← België

Arrest 146476 - - 23/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.476 Rolnummer: A. 68607/XII-1861 Zaak: Arrest 146476 - - 23/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-29 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 18:52 Fiche Arrest nr 146.476 van 23 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.476 van 23 juni 2005 in de zaak A. 68.607/XII-

  1. In zake : de CVBA INTERCOMMUNALE VERENIGING LAND VAN AALST, die woonplaats kiest bij advocaat H. Derde, kantoor houdende te Heverlee, Ijzerenmolenstraat 56 tegen : de STAD GERAARDSBERGEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de CVBA Intercommunale vereniging Land van Aalst (ILVA) op 20 april 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 18 december 1995 van de gemeenteraad van Geraardsbergen tot heffing, voor de dienstjaren 1996 tot 2000, van een belasting op het aanvoeren of laten aanvoeren van afvalstoffen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 23 maart 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure en de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 17 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-1861-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Derde, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat S. Van De Putte, die loco advocaat E. De Hauw verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gemeenteraad van Geraardsbergen op 18 december 1995 beslist voor de dienstjaren 1996 tot 2000 een belasting te heffen op het aanvoeren of laten aanvoeren van afvalstoffen op de daartoe vergunde stortplaatsen en/of verwerkingsinstallaties; dat de belastingplichtigen die afvalstoffen aanvoeren of laten aanvoeren een belasting verschuldigd zijn van 300 frank per ton; Overwegende dat verwerende partij verzoeksters belang bij het beroep betwist; dat zij daartoe doet gelden dat verzoekster “niet wordt aangeduid als belastingplichtige en daarenboven wettelijk ontheven is van betaling van welkdanige belasting”; Overwegende dat verzoekster niet betwist zelf geen belastingplichtige te zijn; dat zij integendeel in haar eerste middel juist aanvoert op grond van artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales vrijgesteld te zijn van alle belastingen ingevoerd door de gemeen- ten; Overwegende dat, om niettemin haar belang te staven, verzoekster doet gelden, ten eerste dat zij op het grondgebied van de stad een verwerkings- installatie en een stortplaats bezit en het gevaar loopt dat aanvoerders van afvalstof- fen vanwege de belasting uitwijken naar andere gemeenten, zodat haar inkomsten “aanzienlijk kunnen dalen”, ten tweede dat de wet in die zin kan gewijzigd worden “dat gemeenten wel degelijk belastingen mogen heffen lastens intercommunales”, en ten derde dat de rechtszekerheid vereist dat onwettige akten uit het rechtsverkeer worden verwijderd; Overwegende, in verband met het nadeel dat belastingplichtige derden verzoeksters verwerkingsinstallatie en stortplaats zullen vermijden, dat het XII-1861-2/4 onrechtstreeks is; dat het bovendien zeer onzeker is; dat, in het verzoekschrift, verzoekster zich er toe beperkt te poneren, zonder enige precisering of verduidelijking, dat derden-aanvoerders “zouden [...] kunnen uitwijken”; dat het denkbeeldige karakter van het nadeel door de laatste memorie alleen maar bevestigd wordt; dat uit de memorie wordt opgemaakt dat het nadeel zich vooralsnog niet heeft voorgedaan; dat weliswaar verzoekster laat uitschijnen dat daar in de toekomst verandering in kan komen; dat ook dit -weer- niet meer dan een loutere hypothese betreft; Overwegende, immers, dat verzoekster in verband met de verwerkingsinstallatie te Schendelbeke verwijst naar onderhandelingen met NV Van Rymenant “aangaande nieuwe voorwaarden voor de uitbating van de GFT installa- tie”, welke voorwaarden ten gevolge van de aangevochten belasting voor de gemeente ongunstiger dreigen te zijn dan de oude voorwaarden; dat de uitkomst van die onderhandelingen ongewis is en, bovendien, de onderhandelingen kennelijk betrekking hebben op de periode nà het verstrijken van het eerste vijfjarige tijdvak waarvoor de originele, in 1996 tussen verzoekster NV Van Rymenant gesloten onderhouds- en uitbatingsovereenkomst (stuk 16 van verzoekster) gold; dat dan echter de bestreden belasting niet meer vigeert; dat met betrekking tot de stortplaats te Smeerebbe-Vloezegem, intussen gesloten ten gevolge van “het afvalstoffenplan van de Vlaamse overheid”, het beweerde toekomstige nadeel zich alleen kan voordoen “indien ILVA zou overwegen tot heruitbating van het stort [...] over te gaan”; dat die theoretische mogelijkheid bezwaarlijk een zeker en actueel belang kan staven; Overwegende dat ook de enkele mogelijkheid van een wijziging in de regelgeving, waardoor verzoekster alsnog belastingplichtig zou worden, niet het vereiste belang kan verantwoorden; dat overigens niet wordt beweerd of blijkt dat de mogelijkheid zich vóór het verstrijken van de geldingsduur van de aangevochten belasting effectief gerealiseerd heeft; Overwegende, ten slotte, dat in zoverre verzoeksters belang de rechtszekerheid en de duidelijkheid in het algemeen betreft, het opgaat in het belang dat iedere burger heeft bij de handhaving van de wettelijkheid; dat een dergelijk belang onvoldoende persoonlijk is; XII-1861-3/4 Overwegende dat de exceptie gegrond is; dat verzoekster niet doet blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevorderde nietigverklaring; dat haar beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1861-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.476 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.