoeker op 24 oktober 1997 te hebben gehoord, beslist de burgemeester op 3 november 1997 zijn beslissing tot preventieve schorsing van verzoeker te handhaven. Op 17 november 1997 bekrachtigt de gemeenteraad van Ronse, na verzoeker nogmaals te hebben gehoord, de beslissingen van 16 oktober 1997 en 3 november 1997 van de burgemeester. 1.
  10. Op 27 november 1997 beveelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, zetelend in kort geding, de schorsing van de beslissing van 16 oktober 1997 van de burgemeester tot wanneer “de Executieve” uitspraak zal hebben gedaan over verzoekers beroep. Op 19 januari 1998 beveelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde de schorsing van de besluiten van 17 november 1997 van de gemeenteraad van Ronse tot wanneer de Raad van State uitspraak zal hebben gedaan over het beroep tot nietigverklaring dat verzoeker op 12 december 1997 tegen deze besluiten heeft ingediend. XII-1837-5/26 1.
  11. Met een brief van 26 januari 1998 wordt verzoeker opgeroepen voor de gemeenteraadszitting van 9 februari 1998, teneinde in zijn middelen van verdediging te worden gehoord over de “tuchtrechtelijke feiten” die hem als officier-dienstchef van de brandweerdienst van Ronse ten laste worden gelegd en “die blijken uit het [...] gevoegde verslag van de burgemeester aan de gemeenteraad”. Bedoeld tuchtverslag van de burgemeester verwijst naar het doorlichtingsrapport en naar de vijf voornoemde verwijten die daarin ten aanzien van verzoeker worden geformuleerd. In het verslag stelt de burgemeester voor verzoeker wegens “kennelijk wangedrag” en “miskenning van de tucht” bij tuchtmaatregel af te danken. Op 9 februari 1998 besluit de gemeenteraad van Ronse verzoeker, na hem te hebben gehoord, met onmiddellijke ingang bij tuchtmaatregel af te danken en zijn dienstnemingscontract te beëindigen. Verzoeker vecht dit besluit bij de Raad van State aan met een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring. 1.
  12. Op 6 april 1998 besluit het college van burgemeester en schepenen, onder verwijzing naar het schrijven van 25 september 1997 van de provinciegouverneur, naar het tuchtverslag en tuchtvoorstel van de burgemeester en naar het organiek reglement van de stedelijke brandweerdienst om verzoekers dienstnemingscontract, dat op 1 december 1993 voor vijf jaar werd hernieuwd, “in geen geval te vernieuwen”. Verzoeker vecht ook dit besluit met een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State aan. 1.
  13. Bij arrest nr. 74.397 van 23 juni 1998 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van het gemeenteraadsbesluit van 9 februari
  14. Bij arrest nr. 81.139 van 22 juni 1999 zal de Raad van State voormeld gemeenteraadsbesluit van 9 februari 1998 ook nietig verklaren. 1.
  15. Met een brief van 10 juli 1998 wordt aan verzoeker gevraagd om zijn standpunt met betrekking tot het hernieuwen van zijn dienstverbintenis uiterlijk op 1 augustus 1998 schriftelijk mee te delen. De brief verwijst naar het provinciaal doorlichtingsrapport en de daarin vervatte aanbevelingen voor de XII-1837-6/26 verdere goede werking van het korps, naar het dossier dat in het kader van verzoekers preventieve schorsing en de tuchtvordering lastens hem werd samengesteld, alsook naar het besluit van 6 april 1998 van het college van burgemeester en schepenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat het provinciaal doorlichtingsrapport en het dossier in verband met zijn preventieve schorsing en tuchtstraf op het stadhuis ter inzage liggen tot en met 24 juli 1998 en dat het agendapunt betreffende het hernieuwen van zijn dienstverbintenis waarschijnlijk zal worden behandeld tijdens de gemeenteraadszitting van 31 augustus
  16. Verzoeker antwoordt met aangetekende brieven van 27 juli 1998 en 25 augustus 1998 dat er geen enkele reden voorhanden is om zijn dienstverbintenis niet te hernieuwen. In laatstgenoemde brief vraagt verzoeker om door de gemeenteraad te worden gehoord, zodat hij de raad zou kunnen informeren over hetgeen hij “tot op vandaag [verneemt], en wellicht in de komende dagen ook nog zal vernemen” en niet meer gedetailleerd op schrift zal kunnen zetten. Voorts maakt hij onder meer gewag van een “zeer lijvig rapport” dat hij zou hebben gemaakt met betrekking tot de werking van de brandweer tijdens de periode van 1 januari 1998 tot 16 augustus
  17. Met een brief van 7 september 1998 wordt aan verzoeker meegedeeld dat de gemeenteraad graag een kopie van het bedoelde rapport zou ontvangen. Verzoeker antwoordt met een brief van 14 september 1998 dat de gemeenteraad, toen hij op 31 augustus 1998 besliste om de behandeling van het agendapunt betreffende het al dan niet hernieuwen van zijn dienstverbintenis uit te stellen, onregelmatig was samengesteld, aangezien de burgemeester, aan wie partijdigheid of minstens een schijn van partijdigheid kan worden verweten, aanwezig was, dat hij niet kan meewerken aan de uitvoering van een gemeenteraadsbesluit dat om die reden onwettig is, maar dat hij niettemin bereid is om hetzij bij hem thuis hetzij op een eventuele gemeenteraadszitting over het gevraagde rapport toelichting te verschaffen. XII-1837-7/26 1.
  18. Na kennis te hebben genomen van het verslag van het auditoraat van de Raad van State waarin wordt gesteld dat verzoekers beroep tegen het besluit van 6 april 1998 van het college van burgemeester en schepen betreffende de niet-hernieuwing van diens dienstverbintenis kennelijk gegrond is, om reden dat het college niet bevoegd is om dienaangaande een beslissing te nemen, beslist het college van burgemeester en schepenen op 21 september 1998 zijn besluit van 6 april 1998 in te trekken. Bij arrest nr. 76.674 van 27 oktober 1998 zal de Raad van State verzoekers beroep wegens het teloorgaan van het voorwerp ervan verwerpen. 1.
  19. Met een brief van 21 september 1998 wordt aan verzoeker meegedeeld dat enkel dossiers die ten stadhuize ter inzage liggen van de gemeenteraadsleden het voorwerp kunnen uitmaken van een bespreking in de gemeenteraad. Verzoeker wordt verzocht alle belangrijke elementen die hij heeft gebundeld, uiterlijk tegen 30 september 1998 te bezorgen, zoniet kan er met zijn gegevens geen rekening worden gehouden. Verzoeker antwoordt met een brief van 24 september 1998 onder meer dat indien de gemeenteraad een beslissing zou nemen zonder kennis te nemen van zijn dossier en/of zonder hem te hebben gehoord, daaruit moet worden besloten dat de gemeenteraad niet wenst geïnformeerd te zijn. 1.
  20. Met een brief van 12 oktober 1998 wordt verzoeker uitgenodigd om, “in het kader van het einde van [zijn] dienstnemingscontract op 30 november 1998 en het al dan niet verlengen ervan”, voor 22 oktober 1998 schriftelijk zijn standpunt mee te delen over “het dossier dat zal voorgelegd worden aan de gemeenteraad” en dat vanaf die dag op de personeelsdienst van het stadsbestuur ter inzage ligt. XII-1837-8/26 Verzoeker antwoordt met een brief van 21 oktober 1998 waarin hij bezwaar maakt tegen de te korte termijn die hij heeft gekregen om het dossier in te zien. Voorts laat hij onder meer gelden dat de leden van het college van burgemeester en schepenen die reeds op 6 april 1998 hebben beslist zijn dienstverbintenis niet te hernieuwen, niet op een onbevooroordeelde wijze aan de beraadslaging en stemming van de gemeenteraad kunnen deelnemen, dat uit het dossier dat aan de gemeenteraad wordt voorgelegd blijkt dat het niet-hernieuwen van zijn dienstverbintenis wordt aangewend als een “weerwraak” na het arrest van de Raad van State waarbij zijn afdanking werd geschorst, dat de situatie waarin de brandweerdienst van Ronse fungeert als voorpost van de brandweer van Oudenaarde onwettig is, dat die situatie, waarvan de gemeenteraad heeft voorgehouden dat ze tijdelijk is, zeker nog jaren zal aanslepen indien zijn contract niet wordt hernieuwd vermits hij de enige is die in aanmerking komt om de functie van dienstchef uit te oefenen, dat hem werd verweten dat er een tekort aan manschappen was maar er thans niet meer brandweerlieden in dienst zijn terwijl nochtans volgens Christian Bral, kapitein-bevelhebber van de brandweer van Oudenaarde, het te beschermen risico meer dan verdubbeld is en bovendien wordt overwogen de contracten van vijf brandweerlieden niet meer te hernieuwen. Ten slotte dringt verzoeker er nogmaals op aan door de gemeenteraad te worden gehoord “ten einde [...] op alle mogelijke vlak[ken] een zo volledig mogelijke toelichting te geven omtrent de consequenties van het eventueel niet verlengen van [zijn] dienstnemingscontract [...] [of] van het wel verlengen ervan”. 1.
  21. In een brief van 30 oktober 1998 herhaalt verzoeker grotendeels hetgeen hij reeds in zijn brief van 21 oktober 1998 heeft geschreven. Voorts beklemtoont hij dat Christian Bral er belang bij heeft dat de brandweerdienst van Ronse een voorpost blijft van de brandweer van Oudenaarde. Hij formuleert ook kritiek op de wijze waarop de brandweer van Ronse tijdens zijn afwezigheid functioneert, op een brief van 27 augustus 1998 van René Derlijn, waarnemend kapitein-bevelhebber van de brandweer van Oudenaarde, aan de burgemeester van Ronse over de werking van de brandweer van Ronse en op het evaluatieverslag XII-1837-9/26 over de brandweer van Ronse dat Christian Bral op 30 september 1998 heeft opgesteld. De stad Ronse vraagt Christian Bral vervolgens zijn “reactie” op verzoekers standpunten te geven, wat voornoemde doet in een brief van 9 november 1998 die aan het dossier wordt toegevoegd “teneinde de gemeenteraadsleden een volledig beeld te geven”. 1.
  22. Op 10 november 1998 beveelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, zetelend in kort geding, op vordering van verzoeker, aan de stad Ronse en haar burgemeester “om binnen de 48 uur na de betekening van deze beschikking, aan [verzoeker] de attributen ter beschikking te stellen of te laten stellen, om zijn taak als brandweerman in het korps te Ronse uit te oefenen, volgens de rang en graad die hij heeft, met inachtname van het feit dat het brandweerkorps te Ronse thans een vooruitgeschoven post is van het brandweerkorps te Oudenaarde onder leiding van brandweercommandant Bral en dit tot zolang de overeenkomst van 14.10.1997 tussen de steden Oudenaarde en Ronse blijft bestaan”. Deze beschikking geldt “tot wanneer uitspraak is gedaan door de Raad van State over de grond van het annulatieverzoek tegen het ontslag van [verzoeker] of tot wanneer de dienstbetrekking van [verzoeker] op een andere wijze eindigt”. Op 19 november 1998 wordt verzoeker, overeenkomstig voormelde beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in de brandweerkazerne van Ronse in het bezit gesteld van zijn attributen van kapitein-bevelhebber. 1.
  23. Op 21 november 1998 richt verzoeker nog een schrijven aan de gemeenteraadsleden waarin hij benadrukt dat de burgemeester een persoonlijke afrekening nastreeft, maar dat er geen gegronde reden bestaat om zijn dienstverbintenis niet te hernieuwen. Hij vraagt nogmaals te worden gehoord omdat hij het “fundamenteel oneerlijk” vindt dat de burgemeester de mogelijkheid XII-1837-10/26 zal hebben zijn voorstelling van zaken te geven, zonder dat hij daarvan kennis kan nemen en desnoods het tegendeel kan aantonen. 1.
  24. Op 23 november 1998 neemt de gemeenteraad van Ronse het bestreden besluit dat steunt op volgende motieven : “Overwegende dat artikel 29 van het koninklijk besluit van 20 juli 1972 bepaalt dat de brandweerofficieren-vrijwilligers in dienst worden genomen en in dienst worden gehouden voor een duur van 5 jaar, met mogelijkheid van hernieuwing en dat artikel 23, l/ van het modelreglement voor de gemeentelijke brandweer bepaalt dat het ambt van de leden-vrijwi1ligers van de dienst eindigt bij het verstrijken van de duur van de dienstneming of van de wederdienstneming; Overwegende dat artikel 16 en 23 van het organiek reglement van de stedelijke brandweerdienst, hervastgesteld door de gemeenteraad in zitting van 24 februari 1997, deze regelgeving heeft geïmplementeerd; Overwegende dat de weigering om de dienstverbintenis van de heer Vanden Hole Alain te vernieuwen geen afdanking inhoudt, omdat een dienstverbintenis voor een bepaalde duur niet stilzwijgend wordt verlengd maar van rechtswege eindigt bij het verstrijken van de periode waarvoor de verbintenis geldt; Overwegende dat uit het ten behoeve van de gemeenteraad samengesteld dossier kan worden afgeleid dat de heer Vanden Hole Alain een vernieuwing van zijn wederindienstneming, die verstrijkt op 30 november 1998, verzoekt; Overwegende dat het tot de principiële bevoegdheid van de gemeenteraad behoort om het verzoek tot vernieuwing al dan niet in te willigen; Overwegende dat ingevolge artikel 94 van de nieuwe gemeentewet de behandeling van dit verzoek niet openbaar dient te gebeuren; Overwegende dat het verzoek van de heer Vanden Hole Alain overwogen wordt in het licht van de goede werking van de brandweerdienst; Overwegende dat de veiligheid van het grondgebied van de stad Ronse een goede werking van de brandweerdienst vereist; Overwegende dat uit het provinciaal doorlichtingsrapport is gebleken dat de werking van de brandweerdienst grondig verstoord was waardoor deze niet langer de veiligheid van de inwoners van de stad Ronse kon verzekeren; Overwegende dat dientengevolge ter bescherming van het grondgebied van de stad Ronse een bij gouverneursbesluit van 15 oktober 1997 voorlopig goedgekeurde overeenkomst tussen de stad Oudenaarde en de stad Ronse werd gesloten op 14 oktober 1997 waarbij de brandweerdienst van de stad Ronse in een tweede fase als een vooruitgeschoven post van de brandweerdienst van de stad Oudenaarde wordt onderworpen onder leiding van de beroepsbrandweercommandant van de stad Oudenaarde; Overwegende dat na gunstig advies bij besluit met eenparigheid van stemmen van de gemeenteraad van de stad Ronse van 20 oktober 1997 en van de gemeenteraad van de stad Oudenaarde van 27 oktober 1997, bij XII-1837-11/26 gouverneursbesluit van 6 november 1997 enerzijds de uitvoering van het gouverneursbesluit van 9 januari 1979 tijdelijk werd opgeschort waar het de brandweerdienst van de stad Ronse aanduidt als Z-centrum van een gewestelijke brandweergroep en anderzijds de stad Ronse tijdelijk werd ingedeeld in de gewestelijke brandweergroep met Oudenaarde als Y-centrum; Overwegende dat uit het dossier is gebleken dat de brandweerdienst van de stad Ronse, hoewel zij als vooruitgeschoven post van de brandweerdienst van de stad Oudenaarde, operationeel vrij goed blijkt te werken, vooralsnog niet de voorwaarden vervult om opnieuw als een Z-korps te fungeren; Overwegende dat de goede orde van de brandweerdienst van de stad Ronse bijgevolg nog ten dele verstoord is gebleven; Overwegende dat uit het debat tussen de stad Ronse en de heer Vanden Hole Alain dat naar aanleiding van deze verstoring van de goede werking van de brandweerdienst wordt gevoerd, is gebleken dat een ernstige vertrouwenscrisis is ontstaan en blijven bestaan tussen beide; Overwegende dat deze vertrouwenscrisis een element is van de ten dele aanhoudende verstoring van de goede werking van de brandweerdienst van de stad Ronse; Overwegende dat zowel uit het dossier als in de procedure die geresulteerd heeft tot de beschikking van 10 november 1998 van de kortgedingrechter te Oudenaarde, is gebleken dat de heer Vanden Hole Alain zich niet kan verzoenen met de regeling van de tijdelijke herindeling van de brandweerdienst van de stad Ronse als vooruitgeschoven post van de brandweerdienst van de stad Oudenaarde; dat hij, zoals uit de voormelde beschikking is gebleken, ten onrechte meent de leiding van de beroepsbrandweercommandant van de stad Oudenaarde niet te moeten aanvaarden; Overwegende dat de houding van de heer Vanden Hole Alain het streven van de stad Ronse om de brandweerdienst opnieuw autonoom als Z-korps te laten fungeren in de weg staat en dat hij niet langer over het moreel gezag en autoriteit kan beschikken binnen de brandweerdienst; Overwegende dat het wederindienstnemen van de heer Vanden Hole Alain zou impliceren dat de slechte verstandhouding binnen de brandweerdienst, zoals die gebleken is uit het provinciaal doorlichtingsrapport, opnieuw zou kunnen intreden waardoor alle inspanningen tot reorganisatie en sanering van de brandweerdienst die tot op heden werden gedaan, dreigen verloren te gaan; Overwegende dat degene die verzoekt tot wederindienstneming bij de brandweerdienst, zoals blijkt uit de bijlage 4 van het organiek brandweerreglement, dient te verklaren dat hij zich onderwerpt aan het reglementair kader van de brandweerdienst; Overwegende dat het dossier niet alleen aantoont dat de heer Vanden Hole Alain zulke verklaring niet heeft afgelegd, maar bovendien uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij niet bereid is om zich onvoorwaardelijk daaraan te onderwerpen; XII-1837-12/26 Overwegende dat het in deze omstandigheden algeheel onverantwoord zou zijn om de heer Vanden Hole Alain na het van rechtswege beëindigen van zijn wederindienststelling op 1 december 1998 weder in dienst te nemen; Overwegende dat de heer Vanden Hole Alain het dossier ter inzage heeft gekregen en de gelegenheid heeft te baat genomen om voor zijn standpunt op te komen in meerdere geschriften die in het dossier werden gevoegd”;
  25. De samenhang met de zaken A. 76.736/XII-797 en A. 77.649/XII-
  26. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat er samenhang bestaat tussen onderhavige zaak en de zaken A. 76.736/XII-797 en A. 77.649/XII-1092, dat deze drie zaken moeten worden samengevoegd overeenkomstig artikel 60 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State omdat de arresten die over elk van deze zaken uitspraak zullen doen, onverenigbaar kunnen zijn; Overwegende dat de vraag van verwerende partij achterhaald is; dat immers in de beide andere zaken reeds definitief uitspraak is gedaan, bij arrest nr. 145.322 van 2 juni 2005, respectievelijk nr. 81.139 van 22 juni 1999;
  27. De ontvankelijkheid. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord in een eerste exceptie verzoekers belang betwist; dat zij opwerpt dat de nietigverklaring van het bestreden besluit voor verzoeker geen voordeel oplevert zodat het annulatieberoep onontvankelijk is bij gebrek aan belang, dat luidens artikel 23 van het reglement voor de organisatie van een vrijwilligers- brandweerdienst van de stad Ronse het ambt van brandweerman-vrijwilliger van rechtswege eindigt bij het verstrijken van de duur van de dienstneming of van de wederindienstneming zodat verzoekers dienstnemingscontract van rechtswege ten einde liep op 30 november 1998, dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing er niet toe zou leiden dat verzoeker opnieuw in dienst zou komen XII-1837-13/26 aangezien zijn contract van rechtswege beëindigd blijft, dat het onmogelijk is om verzoekers contract na de nietigverklaring te verlengen zodat zijn loopbaan niet kan worden gereconstrueerd, dat verzoeker na een eventuele nietigverklaring enkel door het sluiten van een nieuw dienstnemingscontract opnieuw in het brandweerkorps kan worden opgenomen, mogelijkheid die ook zonder de nietigverklaring van het bestreden besluit bestaat, dat verzoeker geen materieel of moreel belang aantoont om de nietigverklaring van de bestreden beslissing te horen bevelen, dat verzoeker geen verzoek tot schorsing, noch een verzoek tot voorlopige maatregelen heeft ingediend; Overwegende dat verwerende partij in een tweede exceptie inroept dat de bestreden beslissing geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling is aangezien deze beslissing, gezien de beëindiging van rechtswege op 30 november 1998 van verzoekers dienstnemingscontract, verzoekers rechts- toestand niet heeft gewijzigd, geen rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen en ook niet heeft verhinderd dat rechtsgevolgen tot stand kwamen; Overwegende, over de beide excepties tezamen, dat de bestreden beslissing weigert de dienstverbintenis van verzoeker, die in het verleden reeds herhaaldelijk is hernieuwd, nog eens te hernieuwen en aldus belet dat te zijnen aanzien rechtsgevolgen tot stand komen; dat de beslissing van aard is verzoeker te grieven; dat hij een rechtmatig belang er bij heeft de weigering vernietigd te zien worden; dat een vernietiging van de weigering in voorkomend geval de verwerende partij zal verplichten zich opnieuw over de hernieuwing van de, op 30 november 1998 van rechtswege geëindigde, dienstverbintenis uit te spreken; dat de excepties ongegrond zijn en verworpen worden; XII-1837-14/26
  28. De grond van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel een “miskenning van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en de schending van de rechten van verdediging” aanvoert; dat hij doet gelden dat voormelde beginselen werden geschonden doordat zijn herhaalde vraag om te worden gehoord zonder redelijke verantwoording werd afgewezen, dat hij aldus geen tegensprekelijk debat heeft kunnen voeren over de argumenten die de burgemeester en de raadsman van verwerende partij meenden te moeten inbrengen tegen de opmerkingen die hij in zijn brieven aan verwerende partij meedeelde, dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat er een debat werd gevoerd over zijn vraag te worden gehoord, noch dat daarover een gemotiveerde beslissing werd genomen; Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit geen tuchtmaatregel is, doch slechts een beslissing over het eventueel hernieuwen van verzoekers dienstverbintenis die niet is ingegeven door enig schuldig gedrag van verzoeker, maar door overwegingen inzake de goede werking van de brandweerdienst, dat bijgevolg de rechten van verdediging te dezen niet van toepassing zijn en het middel niet ontvankelijk is voorzover het de schending daarvan inroept; dat zij voorts betoogt dat de rechten van verdediging moeten worden onderscheiden van de hoorplicht of het recht van de betrokkene zijn standpunt naar voor te brengen, recht dat niet noodzakelijk mondeling moet worden uitgeoefend, dat verzoeker geen schending van laatstgenoemd recht inroept, dat hij alleszins ruimschoots de mogelijkheid heeft gehad om op een nuttige wijze zijn standpunt schriftelijk aan de gemeenteraadsleden mee te delen, hetgeen hij onder meer heeft gedaan met brieven van 27 juli 1998, 25 augustus 1998, 14 september 1998, 21 en 30 oktober 1998, brieven die door verwerende partij in ontvangst werden genomen en ter kennis van de gemeenteraadsleden werden gebracht; dat zij verder tegenwerpt dat de vraag rijst of verzoeker verplicht diende te worden gehoord vermits nergens wordt bepaald dat bij het beslissen over het verlengen van een dienstnemingscontract de betrokkene dient te XII-1837-15/26 worden gehoord, dat wanneer geen uitdrukkelijke beslissing tot hernieuwing wordt genomen, de verbintenis van rechtswege eindigt, in welk geval van een hoorplicht geen sprake is, dat nergens wordt bepaald dat een tegensprekelijk debat tussen de betrokkene en de overheid mogelijk moet zijn, dat het “hoorrecht” erin bestaat dat de overheid op de hoogte is van wat betrokkene meent te moeten inroepen inzake het dossier op grond waarvan zal worden besloten, dat verzoekers brieven in het dossier werden opgenomen en dat in het bestreden besluit wordt overwogen dat verzoeker “het dossier ter inzage heeft gekregen en de gelegenheid heeft te baat genomen om voor zijn standpunt op te komen in meerdere geschriften die in het dossier werden gevoegd”, overweging die aantoont dat met verzoekers standpunt rekening werd gehouden en een duidelijk antwoord geeft op verzoekers vraag om te worden gehoord, dat bijgevolg de motiveringsplicht niet werd geschonden; dat verwerende partij ten slotte argumenteert dat het niet relevant is dat zij voor het nemen van de bestreden beslissing eventueel advies zou hebben ingewonnen bij een raadsman en of over verzoekers vraag om te worden gehoord een debat werd gevoerd, dat het middel onontvankelijk is in zoverre het de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van het redelijkheidsbeginsel omdat het niet uiteenzet waaruit die schending zou bestaan; Overwegende dat verzoeker dupliceert dat verwerende partij niet betwist dat geen debat werd gevoerd over zijn vraag te worden gehoord, dat dit des te meer klemt doordat blijkt dat aan de gemeenteraad een brief van 9 november 1998 van kapitein-bevelhebber Christian Bral aan de burgemeester van Ronse werd voorgelegd, waarvan hij nooit kennis heeft gekregen, terwijl bij de gemeenteraad de indruk werd gewekt dat hij het volledige dossier heeft kunnen inzien, dat het bestreden besluit formeel geen tuchtmaatregel betreft, maar dat uit het dossier en uit het bestreden besluit blijkt dat zijn schuld of onschuld er wel degelijk “de leidraad” van is, dat het gemeentelijk brandweerreglement niet voorziet in een procedure die moet worden gevolgd wanneer een beslissing wordt genomen over het al dan niet hernieuwen van een dienstverbintenis, dat de regels van het tuchtrecht minstens bij analogie van toepassing zijn, dat uit het optreden XII-1837-16/26 van verwerende partij blijkt dat zij goed besefte dat de rechten van verdediging dienden te worden gerespecteerd, dat de stelling van verwerende partij dat hij de schending van de hoorplicht niet zou hebben ingeroepen “een louter semantische discussie” betreft, dat van een zorgvuldig werkend bestuur mag worden verwacht dat het de hoorplicht respecteert, zeker wanneer documenten worden gebruikt waarvan het bestaan nooit aan betrokkene is medegedeeld, dat hij niet nuttig voor zijn belangen is kunnen opkomen omdat hij geen kennis had van het verslag van 9 november 1998 van kapitein-bevelhebber Christian Bral dat “op een aantal belangrijke punten manifest onwaar is” en “in elk geval voor de beoordeling door de gemeenteraad een groot belang zal/kan hebben gehad”, dat er wel degelijk overleg blijkt te zijn geweest tussen verwerende partij en haar raadsman en dat hij de gezagsargumenten van deze laatste niet heeft kunnen tegenspreken doordat hij niet is gehoord; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie argumenteert dat de hoorplicht niet dezelfde inhoud of omvang heeft als het recht om in het kader van een tuchtrechtelijke procedure te worden gehoord, dat de bestreden beslissing niet is gesteund op de brief van 9 november 1998 van kapitein-bevelhebber Bral waarnaar in de bestreden beslissing niet eens wordt verwezen, dat voornoemde brief niet kan worden beschouwd als een determinerend motief waarover verzoeker zijn standpunt had moeten kunnen meedelen, dat alle motieven waarnaar de bestreden beslissing verwijst in het dossier dat verzoeker inzag terug te vinden zijn, dat verzoekers houding ten aanzien van kapitein-bevelhebber Bral mee aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt, element dat in de beslissing enkel wordt afgeleid uit de beschikking van 10 november 1998 van de kortgedingrechter en niet uit de opmerkingen van verzoeker of van kapitein-bevelhebber Bral, dat voorts in brieven van 10 juli 1998 en 12 oktober 1998 aan verzoeker werd gevraagd zijn standpunt mee te delen over het hernieuwen van zijn dienstnemingscontract en hem werd meegedeeld dat het provinciaal doorlichtingsrapport en het dossier in verband met de preventieve schorsing en de tuchtstraf ter inzage lagen, dat verzoeker het volledige dossier heeft ingezien en derhalve wist op grond van welke elementen de XII-1837-17/26 gemeenteraadsleden zouden beslissen, dat de bestreden beslissing enkel verwijst naar deze elementen, dat enkel de beschikking van 10 november 1998 van de kortgedingrechter, die toen nog niet bestond, niet in het ter inzage gelegde dossier werd opgenomen, dat verzoeker in zijn brieven zelf naar deze procedurestukken verwees, dat de gemeenteraad over het al dan niet verlengen van verzoekers dienstnemingscontract diende te beslissen zodat verzoekers recht zijn standpunt naar voor te brengen enkel hierop betrekking kon hebben, dat bijgevolg niet van haar kon worden verwacht de motieven van de bestreden beslissing voorafgaandelijk aan verzoeker mee te delen; Overwegende dat het bestreden besluit geen tuchtmaatregel oplegt, zodat de rechten van verdediging bij ontstentenis van een andersluidende bepaling niet van toepassing zijn; dat het niettemin een maatregel betreft die verzoeker op een meer dan geringe wijze nadelig in zijn belangen raakt en die blijkens de motivering van de bestreden beslissing is gesteund op zijn gedrag dat hem als een tekortkoming wordt aangerekend; dat dienvolgens krachtens een beginsel van behoorlijk bestuur voor verwerende partij de verplichting geldt om die maatregel pas te nemen nadat verzoeker de mogelijkheid heeft gehad om op een nuttige wijze zijn standpunt daarover kenbaar te maken; dat het bedoelde beginsel van behoorlijk bestuur vaak wordt aangemerkt als de zogenaamde hoorplicht; dat het evenwel niet inhoudt dat het bestuur verplicht zou zijn betrokkene letterlijk te “horen”; dat het volstaat dat de betrokkene de gelegenheid krijgt zijn standpunt op een nuttige wijze uiteen te zetten, hetgeen ook schriftelijk kan gebeuren; dat betrokkene zijn standpunt slechts “nuttig” kan uiteenzetten als hij voorafgaandelijk kennis krijgt van de maatregel die wordt overwogen en van de motieven die het bestuur ertoe aanzetten om de maatregel in overweging te nemen en indien hij inzage krijgt in het volledige dossier dat aan de beslissende overheid wordt overgelegd, zodat hij met betrekking tot elk van de bestanddelen ervan zijn standpunt kenbaar kan maken; Overwegende dat verwerende partij vruchteloos opwerpt dat verzoeker geen schending van de hoorplicht zou aanvoeren; dat hoewel verzoeker XII-1837-18/26 zijn eerste middel niet uitdrukkelijk als een schending van de hoorplicht betitelt, zijn uiteenzetting ervan geen enkele twijfel laat bestaan over het feit dat hij wel degelijk de miskenning van die plicht door verwerende partij beoogt aan te voeren; dat verwerende partij ook ten onrechte laat gelden dat de hoorplicht te dezen niet van toepassing zou zijn omdat verzoekers dienstverbintenis op 30 november 1998 door het verstrijken van de geldingsduur ervan van rechtswege zou zijn geëindigd en zij derhalve geen uitdrukkelijke beslissing over de niet-hernieuwing van die verbintenis diende te nemen; dat de dienstverbintenis van een vrijwilliger bij de brandweer die ingevolge het verstrijken van de termijn ervan van rechtswege is geëindigd, krachtens de geldende reglementering hernieuwbaar is; dat, te dezen, verzoekers dienstverbintenis eerder reeds meermaals werd hernieuwd; dat wanneer het bestuur in zulk een geval meent niet op het verzoek van een gegadigde tot hernieuwing van zijn dienstverbintenis te kunnen ingaan om redenen die zijn gesteund op het gedrag van betrokkene dat hem als een tekortkoming wordt aangerekend, het hem de gelegenheid moet bieden op een nuttige wijze zijn standpunt over hetgeen hem wordt verweten kenbaar te maken, alvorens een beslissing te nemen; Overwegende dat verzoeker met brieven van 27 juli 1998, 25 augustus 1998, 14 en 24 september 1998, 21 en 30 oktober 1998 en 21 november 1998 zijn standpunt met betrekking tot de niet-hernieuwing van zijn dienstverbintenis heeft uiteengezet; dat het volstond dat hij schriftelijk zijn standpunt kon uiteenzetten; dat er geen specifieke redenen blijken te zijn die in onderhavig geval verwerende partij ertoe noopten om, teneinde de hoorplicht te respecteren, verzoeker de mogelijkheid te bieden door de gemeenteraad letterlijk te worden gehoord; dat de gemeenteraad daarover evenmin diende te beraadslagen en een beslissing te nemen; dat echter wel moet worden vastgesteld dat verzoeker niet ten volle op een nuttige wijze zijn standpunt heeft kunnen uiteenzetten vermits blijkt dat de opmerkingen die kapitein-bevelhebber Christian Bral in een uitvoerig schrijven van 9 november 1998 over verzoekers standpunt heeft uiteengezet, aan de gemeenteraad werden voorgelegd zonder dat verzoeker daarvan kennis heeft kunnen nemen en die opmerkingen heeft kunnen XII-1837-19/26 tegenspreken; dat dit des te meer klemt aangezien uit het bestreden besluit blijkt dat verzoekers houding ten aanzien van voornoemde kapitein-bevelhebber mee ten grondslag ligt aan de beslissing van de gemeenteraad om zijn dienst-verbintenis niet te hernieuwen en verzoeker bovendien niet voorafgaandelijk door verwerende partij in kennis werd gesteld van de motieven die haar ertoe brachten een niet- hernieuwing van zijn dienstverbintenis te overwegen zodat verzoeker voor de uiteenzetting van zijn standpunt enkel kon steunen op de dossierstukken waarvan hij inzage heeft kunnen nemen; Overwegende dat derhalve moet worden besloten dat verzoeker, in de aangegeven mate, terecht de schending van de hoorplicht inroept; dat het eerste middel alvast wat dat betreft gegrond is; Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van “de beginselen van behoorlijk bestuur, het zorgvuldigheidsbeginsel, de rechten van verdediging en de motiveringsplicht”; dat verzoeker in een eerste en tweede onderdeel van dit middel doet gelden dat het bestreden besluit verwijst naar het provinciaal doorlichtingsrapport terwijl uit de inventaris van het dossier blijkt dat het doorlichtingsrapport hierin niet werd opgenomen zodat hij niet inzag waarom hij hieromtrent zijn standpunt zou meedelen, dat bijgevolg werd gemotiveerd door te verwijzen naar een stuk dat zich niet in het dossier bevindt, dat het bestreden besluit eensdeels uit de beschikking van 10 november 1998 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, zetelend in kort geding, afleidt dat hij de leiding van de beroepsbrandweercommandant van Oudenaarde niet zou aanvaarden en anderdeels uit de procedure die tot deze beschikking heeft geleid, afleidt dat hij zich niet zou kunnen verzoenen met de regeling van de tijdelijke herindeling van de brandweerdienst van Ronse bij de brandweer van Oudenaarde terwijl noch bedoelde beschikking, noch de stukken betreffende de procedure die tot deze beschikking heeft geleid, in het dossier waren opgenomen, zodat deze motieven van het bestreden besluit zonder enige “mogelijkheid tot tegenspraak” zijn aangenomen, dat die motieven niet overeenstemmen met de werkelijkheid vermits hij in zijn besluiten voor de XII-1837-20/26 kortgedingrechter in subsidiaire orde heeft gevorderd de stad Ronse te veroordelen om hem “in uitvoering van de overeenkomst dd. 14.10.97 tussen de steden Oudenaarde en Ronse ter beschikking te stellen van de brandweerdienst Oudenaarde ten einde de vooruitgeschoven brandweerpost van de stad Ronse in de brandweerkazerne Ronse in te richten en te bemannen en daartoe, conform deze overeenkomst, instructies te geven aan de brandweercommandant van Oudenaarde om terzake een dienstregeling op te maken en deze in voege te stellen binnen de week na betekening van de tussen te komen beschikking, in overleg met [verzoeker]”, dat het bestreden besluit overweegt dat zijn houding eraan in de weg staat dat de brandweerdienst van Ronse weer als een autonoom Z-korps fungeert, terwijl het niet ingaat op hetgeen hij in zijn brief van 30 oktober 1998 dienaangaande heeft aangevoerd, namelijk dat de brandweerdienst van Ronse ingevolge zijn afwezigheid op korte termijn en waarschijnlijk zelfs definitief niet meer als een Z-korps zal kunnen functioneren, dat “de bestreden beslissing poneert [...] dat de brandweerdienst van Ronse nog ten dele verstoord is gebleven, zonder dat zulks geweten wordt aan [zijn] afwezigheid”, terwijl de Raad van State in zijn arrest nr. 74.397 van 23 juni 1998 “opmerkte” dat “na het genoemde doorlichtingsrapport van de provincie dd. 18.09.97, niets belette dat het korps van Ronse als Z-korps verder operationeel bleef”; Overwegende dat verwerende partij daarop antwoordt dat het middel onontvankelijk is omdat verzoeker weliswaar de schending van verschillende beginselen aanvoert, maar niet precies uiteenzet waaruit die schending bestaat; dat zij subsidiair betoogt dat wanneer een tuchtmaatregel wordt opgelegd zonder dat alle stukken ter inzage van het betrokken personeelslid hebben gelegen, de Raad van State het tuchtbesluit slechts nietig verklaart indien betrokkene door het ontbreken van die stukken daadwerkelijk in zijn verdediging werd geschaad, dat te dezen het bestreden besluit aan verzoeker geen tuchtmaatregel oplegt, dat verzoeker kennis heeft kunnen nemen van het doorlichtingsrapport in het kader van de tuchtprocedure die tegen hem werd gevoerd, dat bovendien het bestreden besluit niet steunt op dat doorlichtingsrapport, het maakt er slechts gewag van om de overeenkomst van XII-1837-21/26 14 oktober 1997 met het gemeentebestuur van Oudenaarde, waarbij de bescherming van het grondgebied van de stad Ronse tijdelijk wordt overgedragen aan de brandweer van Oudenaarde, in de juiste context te plaatsen, dat verzoekers dienstverbintenis niet omwille van de inhoud van het doorlichtingsrapport niet werd hernieuwd, maar “wel - onder meer - omwille van het feit dat uit verschillende (latere) gegevens is gebleken dat de verzoeker zich niet wou inpassen in de bovenvermelde (tijdelijke) structuur, zoals die in de overeenkomst dd. 14 oktober 1997 werd ingesteld”, dat de beschikking van 10 november 1998 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, zetelend in kort geding, op tegenspraak werd gewezen en door verzoeker bij gerechtsdeurwaardersexploot aan de stad Ronse werd betekend zodat hij zowel het dossier als de beschikking kende, dat verzoeker overigens zelf één van zijn conclusies voor de kortgedingrechter bij zijn brieven van 21 en 30 oktober 1998 aan verwerende partij heeft gevoegd, dat alleen al uit die conclusie verzoekers houding tegenover de herindeling van de brandweerdienst van Ronse als vooruitgeschoven post van de brandweer van Oudenaarde blijkt, dat de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bovendien niet van doorslaggevend belang was bij het nemen van de bestreden beslissing, dat de vertrouwenscrisis tussen verwerende partij en verzoeker ook uit andere stukken blijkt, dat verzoeker uit het oog verliest dat de vertrouwenscrisis tussen haar en verzoeker, het feit dat hij zich niet kon verzoenen met de tijdelijke herindeling van het brandweerkorps van Ronse bij de brandweer van Oudenaarde, dat hij door zijn houding de wederinrichting van de brandweer van Ronse als Z-korps in de weg stond, dat hij binnen de brandweerdienst niet langer over moreel gezag en autoriteit kan beschikken, dat door zijn wederindiensttreding de slechte verstandhouding binnen de brandweerdienst opnieuw zou kunnen intreden waardoor alle maatregelen tot reorganisatie en sanering dreigen verloren te gaan, “even zoveel feitelijke elementen zijn geweest waarop de gemeenteraad zich heeft gesteund om te besluiten dat het algeheel onverantwoord zou zijn geweest om [...] verzoeker na het van rechtswege beëindigen van zijn [dienstverbintenis] op 1 december 1998 weder in dienst te nemen”, dat de verstoring van de brandweerdienst van Ronse nog niet geheel is verdwenen, maar dat uit de XII-1837-22/26 evaluatieverslagen van 11 juni 1998, 30 september 1998 en 15 maart 1999 van kapitein-bevelhebber Bral blijkt dat de werking, de collegialiteit en de werksfeer bij de brandweer van Ronse reeds veel zijn verbeterd; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord stelt dat de bewering van verwerende partij dat de niet in het dossier opgenomen documenten waarnaar het bestreden besluit verwijst, niet de reden zijn waarom zijn dienstverbintenis niet werd hernieuwd, gratuite is, dat het volstaat dat deze documenten mee hebben geleid tot het bestreden besluit, om aan te nemen dat indien hij ze had kunnen weerleggen, het besluit mogelijk anders was geweest, dat het bovendien “intellectueel oneerlijk” is te verwijzen naar conclusies die zijn raadsman maanden geleden neerlegde om de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kort geding, te overtuigen in een procedure die een geheel eigen doelstelling had, dat het feit dat hij toen de stelling verdedigde dat de overeenkomst van 14 oktober 1997 tussen de gemeentebesturen van Ronse en Oudenaarde onwettig is, niet betekent dat hij nu zou weigeren om binnen een aantal krijtlijnen van die overeenkomst te werken, dat hij in zijn conclusies voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg expliciet heeft gevraagd conform de overeenkomst tussen de gemeentebesturen van Ronse en Oudenaarde ter beschikking te worden gesteld van de brandweerdienst van Oudenaarde teneinde de vooruitgeschoven brandweerpost van Ronse in te richten en te bemannen, dat hij de beschikking van de voorzitter waarbij aan verwerende partij bevel werd gegeven hem conform bedoelde overeenkomst te “installeren”, heeft betekend met het oog op de uitvoering ervan, dat het verwerende partij was die er beroep tegen indiende en die steeds alles in het werk heeft gesteld om te verhinderen dat hij zou kunnen bewijzen dat hij bereid is om te functioneren binnen de nieuwe constellatie en dat hij dit ook goed zou doen, dat de bewering van verwerende partij dat hij niet zou kunnen functioneren, dat hij een slechte verstandhouding zou teweegbrengen en over geen moreel gezag en autoriteit meer zou beschikken, gratuit is, dat verwerende partij toegeeft dat de brandweerdienst van Ronse na zijn vertrek nog steeds verstoord is, dat hij nooit heeft mogen bewijzen dat door zijn terugkeer de werking van de brandweerdienst fel zou verbeteren; XII-1837-23/26 Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie betoogt dat wat het doorlichtingsrapport betreft, de overeenkomst van 14 oktober 1997 ter inzage was neergelegd, dat inzake de kortgedingbeschikking, verzoeker haar zelf diverse procedurestukken bezorgde, dat de bestreden beslissing niet steunt op voormelde stukken die bovendien geen nieuwe gegevens bevatten en gekend zijn door verzoeker zodat hij geen belang heeft bij het middel, dat verzoeker er redelijkerwijze niet kan aan getwijfeld hebben dat met deze stukken rekening kon worden gehouden; Overwegende dat de door verwerende partij ingeroepen exceptie dat het middel niet ontvankelijk zou zijn omdat verzoeker niet uiteenzet waaruit de schending van de door hem ingeroepen beginselen bestaat, alvast wat het eerste en het tweede onderdeel van het middel betreft niet kan worden bijgevallen; dat uit verzoekers uiteenzetting van beide onderdelen onbetwistbaar blijkt dat hij zich tekort gedaan ziet doordat het bestreden besluit mee is gesteund op stukken die niet waren opgenomen in het dossier waarvan hij inzage heeft kunnen nemen en dat aan de gemeenteraad werd voorgelegd, namelijk het provinciaal doorlichtingsrapport eensdeels en de beschikking van 10 november 1998 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, zetelend in kort geding, en de daaraan voorafgaande procedurestukken anderdeels; dat er geen betwisting blijkt te bestaan over het feit dat bedoelde stukken inderdaad niet waren opgenomen in voormeld dossier; dat het bestreden besluit van het provinciaal doorlichtingsrapport niet alleen gewag maakt om de overeenkomst van 14 oktober 1997 tussen de gemeentebesturen van Ronse en Oudenaarde te situeren, maar er ook aan refereert wanneer het overweegt dat “het wederindienstnemen van de heer Vanden Hole Alain zou impliceren dat de slechte verstandhouding binnen de brandweerdienst, zoals die gebleken is uit het provinciaal doorlichtingsrapport, opnieuw zou kunnen intreden waardoor alle inspanningen tot reorganisatie en sanering van de brandweerdienst die tot op heden werden gedaan, dreigen verloren te gaan”; dat het bestreden besluit uit de beschikking van 10 november 1998 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, zetelend in kort geding, afleidt dat verzoeker ten onrechte XII-1837-24/26 meent de leiding van de beroepsbrandweercommandant van de stad Oudenaarde niet te moeten aanvaarden; dat het bestreden besluit uit “het dossier” en uit de procedure die tot voormelde beschikking heeft geleid afleidt dat verzoeker zich niet kan verzoenen met de regeling van de tijdelijke herindeling van de brandweerdienst van Ronse als vooruitgeschoven post van de brandweer van Oudenaarde; dat derhalve twee belangrijke motieven van het bestreden besluit blijken te steunen op stukken die niet in het dossier waren opgenomen en waarvan verzoeker derhalve geen inzage heeft kunnen nemen; dat het standpunt van verwerende partij dat verzoeker door het ontbreken van die stukken in het dossier niet in zijn belangen is geschaad omdat hij die stukken zonder enige twijfel kende, niet opgaat; dat verzoeker immers, doordat die stukken niet in het dossier waren opgenomen, mocht aannemen dat verwerende partij daarmee geen rekening zou houden en dat er derhalve, toen hij door verwerende partij met een brief van 12 oktober 1998 werd uitgenodigd schriftelijk zijn standpunt mee te delen over “het dossier dat zal voorgelegd worden aan de gemeenteraad”, voor hem geen reden was om zijn standpunt met betrekking tot die stukken kenbaar te maken; dat uit het voorgaande moet worden besloten dat verzoeker zijn recht om zijn standpunt uiteen te zetten vanwege de onvolledigheid van het dossier dat hem werd voorgelegd, niet ten volle heeft kunnen uitoefenen; dat dit des te meer geldt omdat, zoals gesteld bij de bespreking van het eerste middel, verwerende partij heeft nagelaten verzoeker voorafgaand in kennis te stellen van de motieven die haar ertoe brachten de niet-hernieuwing van zijn dienstverbintenis te overwegen, zodat verzoeker zich uitsluitend kon baseren op de stukken van het dossier om zijn standpunt te formuleren; dat het eerste en het tweede onderdeel van het derde middel gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
  29. XII-1837-25/26 Vernietigd wordt het besluit van 23 november 1998 waarbij de gemeenteraad van Ronse weigert om het dienstnemingscontract als effectief brandweerman-vrijwilliger van Alain Vanden Hole te verlengen. Artikel
  30. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1837-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.472 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.