id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.477 Rolnummer: A. 161680/XII-4433 Zaak: Arrest 146477 - - 23/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-28 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 18:52 Fiche Arrest nr 146.477 van 23 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.477 van 23 juni 2005 in de zaak A. 161.680/XII-
- In zake : de BVBA ALGEMENE ONDERNEMINGEN VERHEYE, die woonplaats kiest bij advocaat D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 8b tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat K. Ronse, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA Algemene Ondernemingen Verheye op 13 april 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing s.d. waarbij de voorwaarden voor de kandidatuurstelling voor de uitvoering van de opdracht - Uitvoeren van onderhoudsbaggerwerken in de jacht- en vissershaven van Nieuwpoort, Oostende, Blankenberge en Zeebrugge (dossier 519/BAG), zoals gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen van 11 maart 2005, vastgelegd worden”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur L. Vermeire; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 31 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 juni 2005, om 10.30 uur; XII-4433-1/11 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Van Heuven, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat V. Petitat, die loco advocaat K. Ronse verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. Haesbrouck; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de voor de beoordeling van de vordering tot schorsing relevante gegevens als volgt kunnen worden geschetst : 1.
- Op 11 maart 2005 wordt de aankondiging van de opdracht, “uitvoering van onderhoudsbaggerwerken in de jacht- en vissershavens van Nieuwpoort, Oostende, Blankenberge en Zeebrugge”, van het Vlaamse Gewest, ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, Administratie Waterwegen en Zeewezen, Afdeling Kust, bekend gemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen. Het betreft een aanneming van werken omschreven als “Uitvoeren van onderhoudsbaggerwerken in de jacht- en vissershavens van Nieuwpoort, Oostende, Blankenberge en Zeebrugge, gedurende vier
(4)jaar, tweemaal verlengbaar voor een periode van één jaar. De te baggeren specie bestaat hoofdzakelijk uit slib en een kleine hoeveelheid zand. De baggerwerken worden gestuurd en geleid door de aanbestedende overheid. De taak van de aannemer bestaat erin het nodige materieel en personeel gebruiksklaar ter beschikking te stellen en daarmee de wekelijks door de aanbestedende overheid gegeven opdrachten uit te voeren. De baggerwerken worden hoofdzakelijk uitgevoerd met modern en milieuvriendelijk materieel, in hoofdzaak cutterzuigers en voor de vaargeul in Nieuwpoort een sleephopperzuiger. De aannemer moet in staat zijn de gebaggerde specie aan land op de spuiten alsook te storten in zee. Het storten in zee op de De opdracht is verdeeld in twee percelen : XII-4433-2/11 - perceel 1 : baggerwerken in Nieuwpoort - perceel 2 : baggerwerken in Oostende, Blankenberge en Zeebrugge. De jaarlijks te baggeren volumes worden geschat op gemiddeld : - perceel 1 : toegangsgeul Nieuwpoort en havengeul : 125 000 TDS (Ton Droge Stof); tijzones van de haven van Nieuwpoort : 250 000 m³ - perceel 2 : tijzones van de jacht- en vissershavens van Oostende : 50 000 m³; havengeul Blankenberge : 35 000 m³; tijzones van de haven van Blankenberge : 125 000 m³; tijzones van de jacht- en vissershavens van Zeebrugge : nihil 1.
- De opdracht zal worden gegund met een beperkte offerteprocedure waarbij kandidaturen kunnen worden ingediend. De overheid neemt zich voor vervolgens vijf ondernemingen uit te nodigen tot inschrijving en de economisch meest voordelige offerte uit te kiezen op grond van de in het bestek vermelde gunningscriteria. 1.
- In punt III.2 van de aankondiging worden de volgende voorwaarden voor deelneming bepaald en wel als volgt : “III.2 Voorwaarden voor deelneming : [...] III.2.1.
- Economische en financiële draagkracht, verlangde bewijsstukken : Een getuigschrift van erkenning in de categorie A wordt vereist. Minimale vereiste klasse voor perceel 1 : klasse 7; voor perceel 2 : klasse 6; voor beide percelen samen : klasse 8 [...] Opgave omzet (met accountantsverklaring) van de door de kandidaat uitgevoerde baggeractiviteiten in tijgebonden maritieme milieus. De gemiddelde jaarlijkse omzet over de laatste drie jaar zal minimaal bedragen : perceel 1 : 6.000.000 EUR perceel 2 : 3.500.000 EUR. III.2.1.
- Technische bekwaamheid, verlangde bewijsstukken : Een opgave van de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting van de onderneming en de omvang van haar kader gedurende de laatste drie jaren met opgave van de aanwezige know-how (diploma’s en C.V. met uitgebreide relevante ervaringen) bij het kader en het leidinggevend personeel. Een uitgebreide opgave van de werktuigen, het aangepast materieel en de technische uitrusting waarover de kandidaat beschikt of zal beschikken. Een opgave, gestaafd door getuigschriften van goede uitvoering, van analoge baggerwerken in een periode van vijf jaar voorafgaande aan onderhavige offerteaanvraag. Onder analoge baggerwerken wordt verstaan : kleinschalige (onder andere jacht- en vissershavens of zones met analoge randvoorwaarden qua oppervlakte, aanwezigheid van vlottende en/of vaste aanmeerconstructies, XII-4433-3/11 (...) baggerwerken in tijgebonden maritieme milieus waarvan het totaal te baggeren volume minimaal 50.000 m³ bedraagt. Met deze lijst moet de kandidaat kunnen aantonen dat hij voldoende ervaring heeft met het uitvoeren van dergelijke baggerwerken”. 1.
- De verzoekende partij beschikt over een erkenning onder meer in klasse 7, categorie A zijnde, overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 26 september 1991 tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, een erkenning voor het uitvoeren van algemene aannemingen van baggerwerken tot een maximaal bedrag per opdracht van 5.330.000 euro, BTW niet inbegrepen. 1.
- De verzoekende partij diende op 13 april 2005 samen met zeven andere ondernemingen of tijdelijke handelsvennootschappen een kandidatuur in voor de in het geding zijnde opdracht;
- De grondvoorwaarden tot schorsing. 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij een enig middel neemt uit “de schending van de artikelen 16, tweede lid en 19 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, van artikel 1, § 1, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, van het algemene mededingingsprincipe en van het beginsel waardoor de overheid de gelijkheid onder kandidaat-inschrijvers moet respecteren en van het algemene materiële en formele motiveringsbeginsel”; dat de verzoekende partij dit middel ontwikkelt als volgt : XII-4433-4/11 “
- In de bestreden beslissing worden bijzonder zware vereisten gesteld met betrekking tot de economische en financiële draagkracht enerzijds en de technische bekwaamheid anderzijds : - een omzet die over de laatste drie jaar minimaal bedraagt: ! voor perceel 1: i 6 000 000 ! voor perceel 2: i 3 500 000 - een ervaring in baggeractiviteiten in tijgebonden maritieme milieus; - een opgave van analoge baggerwerken in de periode van 5 jaar in tijgebonden maritieme milieus waarvan het totaal te baggeren volume minimaal 50 000 m³ bedraagt. Met deze lijst moet de kandidaat kunnen aantonen dat hij voldoende ervaring heeft met het uitvoeren van dergelijke baggerwerken.
- Door deze voorwaarden, wordt, wat Belgische bedrijven betreft, de mededinging beperkt tot drie bedrijven: de nv Jan De Nul, de nv Dredging International en diens zusterbedrijf de nv Decloedt. Verzoekende partij licht een en ander toe. De baggerwerken in tijgebonden en maritieme milieus welke in België worden uitgevoerd, zijn ten node sterk beperkt. De enige opdrachten die op de markt komen zijn deze van de baggerwerken voor de maritieme toegang van de zeekusthavens, [...] de verdiepingswerken aan de Westerschelde, de tijgebonden baggerwerken aan de haven van Antwerpen [...] de zandwinning op zee en tenslotte de onderhoudsbaggerwerken in de jacht- en vissershavens van Nieuwpoort, Oostende, Blankenberge en Zeebrugge. Het gaat telkens om langdurige contracten. Wat de eerste vier opdrachten betreft gaat het bovendien om bijzonder grootschalige werkzaamheden, waarvoor speciale apparatuur moet ingezet worden. In de praktijk zijn al deze opdrachten sedert jaar en dag - minstens sedert 20 jaar -, traditiegetrouw toevertrouwd aan hoger vermelde bedrijven. Enkel aan hen! Telkens worden de voorwaarden zo hoog gesteld dat andere kandidaten zoals verzoekende partij, de facto worden uitgesloten.[...]
- Voor verzoekende partij is deze opdracht de uitgelezen kans om binnen te breken in de wereld van baggerwerken in tijgebonden maritieme milieus, en daar de nodige referenties op te bouwen. Anders dan de overige opdrachten hoger vernoemd in maritieme milieus, zijn de baggerwerken van de jacht- en visserhavens diegene die het nauwst aansluiten met de dagdagelijkse activiteit van verzoekster, met name de baggerwerken in (zoetwater) binnenhavens en binnenwateren. Aldaar heeft verzoekster een zeer ruime ervaring, ten bewijze haar erkenning klasse 7 A (zie referentielijst) [...] Verzoekende partij merkt op dat zij als bedrijf geen ervaring heeft met baggerwerken in tijgebonden maritieme milieus, maar dat in haar bedrijf heel wat gespecialiseerde kennis voorhanden is : - haar zaakvoerder, de heer Dirk Geeraerts, was gedurende jaren actief bij de nv Dredging International en heeft aldaar belangrijke baggerwerken in tijgebonden maritieme milieus begeleid [...]; - haar projectleider, de heer Bruno Desplenter, was gedurende jaren werkzaam bij de nv Jan De Nul, en heeft aldaar belangrijke baggerwerken in tijgebonden maritieme milieus beleid[...] Technisch gezien, en hetzelfde geldt voor wat betreft de omvang der werken [...] - is er nauwelijks onderscheid tussen de baggerwerken uitgevoerd in jacht- en visserhavens en deze in niet tijgebonden binnenhavens / binnenwateren : - Bij tijgebonden maritieme milieus is er inderdaad zout water, terwijl er in binnenwater zoet water is. Dit gegeven heeft geen, minstens geen significante impact op het uitvoeren van de baggerwerken zelf; - Bij tijgebonden milieus is er, zoals de term zelf laat blijken, sprake van hoog en van laag tij, en van golven en stromingen, terwijl dit niet of minder het geval is hij binnenwateren. Hier benadrukt verzoekster dat de jacht- en XII-4433-5/11 visserhavens allen ommuurd zijn, zodat golven en stromingen er significant minder spelen. Wat blijft is dat het water de ene maal hoger staat dan de andere maal, doch dit is niet van die aard om de baggerwerken technisch gezien moeilijker, of significant moeilijker te maken. De omstandigheid dat er sprake is van getijden, betekent enkel dat de aannemer dit bij de planning van de werken indachtig dient te zijn (indien het water te hoog staat, zal gebeurlijk niet gebaggerd kunnen worden). Niets meer, niets minder.
- Algemeen wordt er van uit gegaan dat het systematisch opvragen van alle bewijzen, documenten en gegevens in het K.B. van 8 januari 1996 met betrekking tot de kwalitatieve selectie opgesomd, moet worden voorkomen. In de omzendbrief van 10 februari 1998 wordt benadrukt dat de aanbestedende overheid haar vragen met betrekking tot de kwalitatieve selectie moet aanpassen aan wat noodzakelijk of nuttig lijkt om haar beslissing inzake selectie te rechtvaardigen. In dit verband wordt opgemerkt dat voor overheidsopdrachten voor aannemers van werken, zoals in casu, de in het K.B. van 8 januari 1996 neergelegde regeling in een belangrijke mate dubbel gebruik uitmaakt met de reglementering op de erkenning van aannemers, welke reglementering de minimale voorschriften bepaalt voor de kwalitatieve selectie met betrekking tot de opdrachten voor aanneming van werken. Derhalve bepaalt artikel 16, 1e lid, van het K.B. van 8 januari 1996 dat de aanbestedende overheid kan oordelen dat de minimum voorwaarden van financiële, economische en technische aard, vereist krachtens de wetgeving betreffende de erkenning van aannemers van werken, voldoende kan zijn. In eerste instantie zal de erkenning dus als waarborg gelden voor het financieel, economisch en technisch vermogen van de aannemer. Enkel indien dit nuttig of nodig is kunnen er aanvullende eisen worden gesteld op basis van artikel 19 van het K.B. van 8 januari
- Daarbij zal de aanbestedende overheid er moeten op toezien dat geen bekwaamheidsniveaus worden opgelegd die, rekening houdend met de omvang en de moeilijkheidsgraad van de werken, niet op redelijke wijze kunnen gerechtvaardigd worden [...] en die in werkelijkheid van die aard zijn om een normale mededinging onmogelijk te maken, bijvoorbeeld doordat de mededinging beperkt blijft tot steeds hetzelfde kransje van aannemers.
- Verzoekende partij herhaalt dat in casu het bestek geschreven is voor, voor wat de Belgische bedrijven betreft, de aannemers nv Jan De Nul, nv Dredging International en de nv Decloedt. [...] Andere Belgische gegadigden kunnen onmogelijk beantwoorden aan de gestelde financiële en technische vereisten. Enerzijds omdat de zeer beperkt in aantal zijnde overheidsopdrachten in tijgebonden maritieme milieus telkens financiële en technische vereisten stellen die dermate zwaar zijn dat zij enkel door de “grote drie”’[...] kunnen worden gerespecteerd. En anderzijds omdat ook de gevraagde omzet en baggervolumes dermate hoog zijn dat, los van de ervaring in tijgebonden maritieme milieus, enkel de allergrootste bedrijven in aanmerking komen. Consequentie van dit alles is dat er een gesloten systeem bestaat van aannemers, waarbij alle opdrachten telkens weer aan dezelfde drie worden verdeeld, zonder dat nieuwkomers enige kans maken. Verzoekende partij herhaalt dat precies de opdracht inzake de jachthavens en de vissershavens de andere baggeraars een uitgelezen kans biedt ervaring op te doen en referenties uit te bouwen in tijgebonden maritieme milieus. Verzoekende partij benadrukt nogmaals dat het hier precies de baggeractiviteiten betreffen in maritieme milieus die het nauwst aansluiten met de baggeractiviteiten in niet-tijgebonden milieus, terwijl technisch gezien, de verschillen tussen beide milieus tot een absoluut minimum herleid zijn. Met andere woorden, er zijn geen financiële, noch technisch verantwoorde redenen voorhanden niet aangegeven om precies deze maritieme markt niet open te XII-4433-6/11 gooien tot het op zich reeds beperkt kransje van aannemers die respectievelijk beschikken over een erkenning 6A, 7A en 8A.
- Verzoekster herhaalt een laatste maal. Door de bestreden beslissing wordt een feitelijk monopolie gecreëerd waarbij de markt van de maritieme baggerwerken wordt beperkt tot drie, lees twee, bedrijven, zonder enige mogelijkheid voor nieuwkomers om ooit in te breken. [...]
- Verzoekster dient ten andere vast te stellen dat in de aankondiging nergens een motivering voor de hoger genoemde bijzonder zware vereisten terug gevonden kan worden, zodat er onmiskenbaar sprake is van een schending van het materiële motiveringsbeginsel”; 2.
- Overwegende dat artikel 1, § 1, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, bepaalt hetgeen volgt : “De overheidsopdrachten voor aanneming van werken [...] worden gegund na mededinging [...]”; dat artikel 16 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken in zijn eerste en tweede lid stelt : “Bij openbare aanbesteding en bij algemene offerteaanvraag, gaat de aanbestedende overheid op grond van de inlichtingen betreffende de eigen situatie van ieder aannemer en van de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de financiële, economische en technische minimumeisen overeenkomstig de [artikelen 17 tot 20] van dit besluit over tot de kwalitatieve selectie van de inschrijvers. [Evenwel en onverminderd de toepassing van artikel 17, kan de aanbestedende overheid echter oordelen dat de minimumvoorwaarden van financiële, economische en technische aard, vereist krachtens de wetgeving betreffende de erkenning van aannemers van werken, voldoende zijn]. Bij beperkte aanbesteding, bij beperkte offerteaanvraag en bij [onder- handelingsprocedure met bekendmaking bij de aanvang van de procedure in de zin van artikel 17, § 3, van de wet], kiest de aanbestedende overheid uit degenen die aan de in [artikelen 17 tot 20] van dit besluit gestelde kwalificaties voldoen de gegadigden die ze respectievelijk uitnodigt een offerte in te dienen of deel te nemen aan de onderhandelingen op grond van inlichtingen betreffende de eigen situatie van de aannemer en van de inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van de financiële, economische en technische minimumeisen waaraan hij moet voldoen.”; dat artikel 18 van hetzelfde besluit bepaalt : “Onverminderd de bepalingen betreffende de erkenning van aannemers van werken, kan de financiële en economische draagkracht van de aannemer, over het algemeen, aangetoond worden door één of meer van de volgende referenties : [...]”; dat artikel 19 van hetzelfde besluit bepaalt : XII-4433-7/11 “Onverminderd de bepalingen betreffende de erkenning van aannemers van werken, kan de technische bekwaamheid van de aannemer aangetoond worden door één of meer van de volgende referenties : [...]”2”; Overwegende dat uit de voormelde bepalingen lijkt te mogen worden afgeleid dat zowel voor financiële en economische draagkracht als voor technische bekwaamheid aan inschrijvers bijkomende eisen mogen worden gesteld, zij het dat deze handelwijze op deugdelijke motieven moet zijn gesteund, vooral te betrekken op de bijzondere aard van de opdracht en niet tot doel mogen hebben dat zij de mededinging, in het voordeel van een of meer inschrijvers vervalsen en dus de gelijkheid der inschrijvers verbreken; Overwegende dat te dezen de verzoekende partij die laatste beschuldiging uit; dat haar argumenten die ze staven dienen te worden onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partij in de eerste plaats aanstoot neemt aan de opgelegde omzet van 6 en 3,5 miljoen euro over de laatste drie boekjaren, respectievelijk voor perceel 1 en perceel 2; dat een dergelijke vereiste lijkt te kunnen worden gesteld, rekening houdend met het bedrag van de opdracht; dat immers te dezen de opdracht verlengbaar is tot zes jaar en de gevraagde jaaromzet lijkt te beantwoorden aan de geraamde jaarlijkse waarde van beide percelen, namelijk 4.923.072 euro zonder BTW voor perceel 1 en 2.967.000 euro zonder BTW voor perceel 2 zodat de opgelegde omzet op zichzelf geen ondeugdelijk gemotiveerde vereiste lijkt; Overwegende dat de verzoekende partij zich voorts keert tegen het in het kader van de technische bekwaamheid voorgeschreven 50.000 m³ minimaal gebaggerde volume; dat dit volume echter overeenstemt met het in de aankondiging vermelde kleinste te baggeren deel van de opdracht, namelijk het deel Oostende van perceel 2 zodat ook tegen de keuze van een dergelijk volume, wat de motivering betreft, niets in te brengen lijkt; Overwegende dat de verzoekende partij in de derde plaats de ervaring, zowel wat de financiële waarde van opdrachten als wat het voormelde volume betreft, van baggeractiviteiten in “tijgebonden maritieme milieus” blijkbaar een te hoge vereiste vindt; dat zij daarbij het verschil tussen baggeractiviteiten in dergelijke milieus en in niet tijgebonden binnenhavens/binnenwater niet significant XII-4433-8/11 noemt; dat daartegenover het standpunt staat van de verwerende partij dat het baggerwerk in de kustjachthavens eigen materieel en een eigen methodologie vergt; Overwegende dat, ongeacht de vraag of de Raad van State dit geschilpunt al vermag te beoordelen zonder voorgelicht te worden door deskundigen ter zake, daarbij in de huidige stand van het geding dient te worden vastgesteld dat in het verzoekschrift niet prima facie concreet en specifiek wordt aangetoond dat er geen of geen significante verschillen zijn tussen dergelijke baggerwerken; dat immers het argument dat deze jacht- en vissershavens ommuurd zijn zodat de invloed van golven en stromingen beperkt wordt, daartoe niet lijkt te volstaan, alleen al omdat daarmee niet is aangetoond dat daardoor deze invloed identiek is als in niet tijgebonden milieus, nog los van de vaststelling dat in de voorliggende opdracht er blijkbaar ook activiteiten zijn op zee, namelijk storten van slib en voorts los van de vraag of dit argument van ommuring ook geldt voor de baggeractiviteiten in de toegangsgeul tot de haven van Nieuwpoort en de havengeul - waar volgens de aankondiging van de opdracht de baggerwerken worden uitgevoerd met sleephopperzuigers terwijl in de resterende zones dit met cutterzuigers gebeurt; dat voorts de verzoekende partij zelf van een verschil gewag maakt, namelijk dat bij de planning rekening zal moeten worden gehouden met het getij; dat ook het besproken argument niet lijkt stand te houden; Overwegende dat aldus de vereisten die de verzoekende partij aan kritiek onderwerpt, niet op een dergelijke wijze lijken te zijn opgesteld dat zij reeds op zichzelf afbreuk zouden doen aan de nodige mededinging en gelijkheid tussen de inschrijvers; Overwegende dat de verzoekende partij ervan uitgaat dat zij in elk geval toch tot gevolg hebben dat enkel aan welbepaalde Belgische ondernemingen de opdracht wordt gegund; dat de verzoekende partij echter vergeet dat voor de opdracht niet enkel Belgische ondernemingen maar ook een Nederlandse vennootschap kandidaat is en enkele tijdelijke handelsvennootschappen met zowel Nederlandse vennootschappen als een Deense vennootschap als deelgenoten; dat er in totaal acht inschrijvers zijn, naast de verzoekende partij; dat hieruit althans in de huidige stand van de procedure mag worden afgeleid dat de verdachtmaking ten opzichte van bepaalde ondernemingen en hun “feitelijke monopolie”, niet hard gemaakt wordt; XII-4433-9/11 Overwegende ten slotte, in de mate in het middel ook wordt verwezen naar de schending van “het algemene materiële en formele motiverings- beginsel”, dient te worden vastgesteld dat in het verzoekschrift in dit verband enkel specifiek wordt gesteld -in randnummer 7- dat in de aankondiging nergens een motivering van de bekritiseerde vereisten teruggevonden kan worden “zodat er onmiskenbaar sprake is van een schending van het materiële motiveringsbeginsel”; dat, in de mate aldus verwezen wordt naar de schending van de materiële- motiveringsplicht, die grief samenvalt met de reeds besproken andere onderdelen van het middel; dat, wat betreft het ingeroepen “algemene formele motiverings-beginsel”, door de verzoekende partij niet wordt aangetoond dat dergelijk algemeen beginsel bestaat en evenmin dat het vaststellen van de bestreden bepalingen onderworpen is aan een formele motiveringsplicht; dat dienvolgens het middel in zijn geheel niet ernstig is; dat aldus niet voldaan is aan de eerste van de voorwaarden gesteld in artikel 17, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen; dat het aldus niet meer noodzakelijk is de exceptie van niet-ontvankelijkheid te onderzoeken die de verwerende partij heeft opgeworpen betreffende de aanvechtbaarheid van de bestreden beslissing, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4433-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2005, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4433-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.477 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.277 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div