← België

Arrest 146474 - - 23/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.474 Rolnummer: A. 83861/XII-2035 Zaak: Arrest 146474 - - 23/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-27 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 18:51 Fiche Arrest nr 146.474 van 23 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.474 van 23 juni 2005 in de zaak A. 83.861/XII-

  1. In zake : Luc SCHELLENS, die woonplaats kiest bij advocaten L. Dehond, Chr. Van Casteren en K. Denoo, kantoor houdende te Aarschot, Residentie Harmonie, Brouwerijstraat 1/1&5 tegen : de STAD AARSCHOT, die woonplaats kiest bij advocaat B. Van Tongelen, kantoor houdende te Aarschot, Statiestraat
  2. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc Schellens op 30 april 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 februari 1999 van de gemeenteraad van Aarschot waarbij hij bij tuchtstraf wordt afgedankt; Gelet op het arrest nr. 82.322 van 21 september 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 22 oktober 1999 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-2035-1/19 Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 1 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van verzoeker en de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Collin, die loco advocaat L. Dehond verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. Van Aerschot, die loco advocaat B. Van Tongelen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak. Overwegende dat verzoeker 8 jaar lid is van de vrijwillige brandweerdienst van Aarschot en dat hij de graad van brandweerman heeft; Overwegende dat de officier-dienstchef van de brandweer- dienst op 6 januari 1999 ten laste van verzoeker een tuchtverslag opstelt dat hij aan de burgemeester richt; dat voormeld tuchtverslag luidt : XII-2035-2/19 “Reeds tweemaal verscheen brandweerman Luc Schellens onder invloed op de brandweerkazerne. Een eerste voorval situeert zich op de algemene vergadering van 06/10/
  4. Bij de evaluatie van de watersnood werd de opmerking gemaakt dat een krantenfoto van twee brandweerlieden in een horecazaak met een pint bier voor hun neus echt niet kan. Zeker niet toen de hulpdiensten onder vuur lagen betreffende hun organisatie en hun werkijver. Deze opmerking werd in alle sereniteit aan de betrokkenen (Luc Schellens en Kurt Verbiest) duidelijk gemaakt, zonder verdere opmerkingen vanwege de dienstchef. Reeds eerder had Luc Schellens al agressief gereageerd op een eerder item van de vergadering. Bij deze laatste opmerking gedroeg hij zich zeer kwaad en maakte hij mij het verwijt ‘al dezelfde te zijn als die ander ouwe’, waarmee hij de vorige commandant bedoelde. Meerdere personen bevestigden mijn vermoeden dat Luc Schellens in dronken toestand verkeerde. Tevens wilde hij steeds het laatste woord voeren. Een tweede voorval deed zich voor op een interventie dd. 19/10/1998, waarbij ook sergeant Jan Schellens dronken was. Sergeant Verbinnen maakte mij hierop attent tijdens deze interventie. Als ploegoverste gaf hij Luc Schellens het bevel, gezien zijn bedenkelijke toestand, zich niet naar boven te begeven. Zowel hij als sergeant Jan Schellens weigerden dit en negeerde[n] zijn bevel. Regelmatig wordt gewezen op het feit dat men niet dronken op een interventie mag of kan verschijnen en dat hiertoe maatregelen worden genomen indien dit wel gebeurt. Beiden waren dus duidelijk vooraf verwittigd. Aldus samengevat wordt brandweerman Luc Schellens volgende feiten ten laste gelegd : S onbeschoft gedrag en gebrek aan respect tegenover de officier- dienstchef; S negeren van de bevelen van een meerdere; Dit kan samengevat worden onder de term ‘kennelijk wangedrag’, zoals vermeld in het organiek reglement (art. 22). Ik stel voor, mijnheer de burgemeester, dat u de betrokkene oproept voor verhoor en een gepaste tuchtstraf voorstelt aan de Gemeenteraad”; dat bij het tuchtverslag een verslag van 19 oktober 1998 van sergeant Verbinnen is gevoegd over het voorval met verzoeker en diens vader Jan Schellens tijdens de interventie te Betekom; Overwegende dat de burgemeester verzoeker met een aangetekende brief van 8 januari 1999 meedeelt dat te zijnen laste een tuchtdossier is samengesteld, dat het opleggen van een tuchtstraf wordt overwogen en dat hij wordt opgeroepen om op 29 januari 1999 door hem te worden gehoord over volgende tenlasteleggingen : XII-2035-3/19 “ • onbeschoft gedrag en gebrek aan respect tegenover de officier- dienstchef; • negeren van de bevelen van een meerdere; op 06.10.1998 op de algemene vergadering en op 19.10.1998 tijdens een interventie”; dat een kopie van het tuchtverslag van 6 januari 1999 van de officier-dienstchef is bijgevoegd; dat verzoeker op 29 januari 1999 door de burgemeester wordt gehoord, verhoor waarvan een proces-verbaal wordt opgesteld dat door verzoeker wordt ondertekend; Overwegende dat de burgemeester op 8 februari 1999 beslist aan de gemeenteraad voor te stellen verzoeker bij tuchtmaatregel af te danken; dat voormeld voorstel op volgende overwegingen steunt : “Gelet op het tuchtverslag d.d. 6 januari 1999, opgesteld door brandweercommandant Lambrechts; Gelet op de aangetekend verzonden uitnodiging d.d. 8 januari 1999 om te verschijnen op de hoorzitting van 29 januari 1999; Gelet op de hoorzitting van 29 januari 1999 waar betrokkene werd gehoord evenals zijn raadsman, meester Luc Dehond; Overwegende dat de tegen de betrokkene ingeroepen feiten en tekortkomingen als bewezen voorkomen en voldoende ernstig zijn; Dat tijdens een daadwerkelijke interventie bij een brand de betrokkene onder invloed van drank verscheen en de bevelen van zijn korpsoverste negeerde; Dat het vanzelfsprekend geen betoog behoeft dat het totaal onaanvaardbaar is voor een brandweerman dat hij bij oefeningen of laat staan bij daadwerkelijke interventies onder invloed van drank verschijnt en deelneemt aan de interventie; Dat door dergelijke houding aan te nemen niet alleen de eigen veiligheid maar ook deze van zijn collega’s het materieel en de bevolking ernstig in gevaar wordt gebracht, gezien de inschatting van de eventuele risico’s niet meer op correcte manier kan gebeuren; Dat daarenboven tijdens de overstromingsramp in september 1998 een foto van betrokkene in de krant verscheen waarbij hij in uniform aanwezig was in een café niet een pint bier voor de neus, hetgeen felle reacties bij de bevolking heeft uitgelokt, temeer daar de hulpdiensten op dat ogenblik reeds onder vuur lagen betreffende hun organisatie en hun werkijver; Dat één en ander aan betrokkene werd duidelijk gemaakt op een vergadering van 6 oktober 1998, op welke vergadering betrokkene zeer agressief reageerde en opnieuw duidelijk onder invloed van de drank verkeerde; XII-2035-4/19 Dat in het korps regelmatig wordt gewezen op het feit dat men op een oefening of interventie niet dronken of geïntoxiceerd kan verschijnen gelet op de risico’s verbonden aan een vrijwilligerskorps van brandweerlieden; Dat betrokkene deze richtlijnen negeert met alle gevolgen vandien : • negeren van bevelen van korpsoversten en verbale agressie ten opzichte van de medeleden van het korps en van de oversten; Dat betrokkene bovendien de ernst van de hem ten laste gelegde feiten niet wil inzien nu hij in zijn verweer stelt dat het bevel van een sergeant tijdens de brand van 19 oktober 1998 slechts een raadgeving was en geen bevel; Dat hierdoor wordt aangetoond dat betrokkene eveneens problemen heeft met de tucht en de discipline en blijkbaar moeilijk kan aanvaarden dat hem bevelen worden gegeven die hij dient uit te voeren zonder verdere commentaar of discussie; Dat een brandweerkorps met alle risicovolle opdrachten die het te vervullen heeft dergelijke leden niet kan dulden wegens hun onbetrouwbaarheid, hun gebrek aan motivatie en aan discipline en tucht; Dat uitdrukkelijk verwezen wordt naar artikel 22, 5/ van het reglement inzake de organisatie van de vrijwilligersbrandweerdienst te Aarschot waarin wordt gesteld dat de afdanking door de gemeenteraad kan worden uitgesproken wegens kennelijk wangedrag en miskenning van de tucht; Dat het geen twijfel lijdt dat betrokkene zich zowel aan het een als het andere heeft schuldig gemaakt; Dat om al deze redenen als tuchtstraf de afdanking moet worden voorgesteld; Gelet op de artikelen 22 en 33 t/m 39 van het Reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot”; dat de burgemeester dit voorstel met een aangetekende brief van 9 februari 1999 aan verzoeker betekent en hem tevens uitnodigt om zich op 25 februari 1999 voor de gemeenteraad tegen dat voorstel te verdedigen; dat verzoeker op 25 februari 1999 door de gemeenteraad wordt gehoord, verhoor waarvan een proces-verbaal wordt opgesteld dat door verzoeker wordt ondertekend; dat de gemeenteraad dezelfde dag beslist verzoeker bij tuchtmaatregel af te danken; dat deze beslissing, die het voorwerp uitmaakt van voorliggend beroep, op de volgende overwegingen steunt : “Gelet op het bijgevoegde Besluit van de Burgemeester van 8 februari 1999 houdende gemotiveerd voorstel van de Burgemeester aan de Gemeenteraad om derhalve aan de heer Luc Schellens, brandweerman bij de XII-2035-5/19 gemeentelijke vrjwilligersbrandweerdienst van Aarschot, volgende tuchtstraf op te leggen, m.n. de afdanking; Gelet op het verhoor dat op 25 februari 1999 in besloten/openbare zitting plaats vond; Overwegende dat zowel uit de stukken van het tuchtdossier als uit het verhoor blijkt dat de feiten zich hebben voorgedaan zoals omschreven in het tuchtverslag van 6 januari 1999, opgesteld door de officier-dienstchef; Overwegende dat voor geen enkele van de ten laste gelegde tekortkomingen reeds een tuchtstraf werd uitgesproken; Overwegende dat uit de ten laste gelegde feiten blijkt dat de betrokkene zijn taak niet op correcte wijze uitoefent, en de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt; Gelet op het feit dat het treffen van een tuchtmaatregel noodzakelijk wordt geacht; Gelet op de artikelen 22 en 33 t/m 39 van het Reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot”; dat de burgemeester en de gemeentesecretaris met een aangetekende brief van 3 maart 1999 aan verzoeker een afschrift van het proces-verbaal van het verhoor door de gemeenteraad en van het bestreden besluit bezorgen;
  5. De grond van de zaak. 2.
  6. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen inroept; dat hij aanvoert dat de bestreden beslissing als enige motivering vermeldt dat uit de hem ten laste gelegde feiten blijkt dat hij zijn taak niet correct uitoefent en de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt zodat het nemen van een tuchtmaatregel noodzakelijk wordt geacht, dat het bestreden besluit niet vermeldt welke feiten in aanmerking worden genomen, op welke grond deze feiten bewezen worden geacht, welke tenlastelegging op grond van deze feiten in aanmerking wordt genomen en waarom een tuchtstraf, inzonderheid de zwaarste, wordt opgelegd, dat bijgevolg de motiveringsplicht, zoals opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen “op flagrante wijze” werd geschonden, dat de motivering van het bestreden besluit niet kan worden beschouwd als een afdoende motivering, dat het niet volstaat te verwijzen naar het voorstel van de burgemeester; XII-2035-6/19 Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord argumenteert dat de bestreden beslissing enkel in de aanhef naar het gemotiveerd voorstel van de burgemeester verwijst, dat de motivering van het bestreden besluit vaag is en hem niet toelaat uit te maken welke feiten in aanmerking werden genomen om de zwaarste tuchtsanctie op te leggen; Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar het gemotiveerde tuchtvoorstel van 8 februari 1999 van de burgemeester zodat het, in zoverre het geen eigen redengeving ontwikkelt, kan worden geacht zich de motivering van dat voorstel te hebben eigen gemaakt; dat de motieven van het tuchtvoorstel dan ook integraal deel uitmaken van het bestreden besluit; dat verzoeker er kennis van heeft genomen doordat het tuchtvoorstel hem met een aangetekende brief van 9 februari 1999 werd betekend; Overwegende voorts dat uit het bestreden besluit en het tuchtvoorstel van de burgemeester afdoende blijkt welke feiten precies in aanmerking worden genomen, op welke grond de in aanmerking genomen feiten bewezen worden geacht, welke tenlasteleggingen op grond van die feiten in aanmerking worden genomen en waarom een tuchtstraf, inzonderheid de zwaarste, wordt opgelegd : S wat de ten laste gelegde feiten betreft, wordt zowel in het tuchtvoorstel als in de bestreden beslissing verwezen naar de feiten die worden aangehaald in het tuchtverslag van 6 januari 1999 van de officier-dienstchef waarvan reeds met een aangetekende brief van 8 januari 1999 een afschrift aan verzoeker werd bezorgd; S die feiten worden luidens de bestreden beslissing bewezen bevonden op grond van de stukken van het tuchtdossier en in acht genomen de gegevens die verzoeker aanbracht tijdens het verhoor; S uit die feiten wordt in het tuchtvoorstel en in het bestreden besluit onder meer afgeleid dat verzoeker door zijn houding zijn eigen veiligheid, die van collega’s, van de bevolking en van het materiaal in gevaar brengt, dat hij XII-2035-7/19 problemen heeft met tucht en discipline en moeilijk kan aanvaarden dat hem bevelen worden gegeven, dat hij tekort komt in de uitoefening van zijn taak en dat hij de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, dienvolgens wordt besloten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijk wangedrag en miskenning van de tucht, waarvoor hij krachtens de artikelen 22 en 33 tot en met 39 van het reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot door de gemeenteraad kan worden afgedankt; dat verzoeker derhalve voldoende kennis heeft kunnen nemen van de redenen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.
  7. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel doet gelden dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechten van verdediging werden geschonden en dat er sprake is van machtsafwending; dat hij betoogt dat noch de burgemeester, noch de gemeenteraad op zijn verweer hebben geantwoord en dat als grondslag van de bestreden beslissing enkel wordt verwezen naar het tuchtverslag van de officier-dienstchef dat pas maanden na de feiten werd opgesteld; dat hij verder stelt dat de feiten niet werden onderzocht en dat zijn versie ervan werd genegeerd, dat de tuchtoverheid bijgevolg het zorgvuldigheids- beginsel heeft miskend dat haar ertoe verplicht zorgvuldig te werk te gaan en dit zowel bij de feitenvinding als bij het waarderen van de feiten, dat de overheid ingeval van ontkenning van de tuchtfeiten door betrokkene niet uitsluitend kan steunen op het tuchtverslag, maar zelf de nodige onderzoeksmaatregelen dient te nemen, zoals bijvoorbeeld het horen van getuigen en/of collega’s, zo niet wordt het vermoeden van onschuld miskend, dat het verhoor door de gemeenteraad “een louter procedurale vormvereiste” was, hetgeen des te meer blijkt uit het feit dat vooraf reeds een ontwerp van tuchtbesluit in het tuchtdossier was opgenomen en dat tijdens dezelfde gemeenteraadszitting nog drie brandweerlieden “van dezelfde politieke strekking” werden afgedankt en terzelfder tijd tien nieuwe stagiairs in dienst werden genomen; dat hij ten slotte aanvoert dat de gemeenteraad zijn XII-2035-8/19 bevoegdheid tot afdanking heeft misbruikt om een ander doel na te streven dan het behartigen van het belang van de dienst dat met het opleggen van een tuchtsanctie wordt beoogd, dat de tuchtoverheid zich bijgevolg schuldig heeft gemaakt aan machtsafwending; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog uiteenzet dat de feiten zich niet hebben voorgedaan zoals zij door de officier- dienstchef, die overigens betrokken partij was, werden uiteengezet, dat de tuchtoverheid de feiten zorgvuldiger had kunnen en moeten onderzoeken en dit vooral omdat de zwaarste tuchtsanctie werd opgelegd en hij voorheen nog nooit tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd, dat verwerende partij ten onrechte betoogt dat hij het beweerde alcoholmisbruik niet zou betwisten, dat hij zich daartegen niet heeft verdedigd omdat het hem niet ten laste werd gelegd, dat hij ten stelligste betwist dronken te zijn geweest tijdens de vergadering van 6 oktober 1998 en de interventie van 19 oktober 1998, dat er, buiten het tuchtverslag van de officier- dienstchef, dat zonder nader onderzoek bezwaarlijk als afdoend bewijs in aanmerking kan worden genomen, geen enkel bewijs bestaat van voormelde dronkenschap, dat men zich de vraag kan stellen waarom de officier-dienstchef niet onmiddellijk maatregelen heeft genomen als hij werkelijk dronken was tijdens de interventie van 19 oktober 1998; Overwegende dat aan verwerende partij bezwaarlijk een gebrek aan zorgvuldigheid bij de feitenvinding kan worden verweten, daar zij op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit beschikte over een tuchtverslag van de officier-dienstchef en van een daarbij gevoegd verslag van sergeant Verbinnen waaruit zij terecht de overtuiging mocht opdoen dat de feiten die aan verzoeker als tuchtfeiten ten laste werden gelegd zich daadwerkelijk hadden voorgedaan; dat niettegenstaande verzoeker de hem ten laste gelegde feiten ontkende, hij geen enkel gegeven heeft voorgelegd dat verwerende partij ertoe noopte te twijfelen aan de waarachtigheid van het relaas van de officier-dienstchef en van de verklaring van sergeant Verbinnen; XII-2035-9/19 Overwegende, voorts, dat aan verzoekers rechten van verdediging en aan het vermoeden van onschuld waarop hij zich beroept geen afbreuk is gedaan door het loutere feit dat in het dossier een ontwerp van tuchtbesluit ten behoeve van de gemeenteraad was opgenomen; dat na het formuleren van het tuchtvoorstel van de burgemeester, ter voorbereiding en ter vergemakkelijking van de beraadslaging en de stemming van de gemeenteraad, een ontwerp van tuchtbesluit mocht worden opgesteld, waarover de gemeente-raad, na kennis te hebben genomen van de gegevens van het tuchtdossier en na betrokkene te hebben gehoord, kon stemmen; dat te dezen blijkt dat voormeld ontwerp de meerderheid van de stemmen heeft verkregen; dat een en ander er niet aan in de weg staat dat de gemeenteraad ten volle de waarde van verzoekers verdediging tijdens zijn verhoor heeft kunnen beoordelen en daarmee rekening heeft kunnen houden bij het nemen van zijn beslissing; dat de omstandigheid dat de gemeenteraad tijdens dezelfde zitting nog drie brandweerlieden heeft afgedankt en tien nieuwe stagiairs heeft aangeworven, nietszeggend is wat de aangevoerde schending van het vermoeden van onschuld betreft en op zich niet volstaat om aan te nemen dat de gemeenteraad zijn tuchtbevoegdheid heeft misbruikt en zich heeft laten leiden door niet-veruitwendigde motieven in verband met een ander belang dan het belang van de dienst; dat ook machtsafwending door verzoeker niet aannemelijk wordt gemaakt; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.
  8. Overwegende dat verzoeker een derde middel afleidt uit machtsoverschrijding, de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke grondslag en schending van de algemene regels van de bewijsvoering; dat hij aanvoert dat hij de feiten “ten stelligste” betwist, dat de feiten volledig onwaar zijn of er een totaal verkeerde uitleg aan wordt gegeven, dat de burgemeester en de officier-dienstchef reeds vooraf tot zijn afdanking hadden besloten en “hiertoe enkel argumenten hebben gezocht”; dat hij met betrekking tot de feiten volgende opmerkingen maakt : S de bewering van de officier-dienstchef dat de krantenfoto het bewijs zou zijn van een gebrek aan organisatie en werkijver bij de hulpdiensten wordt XII-2035-10/19 weerlegd door de lovende reacties van de bevolking op de prestaties van de brandweer, hij kwam in de betrokken horecazaak even uitrusten en er wordt niet bewezen dat de pint van hem is, de foto en bijbehorende tekst getuigen van respect en lof voor het brandweerkorps S de officier-dienstchef is snel beledigd, de door hem gebruikte termen behoren tot het dagelijks taalgebruik en “een gespierd taaltje” komt vaak voor onder brandweerlieden S inzake de interventie van 19 oktober 1998 is het zo dat de brand bij zijn aankomst reeds onder controle was, dat sergeant Verbinnen hem meedeelde dat hij zich niet naar de eerste verdieping diende te begeven, dat hij uit “gezonde beroepsinteresse” naging of de brand al dan niet onder controle was; dat verzoeker voorts betoogt dat het, indien de verwijten aan zijn adres gegrond zouden zijn en zo zwaarwichtig als door de burgemeester wordt beweerd, onbegrijpelijk en onaanvaardbaar is dat twee en een halve maand wordt gewacht met het opstellen van een tuchtverslag, dat er geen sprake is van “werkelijke aantijgingen”, doch enkel van “een louter subjectieve appreciatie door de onderluitenant, die duidelijk een stok heeft moeten zoeken om mee te slaan”, dat het tuchtvoorstel van de burgemeester verwijst naar elementen die vermeld zijn in het tuchtverslag van de officier-dienstchef die niet in aanmerking kunnen worden genomen als grondslag voor het opleggen van een tuchtstraf omdat ze niet werden vermeld in de oproepingsbrief en hij zich hiervoor dus niet diende te verantwoorden, dat het tuchtvoorstel “zonder enige vorm van bewijs, noch verdedigingsmogelijkheid van verzoeker” eveneens steunt op de omstandigheid dat hij “onder invloed van drank” zou zijn verschenen op een interventie; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord argumenteert dat hij zich tijdens het verhoor diende te verantwoorden voor onbeschoft gedrag en gebrek aan respect, alsook voor het negeren van het bevel van een meerdere, terwijl er niet werd gerept over het feit dat hem ook dronkenschap werd verweten, feit waaraan het bestreden besluit het zwaarst heeft XII-2035-11/19 getild, dat van hem niet kan worden verwacht uit een bijgevoegd tuchtverslag zelf bijkomende tenlasteleggingen of verwijten af te leiden, dat het verwijt van dronkenschap geen loutere illustratie uitmaakt van de tenlastelegging dat hij bevelen negeert, tenlastelegging die duidelijk betrekking heeft op het bevel van sergeant Verbinnen tijdens de interventie van 19 oktober 1998; dat hij voorts argumenteert dat de reactie van de officier-dienstchef op zijn foto in de krant getuigt van een gebrek aan respect voor zijn prestaties en inzet; dat hij ten slotte doet gelden dat het onredelijk en onaanvaardbaar is dat de officier-dienstchef er maanden over heeft gedaan om een relatief eenvoudig tuchtverslag op te stellen; Overwegende dat de bezwaren die verzoeker met betrekking tot de rechtens vereiste feitelijke grondslag van het bestreden besluit maakt, om hiernavolgende redenen niet kunnen worden bijgevallen; Overwegende ten eerste dat blijkens het tuchtvoorstel en het tuchtbesluit aan verzoeker niet tuchtrechtelijk wordt verweten dat hij op 15 september 1998 tijdens de werkzaamheden van de brandweer ter bestrijding van de watersnood ’s nachts in een café werd gefotografeerd met een pint bier bij de hand, maar wel dat hij tijdens de evaluatievergadering op 6 oktober 1998 op de kritiek van de officier-dienstchef over dat feit, tegenover deze laatste agressief en onbeschoft heeft gereageerd en daarbij in dronken toestand verkeerde; dat bezwaarlijk kan worden ontkend dat de bewoordingen die verzoeker bij dit incident gebruikte, niet getuigen van veel respect voor de dienstchef; dat de tuchtoverheid de ten laste gelegde feiten terecht als een niet-correcte taakuitoefening en een aantasting van de waardigheid van het ambt kan kwalificeren; Overwegende voorts dat het feit dat sergeant Verbinnen tijdens de interventie te Betekom op 19 oktober 1998 aan verzoeker geen bevel zou hebben gegeven, een loutere interpretatie van verzoeker is die niet overeenstemt met wat sergeant Verbinnen daar zelf over verklaart; dat er geen betwisting over bestaat dat sergeant Verbinnen als ploegoverste het bevel voerde bij de betrokken XII-2035-12/19 interventie zodat verzoeker zich bij zijn aankomst naar die bevelvoering diende te schikken; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de verklaring van sergeant Verbinnen over het bedoelde voorval niet geloofwaardig zou zijn, laat staan dat voornoemde sergeant redenen zou hebben gehad om hem in een slecht daglicht te stellen; Overwegende verder dat het gegeven dat het twee en een halve maand heeft geduurd vooraleer over de tuchtfeiten een tuchtverslag werd opgesteld en vervolgens een tuchtprocedure werd ingeleid, als zodanig geen afbreuk doet aan de ernst van de feiten; dat de stelling van verzoeker dat de officier-dienstchef een stok heeft gezocht om hem te slaan zich voordoet als een loutere bewering die niet aannemelijk wordt gemaakt; dat verzoeker niet aantoont dat er redenen zouden bestaan die het verslag van de officier-dienstchef ongeloofwaardig maken of die erop wijzen dat de officier-dienstchef verzoeker op een niet gerechtvaardigde wijze heeft willen viseren en in een kwaad daglicht stellen; Overwegende dat verzoeker er ten slotte ten onrechte vanuit gaat dat het tuchtvoorstel van de burgemeester niet in aanmerking had mogen nemen dat in het tuchtverslag van de officier-dienstchef melding werd gemaakt van zijn dronkenschap tijdens de vergadering op 6 oktober 1998 en de interventie te Betekom op 19 oktober 1998, omdat die dronkenschap hem niet ten laste werd gelegd in de oproepingsbrief en hij derhalve niet werd uitgenodigd zich daarover te verdedigen; dat de burgemeester in de brief van 8 januari 1999 waarbij verzoeker werd opgeroepen voor verhoor, melding maakte van de tenlasteleggingen die in het tuchtverslag van de officier-dienstchef in aanmerking zijn genomen, namelijk “onbeschoft gedrag en gebrek aan respect tegenover de officier-dienstchef” en het “negeren van de bevelen van een meerdere”; dat het tuchtverslag van de officier-dienstchef bij de oproepingsbrief was gevoegd, zodat verzoeker er kennis van heeft kunnen nemen; dat uit dat tuchtverslag onmiskenbaar blijkt dat de officier-dienstchef de in aanmerking genomen tenlasteleggingen eensdeels betrekt op het voorval tijdens de vergadering van XII-2035-13/19 6 oktober 1998 waarbij verzoeker in dronken toestand op een onbeschofte manier tegen hem is uitgevlogen en anderdeels op het voorval tijdens de interventie te Betekom op 19 oktober 1998 waarbij verzoeker andermaal onder invloed het bevel van de bevelvoerende sergeant heeft genegeerd; dat verzoekers dronkenschap op 6 en 19 oktober 1998 voor de officier-dienstchef, blijkens zijn verslag, een illustratie is van de tenlastelegging dat verzoeker de bevelen van de hiërarchisch meerdere negeert, te dezen het bevel of de instructie “dat men niet dronken op een interventie mag of kan verschijnen”; dat verzoeker zich derhalve niet kan verschuilen achter het gegeven dat in de oproepingsbrief zelf niet uitdrukkelijk gewag werd gemaakt van “dronkenschap”; dat uit het bijgevoegde tuchtverslag immers duidelijk blijkt dat die toestand van dronkenschap deel uitmaakt van het gedrag dat hem wordt verweten; dat verzoeker er zich dan ook nuttig tegen heeft kunnen verweren tijdens het verhoor door de burgemeester; dat verzoeker overigens ook uit het tuchtvoorstel van de burgemeester heeft kunnen opmaken dat de vastgestelde dronkenschap hem tuchtrechtelijk wordt verweten, zodat hij zich er op zijn minst voor de gemeenteraad tegen heeft kunnen verweren, wat hij, zo blijkt uit het proces-verbaal van het verhoor door de gemeenteraad, niet heeft gedaan; dat het derde middel niet gegrond is; 2.
  9. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending van het beginsel van onpartijdigheid aanvoert; dat hij betoogt dat er “op zijn minst twijfels rijzen over de onpartijdigheid van de beraadslaging” omdat de burgemeester, die eerder zijn afdanking aan de gemeenteraad had voorgesteld, als voorzitter aan de beraadslaging van de gemeenteraad over zijn tuchtzaak heeft deelgenomen, dat de burgemeester tegenover hem en drie andere leden van de familie Schellens die eveneens door de gemeenteraad werden afgedankt vooringenomen is geweest aangezien hij rechtstreeks betrokken was bij één van de feiten die aan verzoekers neef Hans Schellens ten laste werden gelegd, dat de burgemeester niet over de nodige objectiviteit beschikte om zijn dossier op een onbevooroordeelde manier te beoordelen, dat zijn standpunt wordt bevestigd door de bewoordingen van het tuchtvoorstel die “verder gaan” dan de bewoordingen van het tuchtverslag van de officier-dienstchef, dat de beïnvloeding van de XII-2035-14/19 gemeenteraad met het doel zijn afdanking te bekomen bovendien blijkt uit het feit dat vooraf reeds een ontwerp van tuchtbesluit werd opgesteld; Overwegende dat de bevoegdheden van de burgemeester te dezen onder meer worden bepaald door artikel 88 van de nieuwe gemeentewet en door artikel 37 van het reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot; dat de burgemeester krachtens artikel 88 van de nieuwe gemeentewet als voorzitter deelneemt aan de beraadslagingen van de gemeenteraad; dat artikel 37 van het reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst van Aarschot bepaalt dat voor de leden van de brandweerdienst die geen officier zijn, de schorsing en de afdanking bij tuchtmaatregel door de gemeenteraad worden uitgesproken op voorstel van de burgemeester; dat deze laatste bepaling overeenstemt met wat is voorgeschreven door het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten; Overwegende dat de burgemeester te dezen, conform artikel 37 van het reglement voor de organisatie van de gemeentelijke vrijwilligers- brandweerdienst van Aarschot, op 8 februari 1999 een gemotiveerd voorstel tot afdanking van verzoeker bij tuchtmaatregel aan de gemeenteraad heeft voorgelegd; dat hij op 25 februari 1999 als voorzitter van de gemeenteraad heeft deelgenomen aan de beraadslaging en stemming over verzoekers tuchtzaak; dat het loutere feit dat de burgemeester, conform de hem toegewezen bevoegdheid, aan de gemeenteraad een voorstel heeft gedaan om verzoeker bij tuchtmaatregel af te danken als dusdanig onvoldoende is om, zoals verzoeker doet, uit de aanwezigheid van de burgemeester bij de beraadslaging van de gemeenteraad af te leiden dat “op zijn minst twijfels rijzen over de onpartijdigheid van de beraadslaging”; dat de burgemeester immers niet alleen krachtens de wet voorzitter is van de gemeenteraad, maar tevens hoofd van de gemeentelijke brandweerdienst is en als zodanig hoofdverantwoordelijke voor de goede werking van die dienst; dat hij aan die hoedanigheid en verantwoordelijkheid het recht XII-2035-15/19 ontleent deel te nemen aan de besluitvorming van de gemeenteraad inzake maatregelen die tot doel hebben de tucht in het brandweerkorps te verzekeren; dat niet kan worden aangenomen dat juist aan degene die deze hoedanigheid en verantwoordelijkheid bezit het recht daartoe wordt ontzegd, om geen andere reden dan dat hij in de rechtmatige uitoefening van zijn bevoegdheid een voorstel van tuchtmaatregel aan de gemeenteraad heeft voorgelegd; dat anders oordelen onverenigbaar zou zijn met de eigen structuur van het gemeentebestuur, waarin aan de burgemeester de hiervoor geschetste plaats is toebedeeld; Overwegende dat de deelname van de burgemeester aan de beraadslaging en de stemming van de gemeenteraad over het tuchtdossier van een lid van de gemeentelijke brandweerdienst daarentegen wel zou strijden met het beginsel van de onpartijdigheid in tuchtzaken wanneer mocht blijken dat de burgemeester bij de uitkomst van de tuchtvordering een waarlijk, persoonlijk en rechtstreeks belang heeft, bijvoorbeeld omdat hij persoonlijk betrokken is bij de feiten die tot de tuchtvordering hebben geleid of omdat er tussen hem en het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid een zodanige animositeit bestaat dat moet worden aangenomen dat hij niet zonder vooringenomenheid of minstens schijn van partijdigheid over diens tuchtzaak kan oordelen; dat verzoeker in dat opzicht aanbrengt dat de vooringenomenheid van de burgemeester dient te worden afgeleid uit de omstandigheid dat de gemeenteraad op dezelfde dag nog drie familieleden van verzoeker die eveneens lid waren van de gemeentelijke brandweer heeft afgedankt en dat de burgemeester bij één van de feiten die aan één van hen werden ten laste gelegd, betrokken was; dat het feit dat de burgemeester mogelijk betrokken was bij één van de feiten die aan verzoekers familielid ten laste worden gelegd niet als zodanig uitsluit dat hij verzoekers tuchtdossier, dat op andere feiten betrekking heeft, nog zonder vooringenomen-heid kan benaderen; dat verzoekers betoog over de animositeit tussen hemzelf en de burgemeester en over de vooringenomenheid van deze laatste in zijn tuchtzaak zich in de concrete omstandigheden van de zaak wezenlijk voordoet als een loutere bewering die geenszins aannemelijk wordt gemaakt; dat het vierde middel niet gegrond is; XII-2035-16/19 2.
  10. Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel aanvoert dat het evenredigheidsbeginsel werd geschonden; dat hij “in ondergeschikte orde” doet gelden dat, zelfs indien hem iets ten laste zou kunnen worden gelegd met betrekking tot zijn gedrag op 6 en 19 oktober 1998, de opgelegde tuchtstraf tegen alle redelijkheid indruist daar hij gedurende 8 jaar een onberispelijke staat van dienst heeft opgebouwd en het buiten alle proporties is om onmiddellijk de zwaarste straf op te leggen; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord benadrukt dat er wel degelijk sprake is van een kennelijk onredelijke beslissing, dat de hem ten laste gelegde feiten onjuist zijn, opgeklopt en een drogreden om een “vervelend element” te ontslaan, dat hij met klem betwist dronken te zijn geweest, dronkenschap die niet objectief werd beschreven en vastgesteld, dat het, zelfs indien hij een fout heeft begaan door zijn ongenoegen te laten blijken ten aanzien van de officier-dienstchef, totaal onredelijk is hem hiervoor op deze wijze te ontslaan; Overwegende dat het in een korps zoals de brandweerdienst, waarvan de goede werking onbetwistbaar voor een belangrijk deel berust op een hiërarchische gezagsstructuur en op de discipline van de manschappen, onaanvaardbaar is dat een brandweerman zich onbeschoft en met gebrek aan respect gedraagt tegenover de officier-dienstchef en bevelen van hiërarchische oversten negeert; dat het feit dat dit alles gebeurt in dronken toestand bovendien een gevaar creëert voor betrokkene, zijn collega’s en de bevolking; dat verwerende partij deze feitelijke tekortkomingen in hoofde van verzoeker op een zorgvuldige wijze heeft vastgesteld en terecht bewezen heeft bevonden; dat zij die tekortkomingen als een niet-correcte uitoefening van zijn taak en een aantasting van de waardigheid van het ambt mocht kwalificeren; dat zij daarvoor niet ten onrechte de tuchtsanctie van de afdanking heeft opgelegd; dat immers artikel 35 van het gemeentelijk brandweerreglement vier tuchtstraffen opsomt die aan vrijwillige brandweerlieden kunnen worden opgelegd, waarvan de twee zwaarste de schorsing voor de duur van maximum één maand en de afzetting zijn; dat het XII-2035-17/19 bestuur op dat vlak dus over weinig speelruimte beschikt; dat in dit licht verwerende partij niet kan geacht worden bij de straftoemeting de grenzen van de redelijkheid te buiten te zijn gegaan door er de voorkeur aan gegeven te hebben verzoeker uit de dienst te verwijderen in plaats van hem, bijvoorbeeld, een schorsing van slechts een maand op te leggen; dat het feit dat aan de betrokken brandweerman voorheen nog geen tuchtsanctie werd opgelegd hieraan geen afbreuk doet; dat ook het vijfde middel ongegrond is, XII-2035-18/19 BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2035-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.474 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.82.322 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.