id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.473 Rolnummer: A. 83856/XII-2032 Zaak: Arrest 146473 - - 23/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-27 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 18:51 Fiche Arrest nr 146.473 van 23 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.473 van 23 juni 2005 in de zaak A. 83.856/XII-
- In zake : Jan SCHELLENS, die woonplaats kiest bij advocaten L. Dehond, Chr. Van Casteren en K. Denoo, kantoor houdende te Aarschot, Brouwerijstraat 1/1&5 tegen : de STAD AARSCHOT, die woonplaats kiest bij advocaat B. Van Tongelen, kantoor houdende te Aarschot, Statiestraat
- ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan Schellens op 30 april 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 februari 1999 van de gemeenteraad van Aarschot waarbij hij bij tuchtmaatregel wordt afgedankt; Gelet op het arrest nr. 82.320 van 21 september 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 22 oktober 1999 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-2032-1/21 Gezien het verslag opgesteld door auditeur B.Thys; Gelet op de beschikking van 1 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van verzoeker en de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J.Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Collin, die loco advocaat L. Dehond verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. Van Aerschot, die loco advocaat B. Van Tongelen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat verzoeker 23 jaar lid is van de vrijwillige brandweerdienst van Aarschot en de graad van sergeant heeft; dat de officier- dienstchef van de brandweerdienst op 6 januari 1999 ten laste van verzoeker een tuchtverslag opstelt dat hij aan de burgemeester richt en dat luidt : “Op maandag dd. 19 oktober 1998 tijdens en na de interventie met de woningbrand deden zich volgende feiten voor : XII-2032-2/21 Ik werd door de politie ter plaatse gevraagd voor een uitzonderlijke hevige woningbrand in de Prof. Scharpélaan nr. 1 te Betekom. Tijdens de interventie, die minder erg was dan oorspronkelijk gedacht, maakte sergeant Raf Verbinnen mij attent op het feit dat sergeant Jan Schellens, evenals zijn zoon Luc Schellens in dronken toestand verkeerden. Daar de interventie zo goed als ten einde was stuurde ik een aantal voertuigen (met hogervermelde personen) terug naar de kazerne. Bij mijn aankomst in de kazerne uitte sergeant Schellens insinuaties aan mijn adres aangaande zijn zoon Eddy Schellens. Het viel mij op dat hij inderdaad dronken was en toe[n] ik hem effectief vroeg of hij gedronken had was zijn antwoord: ja, inderdaad, een ganse dag heb ik gedronken. Na mijn antwoord dat men zich niet dronken op een interventie mag begeven, vervolgde hij: jij gaat mij toch niet verplichten om koffie te drinken, zeker. Ik stond recht en verliet de kazerne. Verscheiden[e] aanwezigen waren getuigen van dit voorval. De zaterdag voordien maakte ik brandweerman Eddy Schellens attent op de beslissing van het college dd. 08/10/1998 waarbij hij het verbod krijgt om nog deel te nemen aan een interventie vermits hij zich niet opnieuw inschreef in de cursus van stagiair-brandweerman. Deze feiten waren de aanleiding tot het gedrag van sergeant Schellens (vader van voornoemde brandweerman). Sergeant Schellens maakte mij het verwijt hem van deze feiten niet op de hoogte te hebben gebracht en stelde zelfs dat ik als commandant niets meedeel. Alle oversten van wacht, evenals de ploegoverste van brandweerman Eddy Schellens (sergeant Van Casteren, ploeg 3) waren nochtans door mij op de hoogte gebracht van de situatie. Sergeant Jan Schellens is ploegoverste van ploeg
- Deze info werd dus medegedeeld aan alle belanghebbenden. Tijdens de kantooruren kreeg ik nog bezoek van verschillende brandweerlieden die mij hun versie van de feiten gaven voor en na mijn aanwezigheid in de kazerne tijdens de interventie. Volgens hun verklaringen, waarvan enkelen hun relaas schriftelijk bevestigen bleek sergeant Jan Schellens inderdaad onder invloed te verkeren en uitte hij bedreigende taal aan het adres van de brandweerlieden. Sergeant Schellens laat ondertussen duidelijk zijn ongenoegen tegenover mij blijken en draait zijn hoofd weg bij mijn aankomst. Samenwerken is onmogelijk geworden. Aldus samengevat wordt sergeant Jan Schellens volgende feiten ten laste gelegd: S dronkenschap; S verbaal dreigende taal waardoor de goede samenwerking in het gedrang komt; S negeren van bevelen (verbod om dronken op een interventie te verschijnen en negeren van het bevel van ploegoverste sergeant Verbinnen zoals vermeld in zijn schriftelijke verklaring); S het niet tonen van respect tegenover de officier-dienstchef. U begrijpt, mijnheer de burgemeester, dat het feit dat Jan Schellens de functie van sergeant uitoefent bezwarend weegt omdat hij als sergeant XII-2032-3/21 het goede voorbeeld zou moeten geven. Momenteel is hij er in geslaagd om het vertrouwen, dat hij dient te genieten, volkomen verloren laten te gaan en zelfs getracht heeft om het korps te destabiliseren door het uitten van bedreigende taal tot zijn ondergeschikten. Evenals het feit dat dronkenschap op een interventie onvergeeflijk is, informatie die reeds tot tweemaal toe op een algemene vergadering werd meegedeeld. Betrokkene gaf trouwens duidelijk toe een ganse dag gedronken te hebben (met als betekenis in de zin van dronkenschap). Dit kan samengevat worden onder de term ‘kennelijk wangedrag’, zoals vermeld in het organiek reglement (art. 22). Ik stel voor, mijnheer de burgemeester, dat u de betrokkene oproept voor verhoor en een gepaste tuchtstraf voorstelt aan de Gemeenteraad”; dat bij dit tuchtverslag een verslag van 19 oktober 1998 van sergeant Raphaël Verbinnen is gevoegd over het voorval met verzoeker en zijn zoon Luc Schellens tijdens de interventie te Betekom, alsook schriftelijke verklaringen van 19 oktober 1998 en van 21 oktober 1998, respectievelijk van korporaal Marc Van Passel en van de brandweerlieden Patrick Stevens en Kurt Verbist, waarin zij bevestigen dat verzoeker na de interventie te Betekom ten aanzien van de brandweerlieden dreigende taal heeft gesproken en waarbij zij hun mening kenbaar maken dat verzoeker op dat moment “onder invloed” was en “niet ‘normaal’ deed”; Overwegende dat de burgemeester aan verzoeker met een brief van 8 januari 1999 meedeelt dat te zijnen laste een tuchtdossier is samengesteld en dat het opleggen van een tuchtstraf wordt overwogen, daarnaast wordt verzoeker opgeroepen om op 29 januari 1999 door hem te worden gehoord over volgende tenlasteleggingen : “• dronkenschap; • verbaal dreigende taal waardoor de goede samenwerking in het gedrang komt; • negeren van bevelen (verbod om dronken op een interventie te verschijnen en negeren van het bevel van ploegoverste sergeant Verbinnen); • het niet tonen van respect tegenover de officier-dienstchef; op maandag 19 oktober 1998 tijdens een interventie (hevige woningbrand in de Prof. Scharpélaan 1 te Betekom) en na de interventie bij aankomst in de kazerne”; XII-2032-4/21 dat een kopie van het tuchtverslag van 6 januari 1999 van de officier-dienstchef is bijgevoegd; dat verzoeker op 29 januari 1999 door de burgemeester wordt gehoord, verhoor waarvan een proces-verbaal wordt opgesteld dat door verzoeker wordt ondertekend; Overwegende dat de burgemeester op 8 februari 1999 beslist de gemeenteraad voor te stellen verzoeker bij tuchtmaatregel af te danken; dat het voorstel van de burgemeester steunt op volgende overwegingen : “Gelet op het tuchtverslag d.d. 6 januari 1999, opgesteld door brandweercommandant Lambrechts; Gelet op de aangetekend verzonden uitnodiging d.d. 8 januari 1999 om te verschijnen op de hoorzitting van 29 januari 1999; Gelet op de hoorzitting van 29 januari 1999 waar betrokkene werd gehoord evenals zijn raadsman, meester Luc Dehond; Overwegende dat de tegen de betrokkene ingeroepen feiten en tekortkomingen als bewezen voorkomen en voldoende ernstig zijn; Dat betrokkene tijdens een interventie bij een woningbrand d.d. 19 oktober 1998 in duidelijk beschonken toestand aanwezig was; Dat betrokkene nog tijdens de interventie zelf reeds een bevel van de ploegoverste sergeant Verbinnen negeerde; Dat bij de aankomst in de kazerne de betrokkene zich agressief opstelde ten opzichte van de korpscommandant en zonder enige omhaal toegaf dat hij de ganse dag alcoholische dranken had gedronken; Dat betrokkene er evenmin voor terugdeinst bedreigende taal te gebruiken ten opzichte van de mede-korpsleden en van de oversten; Dat één en ander niet kan worden geduld in een hulpverlenend korps dat risicovolle opdrachten dient te vervullen en waarbij de motivatie en de inzet van het vrijwilligerspersoneel van groot belang is; Dat door tweedracht te zaaien, bevelen te negeren en onder invloed van alcoholische dranken te verschijnen tijdens interventies de korpsgeest danig wordt ondermijnd hetgeen de veiligheid van de betrokkenen en van de bevolking in het gedrang brengt; Dat betrokkene duidelijk een probleem heeft met discipline en tucht nu hij elke vorm van respect ten opzichte van zijn oversten negeert; Dat daarenboven de betrokkene de graad van sergeant heeft in het brandweerkorps en ploegoverste is zodat van hem dient verwacht te worden dat hij het voorbeeld geeft en dat hij zijn manschappen motiveert en aanspoort, terwijl blijkt dat hij eerder het tegendeel doet door bedreigende taal ten opzichte van zijn ondergeschikten te gebruiken; Dat het totaal gebrek aan motivatie, inzet en tucht in hoofde van een onderofficier van het brandweerkorps, dit ganse korps ondermijnt en destabiliseert; XII-2032-5/21 Dat dergelijke feiten en gedragingen ontoelaatbaar zijn en trouwens leiden tot hetzij misnoegdheid bij de andere leden van het korps, hetzij verdere aftakeling van de discipline; Dat uitdrukkelijk verwezen wordt naar artikel 22, 5/ van het reglement inzake de organisatie van de vrijwilligersbrandweerdienst te Aarschot waarin wordt gesteld dat de afdanking door de gemeenteraad kan worden uitgesproken wegens kennelijk wangedrag en miskenning van de tucht; Dat het geen twijfel lijdt dat betrokkene zich zowel aan het een als het andere heeft schuldig gemaakt; Dat om al deze redenen als tuchtstraf de afdanking moet worden voorgesteld; Gelet op de artikelen 22 en 33 t/m 39 van het Reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot”; dat de burgemeester zijn voorstel met een aangetekende brief van 9 februari 1999 aan verzoeker betekent en hem uitnodigt zich op 25 februari 1999 voor de gemeenteraad tegen dat voorstel te verdedigen; dat verzoeker op 25 februari 1999 door de gemeenteraad wordt gehoord, verhoor waarvan een proces-verbaal wordt opgesteld dat door verzoeker wordt ondertekend; dat de gemeenteraad dezelfde dag beslist verzoeker bij tuchtmaatregel af te danken; dat laatstgenoemde beslissing de thans bestreden beslissing is die steunt op volgende overwegingen : “Gelet op het bijgevoegde Besluit van de Burgemeester van 8 februari 1999 houdende gemotiveerd voorstel van de Burgemeester aan de Gemeenteraad om derhalve aan de heer Jan Schellens, sergeant bij de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot, volgende tuchtstraf op te leggen, m.n. de afdanking; Gelet op het verhoor dat op 25 februari 1999 in besloten/openbare zitting plaats vond; Overwegende dat zowel uit de stukken van het tuchtdossier als uit het verhoor blijkt dat de feiten zich hebben voorgedaan zoals omschreven in het tuchtverslag van 6 januari 1999, opgesteld door de officier-dienstchef; Overwegende dat voor geen enkele van de ten laste gelegde tekortkomingen reeds een tuchtstraf werd uitgesproken; Overwegende dat uit de ten laste gelegde feiten blijkt dat de betrokkene zijn taak niet op correcte wijze uitoefent, en de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt; Gelet op het feit dat het treffen van een tuchtmaatregel noodzakelijk wordt geacht; Gelet op de artikelen 22 en 33 t/m 39 van het Reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot”; XII-2032-6/21 Overwegende dat aan verzoeker met een aangetekende brief van 3 maart 1999 een afschrift wordt bezorgd van het proces-verbaal van het verhoor door de gemeenteraad en van het tuchtbesluit;
- De grond van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen inroept; dat hij aanvoert dat de bestreden beslissing als enige motivering vermeldt dat uit de hem ten laste gelegde feiten blijkt dat hij zijn taak niet correct uitoefent en de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt zodat het nemen van een tuchtmaatregel noodzakelijk wordt geacht, dat het bestreden besluit niet vermeldt welke feiten in aanmerking worden genomen, op welke grond deze feiten bewezen worden geacht, welke tenlastelegging op grond van deze feiten in aanmerking wordt genomen en waarom een tuchtstraf, inzonderheid de zwaarste, wordt opgelegd, dat bijgevolg de motiveringsplicht, zoals opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen “op flagrante wijze” werd geschonden, dat de motivering van het bestreden besluit niet kan worden beschouwd als een afdoende motivering, dat het niet volstaat te verwijzen naar het voorstel van de burgemeester; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord argumenteert dat de bestreden beslissing enkel in de aanhef naar het gemotiveerd voorstel van de burgemeester verwijst, dat de motivering van het bestreden besluit vaag is en hem niet toelaat uit te maken welke feiten in aanmerking werden genomen om de zwaarste tuchtsanctie op te leggen; Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar het gemotiveerde tuchtvoorstel van 8 februari 1999 van de burgemeester zodat het, in zoverre het geen eigen redengeving ontwikkelt, kan worden geacht zich de motivering van dat voorstel te hebben eigen gemaakt; dat de motieven van het tuchtvoorstel dan ook integraal deel uitmaken van het bestreden besluit; dat XII-2032-7/21 verzoeker er kennis van heeft genomen doordat het tuchtvoorstel hem met een aangetekende brief van 9 februari 1999 werd betekend; Overwegende voorts dat uit het bestreden besluit en het tuchtvoorstel van de burgemeester afdoende blijkt welke feiten precies in aanmerking worden genomen, op welke grond de in aanmerking genomen feiten bewezen worden geacht, welke tenlasteleggingen op grond van die feiten in aanmerking worden genomen en waarom een tuchtstraf, inzonderheid de zwaarste, wordt opgelegd : S wat de ten laste gelegde feiten betreft, wordt zowel in het tuchtvoorstel als in de bestreden beslissing verwezen naar de feiten die worden aangehaald in het tuchtverslag van 6 januari 1999 van de officier-dienstchef waarvan reeds met een aangetekende brief van 8 januari 1999 een afschrift aan verzoeker werd bezorgd; S die feiten worden luidens de bestreden beslissing bewezen bevonden op grond van de stukken van het tuchtdossier en in acht genomen de gegevens die verzoeker aanbracht tijdens het verhoor; S uit die feiten wordt in het tuchtvoorstel en in het bestreden besluit onder meer afgeleid dat verzoeker de korpsgeest ondermijnt en de veiligheid van de betrokkenen en van de bevolking in het gedrang brengt, dat hij blijk geeft van een gebrek aan discipline en motivatie en aan respect voor de oversten, dat hij tekort komt in de uitoefening van zijn taak en dat hij de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, dienvolgens wordt besloten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijk wangedrag en miskenning van de tucht, waarvoor hij krachtens de artikelen 22 en 33 tot en met 39 van het reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot door de gemeenteraad kan worden afgedankt; XII-2032-8/21 dat verzoeker derhalve voldoende kennis heeft kunnen nemen van de redenen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel doet gelden dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechten van verdediging werden geschonden en dat er sprake is van machtsafwending; dat hij betoogt dat noch de burgemeester, noch de gemeenteraad op zijn verweer hebben geantwoord en dat als grondslag van de bestreden beslissing enkel wordt verwezen naar het tuchtverslag van de officier-dienstchef dat pas maanden na de feiten werd opgesteld; dat hij verder stelt dat de feiten niet werden onderzocht en dat zijn versie ervan werd genegeerd, dat de tuchtoverheid bijgevolg het zorgvuldigheidsbeginsel heeft miskend dat haar ertoe verplicht zorgvuldig te werk te gaan en dit zowel bij de feitenvinding als bij het waarderen van de feiten, dat de overheid ingeval van ontkenning van de tuchtfeiten door betrokkene niet uitsluitend kan steunen op het tuchtverslag, maar zelf de nodige onderzoeksmaatregelen dient te nemen, zoals bijvoorbeeld het horen van getuigen en/of collega’s, zo niet wordt het vermoeden van onschuld miskend, dat het verhoor door de gemeenteraad “een louter procedurale vormvereiste” was, hetgeen des te meer blijkt uit het feit dat vooraf reeds een ontwerp van tuchtbesluit in het tuchtdossier was opgenomen en dat tijdens dezelfde gemeenteraadszitting nog drie brandweerlieden “van dezelfde politieke strekking” werden afgedankt en terzelfdertijd tien nieuwe stagiairs in dienst werden genomen; dat hij ten slotte aanvoert dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid tot afdanking heeft misbruikt om een ander doel na te streven dan het behartigen van het belang van de dienst dat met het opleggen van een tuchtsanctie wordt beoogd, dat de tuchtoverheid zich bijgevolg schuldig heeft gemaakt aan machtsafwending; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog uiteenzet dat wanneer de tuchtoverheid een beslissing neemt zoals de bestredene, die voor hem de zwaarste gevolgen heeft, zij bij het beoordelen van de bewijsstukken een veel grotere omzichtigheid en zorgvuldigheid aan de dag moet leggen dan te dezen het geval is geweest toen de tuchtoverheid het laattijdig XII-2032-9/21 opgestelde tuchtverslag van de officier-dienstchef “klakkeloos” als voldoende bewijs heeft aangenomen, dat er tussen hemzelf en de officier-dienstchef een betwisting bestond naar aanleiding van de “onrechtvaardige behandeling” van zijn zoon Eddy, dat de officier-dienstchef niet spontaan tot de bevinding is gekomen dat hij tijdens de interventie van 19 oktober 1998 dronken was, maar daar door sergeant Verbinnen op werd gewezen, dat zijn verklaring aan de officier- dienstchef dat hij de ganse dag had gedronken cynisch was bedoeld, dat zijn dronkenschap niet objectief werd vastgesteld, dat van andere personen die bij de interventie aanwezig waren niet de mening werd gevraagd en dat alleen de voor hem negatieve verklaringen in aanmerking werden genomen, dat het geschil niet zozeer te maken heeft met zijn dronkenschap, maar met het meningsverschil dat hij met de pas aangestelde brandweercommandant had over de onrechtvaardige behandeling van zijn zoon, dat de oplossing hiervan er niet kan in bestaan hem “dermate te straffen dat zijn leven inéén stort”, dat zijn afdanking voor de burgemeester en de brandweercommandant van meet af aan de enige optie is geweest, dat hij ten slotte twee verklaringen voorlegt van voormalige collega’s die, naar zijn oordeel, zijn versie van de feiten, zowel met betrekking tot de zogenaamde dronkenschap als met betrekking tot het negeren van het bevel van sergeant Verbinnen bevestigen en aantonen dat verwerende partij ten onrechte de versie van de officier-dienstchef voor waar heeft aangenomen; Overwegende dat aan verwerende partij bezwaarlijk een gebrek aan zorgvuldigheid bij de feitenvinding kan worden verweten aangezien zij op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit beschikte over een tuchtverslag van de officier-dienstchef en de daarbij gevoegde overeenstemmende getuigen- verklaringen, waaruit zij terecht de overtuiging mocht opdoen dat de feiten die aan verzoeker als tuchtfeiten ten laste werden gelegd zich daadwerkelijk hadden voorgedaan; dat de loutere ontkenning door verzoeker van de hem ten laste gelegde feiten door geen enkel gegeven werd ondersteund dat verwerende partij ertoe noopte te twijfelen aan de waarachtigheid van het relaas van de officier- dienstchef en van de bijgevoegde getuigenverklaringen; dat de verklaringen van 24 en 25 januari 2000 van twee gewezen collega’s, die verzoeker bij zijn memorie XII-2032-10/21 van wederantwoord voegde en waarin hij een bevestiging ziet van zijn eigen visie op hetgeen hem tuchtrechtelijk wordt verweten, niet toelaten te besluiten tot de onzorgvuldigheid van verwerende partij aangezien die verklaringen, in zoverre ze al twijfel kunnen doen rijzen over de waarachtigheid van het relaas van de officier- dienstchef en van de bijgevoegde getuigen-verklaringen, op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen niet bestonden en dus ook niet aan verwerende partij bekend konden zijn; Overwegende, voorts, dat door het loutere feit dat in het dossier een ontwerp van tuchtbesluit was opgenomen geen afbreuk is gedaan aan verzoekers rechten van verdediging en aan het vermoeden van onschuld waarop hij zich beroept; dat immers na het formuleren van het tuchtvoorstel van de burgemeester en ter voorbereiding en ter vergemakkelijking van de beraadslaging en de stemming van de gemeenteraad een ontwerp van tuchtbesluit mocht worden opgesteld waarover de gemeenteraad, na kennis te hebben genomen van de gegevens van het tuchtdossier en na betrokkene te hebben gehoord, kon stemmen; dat voornoemd ontwerp te dezen de meerderheid van de stemmen blijkt te hebben verkregen; dat een en ander er niet aan in de weg staat dat de gemeenteraad ten volle de waarde van verzoekers verdediging tijdens zijn verhoor heeft kunnen beoordelen en daarmee rekening heeft kunnen houden bij het nemen van zijn beslissing; dat het feit dat de gemeenteraad tijdens dezelfde zitting nog drie brandweerlieden heeft afgedankt en tien nieuwe stagiairs heeft aangeworven, nietszeggend is wat de aangevoerde schending van het vermoeden van onschuld betreft en op zich niet volstaat om aan te nemen dat de gemeenteraad zijn tuchtbevoegdheid heeft misbruikt en zich heeft laten leiden door niet- veruitwendigde motieven in verband met een ander belang dan het belang van de dienst; dat ook machtsafwending door verzoeker niet aannemelijk wordt gemaakt; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker een derde middel afleidt uit machtsoverschrijding, ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke grondslag en schending van de algemene regels van de bewijsvoering; dat hij stelt dat hij de XII-2032-11/21 feiten “ten stelligste” betwist, dat “bepaalde feiten volledig onwaar zijn en aan andere feiten een totaal verkeerde uitleg wordt gegeven”, dat hij dienaangaande vijf bezwaren maakt, namelijk : S hij heeft geen enkele inbreuk gepleegd op het reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot, hij wordt op grond van artikel 22, 5, van dat reglement afgedankt wegens kennelijk wangedrag hetgeen echter “een permanente situatie” vereist terwijl hij gedurende 23 jaar dienst nog nooit een berisping heeft gekregen; S de feiten die zich hebben voorgedaan tijdens de interventie op 19 oktober 1998 te Betekom worden verkeerd voorgesteld, sergeant Verbinnen heeft bij verzoekers aankomst gezegd dat de brand onder controle was en dat het niet nodig was naar de eerste verdieping van de getroffen woning te gaan, sergeant Verbinnen verklaart ten onrechte dat verzoeker zijn bevel heeft genegeerd, er kan immers geen sprake zijn van een bevel, vermits sergeant Verbinnen aan verzoeker louter een mededeling heeft gedaan en bovendien niet de hiërarchische meerdere van verzoeker is, verzoeker heeft slechts zijn plicht als brandweerman gedaan; S van dronkenschap of dreigementen op 19 oktober 1998 is geen sprake geweest, de aantijging van dronkenschap komt van dezelfde persoon die de aanklacht formuleerde betreffende het negeren van een bevel, de officier-dienstchef die ook bij de interventie aanwezig was, heeft op het ogenblik van de interventie niets vastgesteld en heeft er pas maanden na de feiten melding van gemaakt in het tuchtverslag, de verbale dreigementen die aan verzoeker worden toegeschreven zijn “volledig [...] vervormd en uit hun verband gerukt”, in het tuchtdossier zit een “volkomen onleesbare” kopie van een verklaring; S met betrekking tot het zogenaamd niet tonen van respect wordt in het bestreden besluit geen enkel concreet element aangehaald, het betreft een subjectieve appreciatie van de officier-dienstchef die XII-2032-12/21 op geen enkel concreet gegeven is gesteund, verzoeker is slechts opgekomen voor zijn mening die blijkbaar ingaat tegen de mening van de korpsoverste, maar niets te maken heeft met de uitvoering van zijn taak als brandweerman; S indien de verwijten aan verzoekers adres gegrond zouden zijn en zo zwaarwichtig als de burgemeester beweert, dan is het onbegrijpelijk en onaanvaardbaar dat twee en een halve maand wordt gewacht met het opstellen van een tuchtverslag; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord bijkomend argumenteert dat de oorzaak van het geschil is gelegen in de betwisting tussen hemzelf en de officier-dienstchef met betrekking tot het aan zijn zoon opgelegd verbod deel te nemen aan interventies, dat hij daarover zijn mening heeft geuit nadat de officier-dienstchef had verzuimd hem over dat verbod in te lichten, dat hij betwist dronken te zijn geweest tijdens de interventie van 19 oktober 1998, dat de verklaring van korporaal Van de Zande dat duidelijk bevestigt, dat alleen sergeant Verbinnen beweert dat hij dronken was, dat korporaal Van Passel slechts een vermoeden uit, dat de haast onleesbare kopie van de brief van twee brandweerlieden helemaal niet handelt over het feit dat hij dronken zou zijn geweest, dat die brief volgens een verklaring van ere-luitenant Recko werd geschreven op voorstel van de officier-dienstchef zelf, dat er ten onrechte van wordt uitgegaan dat hij zich tijdens de interventie van 19 oktober 1998 diende te schikken naar de instructies van sergeant Verbinnen, dat laatstgenoemde weliswaar het bevel voerde op het ogenblik dat hij op de interventie aankwam, maar dat verzoeker krachtens artikel 2, tweede lid, van het reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot het recht had het bevel over te nemen vermits hij meer graadanciënniteit heeft dan sergeant Verbinnen, dat het onaanvaardbaar is dat de officier-dienstchef er meer dan twee maanden over heeft gedaan om een relatief eenvoudig tuchtverslag op te stellen, dat ere-luitenant Recko en korporaal Van de Zande bevestigen dat de opgelegde sanctie onterecht is en minstens overdreven en dat hij zich jarenlang onbaatzuchtig heeft ingezet en plichtbewust was; XII-2032-13/21 Overwegende dat de bezwaren die verzoeker met betrekking tot de rechtens vereiste feitelijke grondslag van het bestreden besluit maakt, niet kunnen worden bijgevallen; Overwegende, ten eerste, dat het feit dat verzoeker geen concrete bepaling van het reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot zou hebben overtreden, er niet aan in de weg staat dat hij toch een of meerdere tuchtvergrijpen heeft gepleegd; dat immers van mogelijke tuchtvergrijpen vooraf geen exhaustieve lijst bij reglement moet, noch zelfs maar kan worden vastgesteld; dat aan verzoeker als vrijwillig brandweerman evident tuchtrechtelijk kan worden verweten dat hij zich in dronken toestand op een interventie aanbiedt, dat hij het bevel negeert van diegene die bij de interventie als bevelvoerder optreedt, dat hij dreigende taal spreekt tegenover collega’s en geen respect toont ten aanzien van de officier-dienstchef; dat dergelijke tekortkomingen door de tuchtoverheid terecht als een niet-correcte uitoefening van zijn taak en een aantasting van de waardigheid van het ambt kunnen worden gekwalificeerd; dat het gegeven dat verzoeker nooit eerder een tuchtstraf kreeg opgelegd en dat zijn gedrag voortspruit uit een betwisting met de officier-dienstchef over de behandeling van zijn zoon hieraan geen afbreuk doet; Overwegende dat voorts de stelling dat sergeant Verbinnen tijdens de interventie te Betekom op 19 oktober 1998 aan verzoeker geen bevel zou hebben gegeven een loutere interpretatie van verzoeker is die niet overeenstemt met wat sergeant Verbinnen daar zelf over verklaart; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de verklaring van sergeant Verbinnen over dat incident niet geloofwaardig zou zijn, laat staan dat voornoemde sergeant redenen zou hebben gehad om hem in een slecht daglicht te stellen; dat er geen betwisting over bestaat dat sergeant Verbinnen als ploegoverste het bevel voerde bij de betrokken interventie; dat verzoeker ten onrechte meent dat hij krachtens artikel 2, tweede lid, van het reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot bij zijn aankomst dat bevel zou hebben overgenomen omdat hij meer graadanciënniteit heeft dan sergeant Verbinnen, al was het maar omdat artikel 2, tweede lid, van voornoemd reglement betrekking XII-2032-14/21 heeft op de situatie waarin de officier-dienstchef afwezig is, wat tijdens de interventie van 19 oktober 1998 niet het geval was; Overwegende dat verzoeker verder betoogt dat van dronken- schap geen sprake was, maar daarin wordt tegengesproken door vijf getuigen die ernstige aanwijzingen van het tegendeel hebben gezien; dat verzoeker ook betwist dat hij collega’s zou hebben bedreigd terwijl de getuigenverklaringen van korporaal Van Passel en van de brandweerlieden Stevens en Verbist dat evenzeer tegenspreken; dat verzoeker ook hier niet aantoont dat er redenen zijn die voormelde getuigenverklaringen ongeloofwaardig maken of dat die verklaringen onder druk van de officier-dienstchef zouden zijn afgelegd; dat hij wel verwijst naar de verklaringen van 24 en 25 januari 2000 van ere-luitenant Recko en korporaal Van de Zande, die hij bij zijn memorie van wederantwoord heeft gevoegd maar niet aan de tuchtoverheid heeft voorgelegd; dat eerstgenoemde zich niet uitspreekt over de toestand van dronkenschap van verzoeker en dat de verklaring van tweede genoemde dat verzoeker “zeker niet in dronkenschap verkeerde” bezwaarlijk kan opwegen tegen de vaststellingen van de officier- dienstchef en van vier andere getuigen die ernstige aanwijzingen van het tegendeel hebben gezien; Overwegende dat verzoeker tevergeefs beweert dat met betrekking tot het niet tonen van respect ten aanzien van de officier-dienstchef “geen enkel concreet element [wordt] aangehaald”; dat lectuur van het tuchtverslag van de officier-dienstchef het tegendeel uitwijst; Overwegende ten slotte dat het gegeven dat het twee en een halve maand heeft geduurd vooraleer over de tuchtfeiten een tuchtverslag werd opgesteld en vervolgens een tuchtprocedure werd ingeleid, als zodanig geen afbreuk doet aan de ernst van de feiten; dat de officier-dienstchef bij de redactie van zijn verslag duidelijk ook is uitgegaan van de houding die verzoeker sedert de kwestieuze feiten tegenover hem heeft aangenomen; dat het precies getuigt van behoorlijk leiderschap om, bij het bekritiseren van de houding van XII-2032-15/21 ondergeschikten, emotionele reacties van een bepaald ogenblik af te wegen in functie van het gedrag van de betrokkene in de daarop volgende periode; dat derhalve ook het derde middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending van het beginsel van onpartijdigheid aanvoert; dat hij betoogt dat er “op zijn minst twijfels rijzen over de onpartijdigheid van de beraadslaging” omdat de burgemeester, die eerder zijn afdanking aan de gemeenteraad had voorgesteld, als voorzitter aan de beraadslaging van de gemeenteraad over zijn tuchtzaak heeft deelgenomen, dat de burgemeester tegenover hem en drie andere leden van de familie Schellens die eveneens door de gemeenteraad werden afgedankt vooringenomen is geweest aangezien hij rechtstreeks betrokken was bij één van de feiten die aan verzoekers neef Hans Schellens ten laste werden gelegd, dat de burgemeester niet over de nodige objectiviteit beschikte om zijn dossier op een onbevooroordeelde manier te beoordelen, dat zijn standpunt wordt bevestigd door de bewoordingen van het tuchtvoorstel die “verder gaan” dan de bewoordingen van het tuchtverslag van de officier-dienstchef, dat de beïnvloeding van de gemeenteraad met het doel zijn afdanking te bekomen bovendien blijkt uit het feit dat vooraf reeds een ontwerp van tuchtbesluit werd opgesteld; Overwegende dat de bevoegdheden van de burgemeester te dezen onder meer worden bepaald door artikel 88 van de nieuwe gemeentewet en door artikel 37 van het reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot; dat de burgemeester krachtens artikel 88 van de nieuwe gemeentewet als voorzitter deelneemt aan de beraadslagingen van de gemeenteraad; dat artikel 37 van het reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot bepaalt dat voor de leden van de brandweerdienst die geen officier zijn, de schorsing en de afdanking bij tuchtmaatregel door de gemeenteraad worden uitgesproken op voorstel van de burgemeester; dat deze laatste bepaling overeenstemt met wat is voorgeschreven door het koninklijk besluit van 6 mei XII-2032-16/21 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten; Overwegende dat de burgemeester te dezen, conform artikel 37 van het reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligers- brandweerdienst van Aarschot, op 8 februari 1999 een gemotiveerd voorstel tot afdanking van verzoeker bij tuchtmaatregel aan de gemeenteraad heeft voorgelegd; dat hij op 25 februari 1999 als voorzitter van de gemeenteraad heeft deelgenomen aan de beraadslaging en stemming over verzoekers tuchtzaak; dat het loutere feit dat de burgemeester, conform de hem toegewezen bevoegdheid, aan de gemeenteraad een voorstel heeft gedaan om verzoeker bij tuchtmaatregel af te danken als dusdanig onvoldoende is om, zoals verzoeker doet, uit de aanwezigheid van de burgemeester bij de beraadslaging van de gemeenteraad af te leiden dat “op zijn minst twijfels rijzen over de onpartijdigheid van de beraadslaging”; dat de burgemeester immers niet alleen krachtens de wet voorzitter is van de gemeenteraad, maar tevens hoofd van de gemeentelijke brandweerdienst is en als zodanig hoofdverantwoordelijke voor de goede werking van die dienst; dat hij aan die hoedanigheid en verantwoordelijkheid het recht ontleent deel te nemen aan de besluitvorming van de gemeenteraad inzake maatregelen die tot doel hebben de tucht in het brandweerkorps te verzekeren; dat niet kan worden aangenomen dat juist aan degene die deze hoedanigheid en verantwoordelijkheid bezit het recht daartoe wordt ontzegd, om geen andere reden dan dat hij in de rechtmatige uitoefening van zijn bevoegdheid een voorstel van tuchtmaatregel aan de gemeenteraad heeft voorgelegd; dat anders oordelen onverenigbaar zou zijn met de eigen structuur van het gemeentebestuur, waarin aan de burgemeester de hiervoor geschetste plaats is toebedeeld; Overwegende dat de deelname van de burgemeester aan de beraadslaging en de stemming van de gemeenteraad over het tuchtdossier van een lid van de gemeentelijke brandweerdienst daarentegen wel zou strijden met het beginsel van de onpartijdigheid in tuchtzaken wanneer mocht blijken dat de burgemeester bij de uitkomst van de tuchtvordering een waarlijk, persoonlijk en XII-2032-17/21 rechtstreeks belang heeft, bijvoorbeeld omdat hij persoonlijk betrokken is bij de feiten die tot de tuchtvordering hebben geleid of omdat er tussen hem en het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid een zodanige animositeit bestaat dat moet worden aangenomen dat hij niet zonder vooringenomenheid of minstens schijn van partijdigheid over diens tuchtzaak kan oordelen; dat verzoeker in dat opzicht aanbrengt dat de vooringenomenheid van de burgemeester dient te worden afgeleid uit de omstandigheid dat de gemeenteraad op dezelfde dag nog drie familieleden van verzoeker die eveneens lid waren van de gemeentelijke brandweer heeft afgedankt en dat de burgemeester bij één van de feiten die aan één van hen werden ten laste gelegd, betrokken was; dat het feit dat de burgemeester mogelijk betrokken was bij één van de feiten die aan verzoekers familielid ten laste worden gelegd niet als zodanig uitsluit dat hij verzoekers tuchtdossier, dat op andere feiten betrekking heeft, nog zonder vooringenomenheid kan benaderen; dat verzoekers betoog over de animositeit tussen hemzelf en de burgemeester en over de vooringenomenheid van deze laatste in zijn tuchtzaak zich in de concrete omstandigheden van de zaak wezenlijk voordoet als een loutere bewering die geenszins aannemelijk wordt gemaakt; dat het vierde middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel aanvoert dat het evenredigheidsbeginsel werd geschonden; dat hij “in ondergeschikte orde” doet gelden dat, zelfs indien hem iets ten laste zou kunnen worden gelegd met betrekking tot zijn gedrag op 19 oktober 1998, de opgelegde tuchtstraf tegen alle redelijkheid indruist daar hij gedurende 23 jaar geen enkele verwittiging heeft gekregen en het buiten alle proporties is om onmiddellijk de zwaarste straf op te leggen; dat verzoeker nader betoogt dat het geschil in het leven is geroepen door de pas benoemde officier-dienstchef en achteraf “enorm [werd] opgeklopt”, dat hij enkel heeft gereageerd op een onrechtvaardige behandeling van zijn zoon, dat de officier-dienstchef zelf een tuchtsanctie had kunnen opleggen, maar duidelijk zijn verwijdering uit de brandweerdienst heeft beoogd, dat tot zijn afdanking werd besloten zonder ernstig, objectief onderzoek, dat de gevolgen voor hem buiten verhouding zijn; XII-2032-18/21 Overwegende dat het om redenen van veiligheid evident is dat niet kan worden geduld dat een brandweerman onder invloed op interventies verschijnt; dat het in een korps zoals de brandweerdienst, waarvan de goede werking onbetwistbaar voor een belangrijk deel berust op een hiërarchische gezagsstructuur en op de discipline van de manschappen, evenmin aanvaardbaar is dat dezelfde brandweerman bevelen van hogerhand negeert, bedreigingen uit aan collega’s en de officier-dienstchef met gebrek aan respect behandelt; dat verwerende partij deze feitelijke tekortkomingen in hoofde van verzoeker op een zorgvuldige wijze heeft vastgesteld en terecht bewezen heeft bevonden; dat zij die tekortkomingen als een niet-correcte uitoefening van zijn taak en een aantasting van de waardigheid van het ambt mocht kwalificeren; dat zij daarvoor niet ten onrechte de tuchtsanctie van de afdanking heeft opgelegd; dat immers artikel 35 van het gemeentelijk brandweerreglement vier tuchtstraffen opsomt die aan vrijwillige brandweerlieden kunnen worden opgelegd, waarvan de twee zwaarste de schorsing voor de duur van maximum één maand en de afzetting zijn; dat het bestuur op dat vlak dus over weinig speelruimte beschikt; dat in dit licht verwerende partij niet kan geacht worden bij de straftoemeting de grenzen van de redelijkheid te buiten te zijn gegaan door er de voorkeur aan gegeven te hebben verzoeker uit de dienst te verwijderen in plaats van hem, bijvoorbeeld, een schorsing van slechts een maand op te leggen; dat het feit dat aan de betrokken brandweerman voorheen nog geen tuchtsanctie werd opgelegd hieraan geen afbreuk doet; dat ook het vijfde middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- XII-2032-19/21 De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-2032-20/21 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2032-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.473 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.82.320 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.