id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.475 Rolnummer: A. 63879/XII-1655 Zaak: Arrest 146475 - Tucht (openbaar ambt) - 23/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-04 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 18:52 Fiche Arrest nr 146.475 van 23 juni 2005 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.475 van 23 juni 2005 in de zaak A. 63.879/XII-
- In zake : Ivar HERMANS, wonende te Leuven, Rijschoolstraat 13/11 tegen :
- de STAD HASSELT, die woonplaats kiest bij advocaat H. Lamon, kantoor houdende te Hasselt, Leopoldplein 40,
- het VLAAMSE GEWEST --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ivar Hermans op 30 mei 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van 17 maart 1995 van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, houdende goedkeuring van het besluit van de Gemeenteraad van Hasselt van 20 december 1994 houdende het opleggen van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege aan verzoeker, Ingenieur-Diensthoofd op proef”; Gelet op het arrest nr. 127.985 van 10 februari 2004 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur- generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 28 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2005; XII-1655-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust ; Gehoord de opmerkingen van verzoeker van advocaat E. Wouters die verschijnt voor verzoeker en van advocaat H. Lamon die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker bij besluit van 22 februari 1994 door de gemeenteraad van Hasselt tot ingenieur-diensthoofd op proef wordt benoemd en op 16 maart 1994 in dienst van de stad treedt; dat hij met brief van 6 juni 1994 aan het college van burgemeester en schepenen vraagt hem ontslag te verlenen; dat hij op 13 juni 1994 aan het college vraagt de brief van 6 juni 1994 als nietig te beschouwen; dat de gemeenteraad op 28 juni 1994 verzoekers ontslag aanvaardt, met ingang van 1 augustus 1994; dat de gouverneur van de provincie Limburg de gemeenteraadsbe- slissing op 21 september 1994 in haar tenuitvoerlegging schorst om reden dat de gemeenteraad een ontslag heeft aanvaard dat op regelmatige wijze werd ingetrokken; dat het college van burgemeester en schepenen verzoeker op 29 september 1994 tot 31 juli 1995 verlof wegens persoonlijke aangelegenheden verleent voor het vervullen van een stageperiode bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap; dat op 24 oktober 1994 de stadssecretaris tegen verzoeker een tuchtverslag opstelt, waarin hem onder meer wordt verweten aan zijn beroepsplichten tekort te zijn gekomen door op 5 augustus 1994 zonder toelating in het kantoor van hoofdingenieur-directeur Vandeputte te zijn binnengedrongen en er het dossier “aanleg toegangsweg Japanse tuin” te hebben ontvreemd; dat de gemeenteraad op 20 december 1994 de ten laste gelegde feiten “voldoende aangetoond” bevindt en verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege oplegt; dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden de tuchtstraf op 17 maart 1995 goedkeurt; Overwegende dat in het auditoraatsverslag ambtshalve de “onbevoegdheid van de auteur van het ontslag” wordt opgeworpen; dat in essentie wordt toegelicht dat de tuchtstraf onder andere is opgelegd wegens een feit dat zich heeft voorgedaan op 5 augustus 1994, dat toén verzoeker niet meer in dienst was XII-1655-2/4 aangezien zijn ontslag op 28 juni 1994 met ingang van 1 augustus 1994 was aanvaard, dat bij gebreke aan een professionele band met de stad, hij geen enkele verplichting ten aanzien van de stad meer had, dat het betrokken feit dan ook niet als een tuchtfeit in aanmerking mocht worden genomen, en dat de tuchtstraf “gebaseerd als ze is op minstens één tuchtfeit waarop ze niet mocht zijn gebaseerd, door onregelmatigheid [is] aangetast”; dat besloten wordt dat de gemeenteraad er niet toe bevoegd was verzoeker te ontslaan “op grond van o.m. een tuchtfeit waarvan is vastgesteld dat dit orgaan er niet toe bevoegd was dit als een tuchtfeit te kwalificeren omdat het op dat ogenblik over geen enkele tuchtbevoegdheid ten aanzien van verzoeker beschikte”, en dat aldus ook het bestreden goedkeuringsbesluit door onrechtmatigheid is aangetast; Overwegende dat de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege, die door het bestreden ministerieel besluit wordt goedgekeurd, door de gemeenteraad van Hasselt is opgelegd op 20 december 1994; dat buiten kijf is dat verzoeker op dat moment in dienst van de stad Hasselt was; dat de eerdere aanvaarding van zijn vrijwillig ontslag, met ingang van 1 augustus 1994, door de gouverneur was geschorst; dat bovendien de stad geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om het geschorste besluit te rechtvaardigen, en het tuchtrechtelijk ontslag uitwees dat dit niet meer zou gebeuren ook; dat voor zoveel de tweede verwerende partij in de gegeven omstandigheden uit de opgelegde tuchtstraf al niet de impliciete intrekking moest afleiden, door de gemeenteraad, van de aanvaarding van het vrijwillig ontslag, zij op 17 maart 1995 ten minste diende vast te stellen dat de aanvaarding van het ontslag de “straffe van nietigheid”, bedoeld in artikel 30, § 2, tweede lid, van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, had opgelopen, en bijgevolg om díe reden juridisch waardeloos moest worden geacht; Overwegende dat uit de intrekking of de nietigheid van de ontslagaanvaarding mogelijk ook gevolgtrekkingen te maken zijn in verband met de vraag die het auditoraatsverslag aan de orde stelt, te weten of de gemeenteraad van Hasselt op 20 december 1994 al dan niet gerechtigd was voor verzoekers ontslag van ambtswege mee steun te zoeken in een feit dat betrokkene op 5 augustus 1994 pleegde; dat evenwel de vraag of het feit van 5 augustus 1994 een inbreuk uitmaakt op verzoekers beroepsplichten, niet een eventueel bevoegdheidsgebrek van het opgelegde ontslag betreft, maar een inhoudsgebrek; XII-1655-3/4 Overwegende dat niet blijkt dat de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf uitgaat van een daartoe wettelijk niet bevoegde overheid; dat, in zoverre er reden zou zijn om te betwijfelen dat het ontslag op deugdelijke grond berust, die kwestie niet van openbare orde is en geen aanleiding geeft tot het aanvoeren van een ambtshalve middel, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1655-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.475 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.127.985 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.126 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.