id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.478 Rolnummer: A. 63673/XII-1919 Zaak: Arrest 146478 - - 23/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 18:53 Fiche Arrest nr 146.478 van 23 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.478 van 23 juni 2005 in de zaak A. 63.673/XII-1919. In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. Ghoos, kantoor houdende te 1050 Brussel, Franklin D. Rooseveltlaan 89, bus 7 tegen : de STAD BRUSSEL. -------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE RAAD VAN S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 6 mei 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 maart 1995 van de gemeenteraad van de stad Brussel waarbij hij als stagedoend politieagent met ingang van 7 maart 1995 tuchtrechtelijk wordt afgezet; XII-1919-1/18 Gelet op het arrest nr. 56.025 van 25 oktober 1995 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur-generaal M. Roelandt; Gelet op de beschikking van 30 maart 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2004; Gelet op het uitstel van de zaak tot de terechtzitting van 18 januari 2005; XII-1919-2/18 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat V. Schippers, die loco advocaat W. Muls verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. 1.1. Overwegende dat de Raad van State de feiten die tot de bestreden tuchtmaatregel hebben geleid, in zijn voormeld arrest nr. 56.025 als volgt heeft samengevat : “Overwegende dat verzoeker sinds 4 oktober 1991 stagedoend politieagent was bij de stad Brussel; dat zijn stageperiode normaal één jaar moest duren en binnen twee maanden na de beëindiging ervan, het zij begin 1993, een beslissing had moeten zijn genomen om verzoeker vast te benoemen of af te danken, wat nog niet was XII-1919-3/18 gebeurd; dat, blijkens een 29 januari 1993 gedateerd verslag van adjunct-politiecommissaris [SG], verzoeker op 28 januari 1993 betrokken was bij een verkeersongeval te Haren; dat hij na uit een privé-woning de politieafdeling telefonisch te hebben gecontacteerd, zijn dienstwapen leegschoot tegen een wand van die woning, dat hij daarna in shocktoestand werd overgebracht naar het Brugmannziekenhuis waar hij in behandeling is gebleven tot 31 januari 1993”; 1.2. Overwegende dat het bestreden besluit is gemotiveerd als volgt : “Gelet op de Nieuwe Gemeentewet, inzonderheid de beschikkingen van titel XIV ‘de tuchtregeling’; Gelet op het algemeen stadsambtenarenreglement [...] Overwegende dat betrokkene de waardigheid van het ambt, inzonderheid dit van politieagent, erg in het gedrang heeft gebracht; Overwegende inderdaad dat betrokkene op 9 juni 1994 door de Politierechtbank van Brussel veroordeeld werd tot een geldboete van 200 F gebracht op 20.000 F of bij gebrek aan betaling binnen de gestelde termijn tot een vervangende gevangenisstraf van 45 dagen en een ontzetting uit het recht een motorvoertuig te besturen tot 1 juli 1995 wegens lichamelijke ongeschiktheid, de inbreuken te wijten zijnde aan het persoonlijk toedoen van betrokkene -het herstel in het recht te sturen werd afhankelijk gemaakt van het slagen voor het geneeskundig onderzoek- wegens : te Brussel op 28 januari 1993 XII-1919-4/18 A- een voertuig bestuurd of een rijdier geleid op een openbare plaats na alcoholische dranken in zodanige hoeveelheid te hebben gebruikt dat het alcoholgehalte in zijn bloed op het ogenblik dat hij bestuurde of geleidde, tenminste 0,8 gr per liter bedroeg, - als weggebruiker of bestuurder op de openbare weg : B- niet in staat geweest te sturen en niet de vereiste lichaamsgeschiktheid en de nodige kennis en rijvaardigheid te hebben bezeten, C- niet steeds in staat geweest te zijn alle nodige rijbewegingen uit te voeren en niet voortdurend zijn voertuig of dieren in de hand te hebben gehad, met de omstandigheid, wat betreft de betichting B en C, hij lichamelijk ongeschikt werd bevonden tot het besturen van een motorvoertuig; Overwegende dat dit vonnis in beroep door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, rechtsprekend in correctionele zaken, op 5 oktober 1994, in al zijn beschikkingen werd bevestigd behalve - in zoverre het herstel in het recht tot sturen van beklaagde afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor een geneeskundig onderzoek en, - in zoverre het beklaagde wegens lichamelijke ongeschiktheid ontzet heeft uit het recht een motorvoertuig van de categorieën A3 A2 A1 B C D E te besturen voor de periode nà heden (5 oktober 1994); Overwegende dat betrokkene bovendien op 28 januari 1993 een schandalig gedrag heeft vertoond; Overwegende inderdaad dat hij onmiddellijk na de verkeersfeiten, is gaan aanbellen bij het huis, gelegen [D] te [B] en vroeg om te telefoneren. Hij kreeg toegang tot het eerste verdiep. Volgens de bewoner slaagde hij er niet in zelf het nummer van de politie te XII-1919-5/18 vormen, zodat de bewoner het voor hem deed. Van zodra de communicatie tot stand kwam, heeft betrokkene zijn dienstwapen genomen, het gewapend en de loop tegen zijn hoofd gericht. Toen de bewoner riep dat hij dat daar niet moest doen, heeft hij het wapen naar deze laatste gericht, zeggende dat deze de keuken moest verlaten en bewerende dat hij politieofficier was. Nadat de bewoner hem aan de telefoon hoorde spreken, hoorde hij plotseling een vuurschot, ongeveer een minuut later verschillende schoten, het één na het ander. Daarna legde betrokkene zijn wapen op de keukentafel en ging naar beneden. De bewoner deed onmiddellijk beroep op de dienst '101'. Er werd vastgesteld dat een volledige lader van het dienstpistool -12 kogels- werd afgevuurd. De hulzen lagen gegroepeerd op de grond naast het telefoontoestel, de kogels waren diep in de muur en de boven- en onderkast van de keuken gedrongen; Overwegende dat betrokkene die dag zijn dienst sedert 14 u. beëindigd had, dat hij op het ogenblik der feiten bijgevolg niet met dienst was en aangezien hij ondertussen reeds zijn woonplaats had vervoegd, hij niet op de weg van of naar zijn werk was; Overwegende dat niettegenstaande dit alles, hij nog altijd drager van zijn dienstwapen was, wat verboden is; Overwegende dat, wanneer hij werd aangetroffen op de plaats der feiten, betrokkene achter het stuur van zijn wagen zat met ontbloot bovenlijf; zijn kleren lagen stukgescheurd op het dak van zijn wagen, die in het midden van de rijbaan stond; Overwegende dat de h. Procureur des Konings op 21 oktober 1994 meedeelde dat deze zaak zonder gevolg werd geklasseerd; Overwegende dat het dossier dat werd ter beschikking gehouden ter consultatie voor de leden van de Gemeenteraad, betrokkene en zijn eventuele verdediger, vergezeld was van een vertaling uitgevoerd door een beëdigd vertaler; Betrokkene en zijn verdediger gehoord in hun verklaringen; XII-1919-6/18 Overwegende dat de argumenten die hierin werden naar voor gebracht het voorwerp hebben uitgemaakt van een zorgvuldig onderzoek, dat niettemin een zeer strenge tuchtstraf zich opdringt gezien dergelijk gedrag niet verenigbaar is met de waardigheid van het ambt van politieagent”; 2. Het belang. Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting het belang van verzoeker betwist; dat zij daartoe betoogt dat hij politieagent te Molenbeek is; dat de exceptie niet wordt aangenomen; dat verzoeker, die als ambtenaar een tuchtstraf werd opgelegd, minstens een moreel belang behoudt om op te komen tegen de hem opgelegde tuchtstraf; 3. De gegrondheid van het beroep. 3.1.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel in een eerste onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de gemeenteraad het “niet nodig achtte om op de aangevoerde argumenten” te antwoorden en aldus de motivering XII-1919-7/18 “manifest onafdoende” is; dat verzoeker daar in zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie nog aan toevoegt dat de strafmaat enkel door stijlformules is gemotiveerd, dat verzoeker meerdere rechtvaardigingsgronden en verzachtende omstandigheden heeft ingeroepen die echter niet werden onderzocht, dat de overwegingen “gewoon enkele feiten opsommen” en nergens uit de beslissing blijkt dat er “zelfs enige afweging” heeft plaatsgevonden; Overwegende dat luidens de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 29 juli 1991 de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en deze afdoende moeten zijn; Overwegende dat te dezen blijkt dat de bestreden beslissing een uitdrukkelijke en omstandige motivering bevat; dat in de bestreden beslissing duidelijk is aangegeven om welke redenen verzoeker wordt afgezet; dat meer bepaald verzoeker wordt aangewreven dat hij de waardigheid van het ambt van politieagent erg in het gedrang heeft gebracht; dat de feiten die tot deze conclusie nopen worden vermeld, namelijk een zware strafrechtelijke veroordeling voor het besturen van een XII-1919-8/18 voertuig in staat van alcoholintoxicatie en het leegschieten van een dienstwapen buiten diensttijd in de woning van een particulier; dat voorts de nieuwe gemeentewet wat de daarin vervatte tuchtregeling betreft en het algemeen stadsambtenarenreglement zijn vermeld; dat voorts, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker betoogt, de genoemde artikelen niet voorschrijven of inhouden dat de gemeenteraad als tuchtoverheid alle argumenten die verzoeker deed gelden in de tuchtprocedure, in de motivering van de bestreden beslissing diende te beantwoorden; dat betreffende de strafmaat, de bestreden beslissing meer bevat dan stijlformules of een loutere opsomming van feiten; dat zowel van het vonnis als van het incident uitvoerig relaas wordt gegeven; dat aldus de motivering te dezen juridische en feitelijke overwegingen bevat die haar ten grondslag liggen, ze als afdoende moet worden beschouwd en verzoeker de kans gaf terdege te oordelen of het zin had zich tegen de beslissing op het stuk van de motieven te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt; dat aldus in elk geval het doel van de motiveringswet is bereikt; dat het middelonderdeel niet gegrond is; 3.1.2. Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel van het eerste middel betoogt dat de bestreden beslissing “het algemeen beginsel van de rechten van verdediging” schendt, dat “het recht om zijn XII-1919-9/18 standpunt naar voren te brengen onderdeel van het recht op verdediging, slechts enig nut vertoont als de argumenten die ter verdediging naar voren worden gebracht ook met zoveel woorden worden aanvaard of verworpen door de beslissingnemende overheid” en te dezen verzoeker “geenszins uit de mededeling van de beslissing kan afleiden welk gevolg werd gegeven aan de argumenten van verzoeker en om welke redenen deze redenen worden verworpen”; Overwegende dat verzoeker niet betwist dat hij zijn argumenten naar voor heeft kunnen brengen vooraleer de bestreden tuchtbeslissing is genomen; dat de wijze waarop vervolgens met die argumenten in de beslissing is omgegaan, niet meer het recht van verdediging betreft, maar de motiveringsverplichting die in het eerste onderdeel van het middel is besproken; dat het onderdeel niet gegrond is; dat het eerste middel dienvolgens in zijn geheel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel artikel 32 van het algemeen stadsambtenarenreglement van de stad Brussel geschonden noemt; dat hij die schending hierin ziet “dat de gemeentelijke overheid verzoeker moest benoemen als politieagent met ingang van 4 oktober 1992 terwijl de bestreden beslissing dd. 6 maart XII-1919-10/18 1995 verzoeker op grond van dezelfde feiten afzet”; dat met “dezelfde feiten” verzoeker blijkt te doelen op de feiten op grond waarvan hij bij besluit van 3 mei 1993 van de gemeenteraad werd afgedankt, welk besluit de Raad van State heeft nietigverklaard met zijn arrest nr. 46.898 van 18 april 1994; 3.2.2. Overwegende dat het ingeroepen artikel 32 bepaalt dat de beslissing om een personeelslid dat een stage heeft volbracht vast te benoemen of af te danken moet worden genomen binnen twee maand nadat de stage of de verlenging ervan verstreken is; dat de niet-naleving van die bepaling tot het arrest nr. 46.898 van 18 april 1994 heeft geleid; dat in de huidige zaak echter de vraag aan de orde is of verzoeker terecht tuchtrechtelijk is afgezet, voor welke vraag het zonder belang is of hij is afgezet in de hoedanigheid van stagedoend dan wel van vastbenoemd politieagent; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvullend betoogt dat het “bij het beoordelen van de feiten en het bepalen van de strafmaat” rekening moet worden gehouden met de hoedanigheid van het betrokken personeelslid en het dus van belang is of verzoeker de hoedanigheid van stagedoend dan wel van vastbenoemd XII-1919-11/18 politieagent zou hebben; dat dit argument echter niets afdoet aan de voornoemde conclusie betreffende het middel waarin immers enkel schending van het voornoemde artikel 32 wordt aangevoerd en geen schending van regels die de motivering van de bestreden beslissing betreffen of de verhouding tussen de beslissing en het ermee gesanctioneerd gedrag; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.0. Overwegende dat verzoeker in zijn derde middel de schending aanvoert “van de beginselen van behoorlijk bestuur”; 3.3.1.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel steunt op schending van de “rechten van verdediging” en daarin laat gelden, in de eerste plaats dat “de oproeping van verzoeker voor de gemeenteraad ontijdig gebeurde, waardoor de termijn om de verdediging voor te bereiden onvoldoende was”; Overwegende dat verzoeker niet betwist dat hij op 9 februari 1995 zijn oproeping ontving voor een hoorzitting op 6 maart 1995; XII-1919-12/18 Overwegende dat krachtens artikel 301 van de Nieuwe Gemeentewet het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid ten minste 12 werkdagen vóór zijn verschijning wordt opgeroepen voor de hoorzitting; dat verzoeker dus over een termijn voor de voorbereiding van zijn verdediging beschikte die merkelijk ruimer was dan de wettelijke minimumtermijn, waardoor de overheid een wettekst heeft nageleefd die inhoudelijk het betrokken beginsel concretiseert; dat verzoeker weliswaar gewag maakt van vakantie die hij vroeg om zijn verdediging voor te bereiden en die hij niet kreeg, en van een uitstel van de hoorzitting dat werd geweigerd door de burgemeester op grond van redenen die nergens door verzoeker werden betwist, behalve -in laatste memorie- wat de omvang van het dossier betreft; dat, rekening gehouden met het feit dat uit het administratief dossier niet blijkt dat verzoeker kopies nam en aangezien mag worden aanvaard dat hij uit zijn vorige procedure bekend was met zijn eigen dossier, de redenen om nog meer tijd te krijgen om zijn dossier voor te bereiden, aldus niet van die aard zijn om te doen besluiten dat die voorbereidingstijd onvoldoende was en het genoemde rechtsbeginsel daardoor geschonden was; 3.3.1.2. Overwegende dat een tweede schending van de rechten van verdediging volgens verzoeker hierin bestaat dat de oproeping voor XII-1919-13/18 de hoorzitting “onvolledig” was; dat hij nader betoogt dat hem in de oproeping “o.a. wordt verweten een 'schandalig gedrag' te hebben vertoond in het appartement van een persoon aan wie hij gevraagd had te kunnen telefoneren na de aanrijding en waarvoor [hij] het voorwerp [heeft] uitgemaakt van een gerechtelijk onderzoek”; dat voor hem die omschrijving “zeer vaag is en bovendien volstrekt onvolledig”; dat de vaagheid volgens hem “éénieder toelaat van om eendert welk gegeven in het dossier te weerhouden lastens verzoeker en zodoende naar believen zelf in te vullen welke gedraging als 'schandalig' moet worden aangemerkt”; dat de onvolledigheid voor hem blijkt uit het feit dat in het bestreden besluit tegen hem ook wordt ingebracht dat hij met ontbloot bovenlijf werd aangetroffen achter het stuur van zijn wagen zonder dat hij wist dat hij daarover een verdediging te voeren had; dat verzoeker in zijn laatste memorie daar nog aan toevoegt dat “zijn wagen in het midden van de rijbaan stond op de openbare weg en dus niet in het appartement van betrokken persoon” en hij “niet weet hoe [de] omstandigheid [te] worden aangetroffen achter het stuur van uw wagen met ontbloot bovenlijf (als manspersoon !)” als “schandalig kan worden omschreven”; XII-1919-14/18 Overwegende dat de opsomming van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, zoals weergegeven in de oproeping van 7 februari, luidt als volgt : “handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brachten, namelijk :
- a)in beroep veroordeeld te zijn geweest door de 46ste kamer van de Rechtbank van 1ste Aanleg te Brussel zetelend in correctionele zaken;
- b)een schandalig gedrag te hebben vertoond in het appartement van een persoon aan wie u gevraagd had om te kunnen telefoneren na de aanrijding en waarvoor u het voorwerp hebt uitgemaakt van een gerechtelijk onderzoek”. Overwegende dat de oproeping niet mag worden verweten “vaag” te zijn in verband met het “schandalig gedrag”; dat in die oproeping immers meteen de band is gelegd met het gerechtelijk onderzoek naar de betrokken feiten die verzoeker daardoor bekend moeten zijn geweest; dat overigens uit zijn ter gemeenteraadszitting van 6 maart 1995 neergelegde nota blijkt dat verzoeker goed wist voor welke gedragingen hij zich diende te verdedigen; dat verzoeker aldus niet aantoont hoe de afwezigheid van een meer gedetailleerde voorstelling van de hem ten laste gelegde feiten hem zou hebben geschaad in zijn belangen; XII-1919-15/18 Overwegende voorts dat de oproeping formeel weliswaar geen melding maakt van het feit dat verzoeker met ontbloot bovenlijf werd aangetroffen achter het stuur van zijn wagen; dat dit feit echter een nauwe relatie vertoont met zijn andere gedragingen op de bewuste dag, bij zoverre dat het mede het voorwerp uitgemaakt blijkt te hebben van voormeld gerechtelijk onderzoek; dat er ook melding van wordt gemaakt in diverse stukken van het tuchtdossier waarin het gebeuren van die dag als één verhaal wordt gerapporteerd; dat voorts in de voormelde neergelegde nota trouwens de materialiteit van dat feit door verzoeker wordt erkend waar te lezen staat : “Om nog steeds onbekende redenen heeft hij zijn vest en overhemd afgerukt”; dat al deze gegevens in acht genomen niet valt in te zien dat de niet formele vermelding van dat feit in de oproeping verzoeker in die mate heeft misleid dat de verwerende partij het niet in haar beoordeling mocht betrekken; dat derhalve ook de vermeende onvolledigheid van de oproeping geen reden uitmaakt die de nietigverklaring van het bestreden besluit kan wettigen; 3.3.1.3. Overwegende dat verzoeker als derde schending van het recht van verdediging de onvolledigheid van het tuchtdossier aanvoert; dat het dossier volgens hem onvolledig was, ten eerste omdat zijn medisch XII-1919-16/18 dossier er niet aan was toegevoegd, ten tweede omdat blijkens stuk 11 van het dossier “een nieuwe tuchtstraf werd uitgevonden namelijk 'opmerkingen' die gegeven werden door de hoofdcommissaris” voor welke “opmerkingen” de stukken die er de grondslag van vormen in het tuchtdossier ontbreken, ten derde omdat het verslag over zijn wijze van dienen bij het district 13 in het tuchtdossier ontbreekt; dat verzoeker in zijn laatste memorie de laatstgenoemde grief “intrekt”; Overwegende, dat de gemeenteraad, anders dan verzoeker laat uitschijnen, wel degelijk over verzoekers medische toestand op het ogenblik van de feiten was ingelicht en er rekening mee heeft kunnen houden; dat immers het tuchtdossier een reeks gegevens bevat over verzoekers medische toestand op het ogenblik van de feiten; dat meer bepaald in het administratief dossier onder stuk 8 van het tuchtdossier zich een sociaal verslag van 17 februari 1993 bevindt waarin een verklaring van verzoeker is vermeld betreffende zijn “juridische toestand” ten tijde van de feiten en een sociaal verslag van 19 december 1994 waarin hij eerder gewag maakt dat hij geen medische problemen meer heeft en dat zijn behandeling bij de psychiater reeds ten einde liep in november 1993; dat voorts de zinsnede uit het bestreden besluit dat verzoeker werd gehoord in zijn verklaringen, dat de argumenten die hierin XII-1919-17/18 naar voren werden gebracht het voorwerp hebben uitgemaakt van een zorgvuldig onderzoek en dat niettemin een zeer strenge tuchtstraf zich opdringt gezien verzoekers gedrag niet verenigbaar is met de waardigheid van het ambt van politieagent, duidelijk maakt dat de gemeenteraadsleden tenminste op de hoogte waren van de meervermelde nota van verzoeker waarin eveneens naar zijn medische toestand op het ogenblik van de feiten wordt verwezen; dat bijgevolg de gemeenteraad met de medische toestand van verzoeker op het ogenblik van de feiten heeft kunnen rekening houden; Overwegende, wat de grief betreft inzake de ontbrekende stukken die verband houden met “opmerkingen” die verzoeker heeft gekregen van de hoofdcommissaris, hij niet verduidelijkt op welke wijze deze relevantie zouden hebben voor de bestreden beslissing, nu daarin geenszins naar deze “opmerkingen” wordt verwezen; 3.3.1.4. Overwegende dat verzoeker een vierde schending van het recht van verdediging als volgt beschrijft : “Aangezien in het algemeen de oproeping van verzoeker onvolledig en ontijdig gebeurde en het tuchtdossier onvolledig was”; dat hij daartoe uit alles wat hij voordien heeft aangevoerd met betrekking tot het schenden van zijn recht van XII-1919-18/18 verdediging de -deze diverse vermeende schendingen overkoepelende- conclusie trekt dat zijn zaak ingewikkeld was en dat hij geen voorkennis had van de op handen zijnde tuchtprocedure; Overwegende dat de vermeende schending samenvalt met de hierboven besproken en afgewezen middelonderdelen, en dienvolgens niet is aangetoond; 3.3.1.5. Overwegende dat verzoeker de vijfde schending van zijn recht van verdediging op het proces-verbaal van de hoorzitting betrekt; dat hij daarbij het volgende beweert : “Aangezien verzoeker het proces-verbaal van de hoorzitting d.d. 6 maart 1995 ondertekende 'onder alle voorbehoud'. Dat verzoeker na het verlaten van de zittingszaal werd teruggeroepen en verplicht, ondanks het protest van verzoeker, de vermelding 'onder alle voorbehoud' te schrappen omdat volgens de heer Burgemeester een dergelijke vermelding verboden zou zijn en de nietigheid van het proces-verbaal met zich zou meebrengen”; Overwegende dat uit het proces-verbaal blijkt dat inderdaad de woorden “onder alle voorbehoud” zijn geschrapt; dat echter niet bewezen is dat verzoeker tot die schrapping verplicht werd door de XII-1919-19/18 verwerende partij, iets wat deze partij formeel ontkent; dat overigens de Raad niet ziet hoe te dezen de wijze van ondertekening van het proces-verbaal verzoeker in zijn rechten van verdediging zou hebben geschaad hetzij voor de gemeenteraad hetzij voor de Raad van State; dat het onderdeel van het middel niet gegrond is; 3.3.2. Overwegende dat het tweede beginsel van behoorlijk bestuur dat verzoeker geschonden noemt, het “zorgvuldigheidsbeginsel” is; dat hij die schending betrekt op zijn “toerekenbaarheid” voor de hem aangewreven feiten; dat hij in wezen stelt dat uit de medische onderzoeken die hij heeft ondergaan, blijkt dat de feiten waarop de bestreden tuchtzaak is gebaseerd, hem niet toerekenbaar zijn; XII-1919-20/18 Overwegende dat de strafrechter in de motivering van het vonnis van 5 oktober 1994 waarop de bestreden beslissing mede is gebaseerd, melding maakt van het verslag van de door verzoeker geraadpleegde psychiater, Dr. [R], van welk verslag verzoeker in het huidige geding uitgaat om de niet-toerekenbaarheid te bepleiten; dat volgens de strafrechter “dit verslag nog niet aantoont of aannemelijk maakt dat beklaagde XXXX op het ogenblik van de feiten niet toerekeningsvatbaar zou geweest zijn, zoals than[s] wordt beweerd, en evenmin dat zijn toestand van hyperalcoholemie ongewild zou geweest zijn, zoals de door beklaagde geraadpleegde geneesheer Dr. [R] schrijft”; dat de strafrechter nog overweegt dat de deskundige heeft vastgesteld dat het alcoholgehalte in het bloed van verzoeker op het ogenblik van de feiten in geen geval lager kon zijn dan 2,78 gram per liter en dat die alcoholintoxicatietoestand aan zijn persoonlijk toedoen te wijten was; dat gelet op deze gegevens het niet onzorgvuldig overkomt in hoofde van de tuchtoverheid om verzoeker toerekenbaar te achten; dat het middelonderdeel niet gegrond is; 3.3.3. Overwegende dat het derde beginsel van behoorlijk bestuur dat verzoeker geschonden noemt, het “redelijkheidsbeginsel” is; XII-1919-21/18 Overwegende dat hij in een eerste onderdeel opnieuw beweert dat de feiten hem niet toerekenbaar zijn; dat hij voorts betoogt, zo dit wel het geval zou zijn, dat een veroordeling “voor verkeersinbreuken (overtreding)” geen grondslag kan vormen voor een zware tuchtstraf, dat de andere feiten waarop de bestreden beslissing is gesteund strafrechtelijk gekwalificeerd werden als “eventuele bedreigingen” en zonder gevolg werden geklasseerd en dat achteraf gebleken is dat de betrokken particulier, zoals deze zelf verklaart, nooit werd bedreigd; dat verzoeker nog betoogt dat hij, bijna vijf jaar in dienst als politieagent, geen tuchtrechtelijk verleden heeft en dat alle verslagen betreffende zijn wijze van dienen gunstig zijn en dat dienvolgens “de straf dan ook niet in verhouding tot de feiten staat”; dat verzoeker in zijn laatste memorie nog benadrukt dat de bestreden beslissing haaks staat op veelvuldige voorafgaande beslissingen onder meer om hem nog in functies tewerk te stellen die contact met het publiek vereist; ij in een tweede onderdeel stelt dat door haar beslissing enkel en alleen te motiveren door te verwijzen naar de “zwaarwichtig-heid” van de feiten, de overheid doet wat ze niet mag, namelijk in abstracto oordelen of de feiten de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen zodat de Raad van State niet kan nagaan of de straf in verhouding is tot de feiten; XII-1919-22/18 Overwegende dat de tuchtstraf van de afzetting door de Raad van State te dezen wel degelijk kan worden afgewogen aan de in de beslissing duidelijk beschreven feiten, waarvan het eerste strafrechtelijk is gekwalificeerd als misdrijf; dat in de eerste plaats de zware alcoholintoxicatie en de miskenning van zijn lichamelijke ongeschiktheid tot sturen niet mogen voorgesteld worden, zoals verzoeker ten onrechte doet, als eenvoudige verkeersinbreuken; dat voorts die feiten samen met het incident met het dienstwapen en de begeleidende omstandigheden daarbij, niet licht zijn en als “zwaarwichtig” mogen worden aangemerkt zoals de gemeenteraad deed zonder dat kan worden vastgesteld dat zulks enkel “in abstracto” is gebeurd; dat een tuchtoverheid bij het opleggen van een tuchtstraf van feiten die zij als tuchtrechtelijk te beteugelen beschouwt, over een grote beleidsvrijheid beschikt; dat in dit licht de Raad van State te deze geen redenen ziet om te stellen dat de opgelegde straf niet in verhouding is tot de feiten op een dergelijke wijze dat moet worden vastgesteld dat de tuchtoverheid bij het opleggen van de sanctie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan; dat daarmee niet gezegd wil zijn dat de tuchtoverheid geen lichtere straf had kunnen opleggen die evengoed binnen de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid lag; dat het echter nu eenmaal eigen is aan de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid zoals de XII-1919-23/18 tuchtbevoegdheid, dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn, die nochtans alle de toets aan het redelijkheidsbeginsel doorstaan; dat het middel niet gegrond is; 3.3.4. Overwegende dat verzoeker in de vierde plaats “non bis in idem en het redelijkheidsbeginsel” geschonden acht; dat hij beweert reeds meerdere malen tuchtrechtelijk vervolgd te zijn voor dezelfde feiten : hij werd reeds preventief geschorst en hij werd als stagedoend politieagent afgedankt; dat hij nog stelt dat, nu de verwerende partij de afdanking steunde op de overweging dat verzoeker “niet voldeed aan de vereisten van de dienst”, en zodoende een ordemaatregelen en geen tuchtmaatregel trof, zij op deze “beslissing” niet kon terugkomen en die “beslissing” inhoudt dat zij afzag van tuchtrechtelijke vervolging; n zoverre verzoeker de non bis in idem regel inroept, dit beginsel er zich tegen verzet dat men tweemaal tuchtrechtelijk wordt gestraft voor dezelfde feiten; dat echter de maatregelen waar verzoeker naar verwijst geen tuchtmaatregelen waren; dat verzoeker wil doen geloven dat in het afdankingsbesluit de verwerende partij heeft erkend dat verzoeker geen schuld had aan de door hem gepleegde feiten; dat echter geen term uit dat besluit aan een dergelijk standpunt ook maar doet denken; dat verzoeker de schorsing en de nietigverklaring van het afdankingsbesluit bij XII-1919-24/18 de Raad van State gevorderd en verkregen heeft en dat niets in het dictum van ’s Raads arresten en in de met dat dictum onverbrekelijk verbonden motieven er zich tegen verzet dat de verwerende partij verzoekers zaak vervolgens tuchtrechtelijk behandelde; dat het voornoemde beginsel niet is geschonden; Overwegende dat verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift ook gewag maakt van schending van het redelijkheidsbeginsel maar geen afzonderlijke grieven aanbrengt die specifiek op dat beginsel kunnen worden betrokken; dat hij in zijn laatste memorie niet meer op dat beginsel terugkomt; dat aldus, mocht het middelonderdeel al ontvankelijk zijn, daarin in elk geval geen schending van het redelijkheidsbeginsel wordt aangetoond; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie het middelonderdeel “4bis” intrekt; 3.3.5. Overwegende dat verzoeker in de vijfde plaats het “recht van verdediging” geschonden acht doordat de verwerende partij zich niet uitgesproken heeft binnen een redelijke termijn; dat verzoeker daarbij in de eerste plaats betoogt dat de afzetting gesteund is op dezelfde feiten XII-1919-25/18 als de eerdere afdanking die bij ’s Raads arrest nr. 46.898 van 18 april 1994 werd vernietigd, zodat de verwerende partij de tuchtprocedure onmiddellijk na dat arrest had dienen aan te vatten en voorts dat de verwerende partij zich niet gekweten heeft van haar verplichting, bij de gerechtelijke overheid tijdig en regelmatig navraag te doen naar het door die overheid daarbij gegeven gevolg aan het strafrechtelijk dossier; dat hij daarbij stelt : “onbetwistbaar blijkt dat de beslissing aangaande het 'gebruik van het vuurwapen' uiterlijk op 23 juni 1994 kenbaar werd gemaakt” en dat pas op 21 oktober 1994 de verwerende partij kennis nam van de seponering; 3.3.5.1. Overwegende, wat de eerste grief betreft, dat bij de beoordeling aan de hand van het beginsel volgens hetwelk eenieder recht heeft op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, de redelijkheid van de termijn afhangt van de concrete omstandigheden van de zaak, waaronder de complexiteit van het dossier en het gedrag van de betrokken partijen; Overwegende dat te dezen uit het dossier blijkt hetgeen volgt : - de feiten die ten grondslag liggen van de bestreden beslissing speelden zich af op 28 januari 1993; XII-1919-26/18 - op 5 februari 1993 legde de burgemeester verzoeker een preventieve schorsing op voor de duur van 4 maanden; - op 17 februari 1993 maakte de Sociale dienst van het personeel een verslag op met betrekking tot verzoeker; - tegen de voormelde schorsing werd beroep aangetekend bij de Raad van State op 12 maart 1993; op 11 mei 1993 volgde een arrest waarbij het verzoek tot schorsing verworpen werd en op 26 oktober 1994 werd het beroep tot nietigverklaring verworpen; - op 3 mei 1993 dankte de gemeenteraad verzoeker af; deze afdanking werd op 20 september 1993 geschorst door de Raad van State en op 18 april 1994 vernietigd; - op 9 juni 1994 werd door de politierechtbank van Brussel een vonnis uitgesproken waarbij verzoeker veroordeeld werd tot een geldboete en waarbij hij uit het recht een motorvoertuig te besturen werd ontzet tot 1 juli 1995; - op 11 juli 1994 besliste de hoofdcommissaris dat verzoeker enkel permanentieopdrachten mocht uitvoeren, zonder wapen; deze beslissing werd op 23 december 1994 geschorst door de Raad van State en op 9 november 1995 vernietigd; XII-1919-27/18 - op 5 oktober 1994 deed de correctionele rechtbank van Brussel uitspraak in beroep tegen het vonnis van de politierechtbank van 9 juni 1994; - op 19 december 1994 maakte de Sociale dienst van het personeel een verslag op met betrekking tot verzoeker; - op 12 januari 1995 bezorgde de commissaris van politie het tuchtdossier van verzoeker aan de burgemeester; - op 26 januari 1995 stelde het college van burgemeester en schepenen de datum van de hoorzitting vast op 6 maart 1995; - op 7 februari 1995 werd verzoeker opgeroepen te verschijnen op de zitting van 6 maart 1995 in verband met feiten die aanleiding kunnen geven tot een tuchtmaatregel; - op 6 maart 1995 sprak de gemeenteraad de bestreden beslissing uit; dat op grond van het verloop van deze procedures dient te worden gesteld dat de redelijke beslissingstermijn in deze niet werd overschreden gezien de complexiteit van de zaak; dat verzoeker trouwens, nadat hij de oproeping had ontvangen, zelf heeft gevraagd om de zittingsdatum uit te stellen juist omdat hij meer tijd nodig had om het dossier te bestuderen; 3.3.5.2. Overwegende, ten aanzien van de tweede grief, dat deze feitelijke grondslag mist, nu in het tuchtdossier de bewijzen zijn te vinden XII-1919-28/18 dat de verwerende partij op 20 mei 1994, 27 juni 1994 en 19 september 1994 de procureur des Konings aangeschreven heeft; 3.3.6. Overwegende dat in een zesde middelonderdeel met twee grieven verzoeker de schending aanvoert van “de rechten van verdediging en [...] het zorgvuldigheidsbeginsel” en daarbij naar twee stukken verwijst; dat hij in laatste memorie de tweede grief die het tweede stuk betreft, intrekt; dat hij in de grief die wordt gehandhaafd betoogt dat hij inzake het verslag betreffende zijn wijze van dienen bij het district 13 ter hoorzitting “stelde dat dit stuk hem ter kennis had dienen gebracht te worden [vóór] de hoorzitting en dat de zaak dan ook diende uitgesteld te worden”, maar dat de burgemeester van de stad Brussel daarop antwoordde dat verzoekers wijze van dienen gekend was en “niet ter zake was”; Overwegende dat verzoeker zelf in het middelonderdeel stelt dat de burgemeester op de zitting verklaarde dat het verslag “hetzelfde vermeldde als de andere verslagen, namelijk dat agent-stagiair XXXX zijn dienst correct vervulde” en dat dit stuk geen nieuwe elementen naar voor bracht; dat verzoeker aldus niet aantoont dat het bewuste verslag nieuwe elementen aanbrengt en aldus evenmin dat de bestreden XII-1919-29/18 beslissing, die daarmee geen rekening houdt, inbreuk zou hebben gemaakt op verzoekers rechten van verdediging of de beslissing zou strijdig maken met de zorgvuldigheid waarmee bestuursbeslissingen dienen te worden genomen; 3.3.7. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie het zevende middelonderdeel intrekt; dat aldus het derde middel in zijn geheel niet gegrond is; 3.4. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel stelt dat het bestreden besluit het “koninklijk besluit van 28 december 1950” schendt omdat de verwerende partij geen toelating had om gebruik te maken van stukken uit het strafdossier; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord daaraan toevoegt : XII-1919-30/18 “[...] Dat nergens uit het dossier blijkt dat de verwerende partij zich de betrokken stukken op regelmatige wijze wist te bemachtigen. Dat verwerende partij weliswaar de toelating van de procureur des konings had. Dat de wet echter vereist dat men een uitdrukkelijke machtiging van de Procureur bij het Hof van Beroep nodig heeft. [...]”; Overwegende dat artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, luidt als volgt : “In criminele, correctionele en politiezaken en in tuchtzaken mag geen uitgifte of afschrift der akten van onderzoek en rechtspleging worden afgeleverd zonder uitdrukkelijke machtiging van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep of de auditeur-generaal. Op haar verzoek echter wordt aan partijen een uitgifte van de klacht, de aangifte, de bevelschriften en de vonnissen verstrekt. De kosten van al deze uitgiften of afschriften zijn ten laste van degenen die ze aanvragen.”; dat op 20 november 1998 de procureur-generaal van het hof van beroep te Brussel een brief aan de Raad van State richt waarin het volgende gesteld wordt : XII-1919-31/18 “Ik heb de eer u ter kennis te brengen dat er inderdaad in mijn rechtsgebied een uitdrukkelijke machtiging bestaat vanwege de procureur-generaal aan de procureur des Konings inzake de toepassing van artikel 125 van het tarief in strafzaken in tuchtaangelegenheden. [...];” dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat een dergelijke algemene machtiging niet als rechtsgeldig mag worden beschouwd; dat op grond van deze uitdrukkelijke machtiging de procureur des Konings terzake afschriften van strafdossiers aan de tuchtoverheden kon bezorgen; dat de verwerende partij aldus te dezen de betrokken stukken wel degelijk op regelmatige wijze heeft verkregen, gezien de machtiging van 4 november 1993 van de procureur des Konings; dat het vierde middel niet wordt aangenomen; 3.5. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord een nieuw middel aanvoert waarin hij wijst op de onvolledigheid van het tuchtdossier dat werd neergelegd ter griffie van de Raad van State; dat het middel luidt als volgt : “Verzoeker ontwikkelt hierbij een nieuw middel dat op ontvankelijke wijze wordt aangebracht omdat zij dit slechts kon ontwikkelen ingevolge het onderzoek van de bundel ter griffie van de Raad van State. XII-1919-32/18 Dat verzoeker en zijn raadsman bij het raadplegen van het tuchtdossier op de griffie van de Raad van State tot beider verbazing en nog grotere verontwaardiging dienden vast te stellen dat het tuchtdossier dat werd neergelegd bij de Raad van State qua volume en inhoud werd gehalveerd. Dat inderdaad, wanneer verzoeker en zijn raadsman het tuchtdossier gingen raadplegen ten stadhuize dit dossier tweemaal zo dik was. Dat het allerlei verslagen bevatte die weliswaar geen betrekking hadden op de feiten (uitslagen psychotechnische examens, attesten en verslagen van de politieschool,...), die nu niet meer in datzelfde tuchtdossier werden opgenomen. Dat zo ondermeer er een heel dossier was bijgevoegd aangaande de vorige procedure (verkapte tuchtstraf). Dat buiten deze verslagen er tevens briefwisseling tussen de raadsman van verwerende partij en de juridische dienst van de stad Brussel en commentaren van de hoofdcommissaris werden aangetroffen (in het dossier dat was neergelegd ten stadhuize). Dat deze briefwisseling niet terug te vinden is in het dossier dat werd neergelegd bij de Raad van State. Dat deze documenten nochtans betrekking hadden op de feiten. Dat hierbij de Raad van State dient vast te stellen dat verzoeker zijn rechten van verdediging opnieuw werden geschonden. 'Indien ook andere gegevens welke niet de directe aanleiding tot de tuchtactie vormden in het tuchtdossier voorkomen, dan moeten deze te gelegener tijd ter kennis van het personeelslid zijn gebracht te worden en moet de betrokkene ertegen zijn opmerkingen hebben kunnen uiten'. R.v.St., nr. 39.192, 7 april 1992, T.B.P., 1993, blz. 256. XII-1919-33/18 Dat in tegenstelling tot wat verwerende partij voorhoudt verzoeker en zijn raadsman wel degelijk gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheid tot copiename. Dat verzoeker en zijn raadsman weliswaar het hele dossier niet volledig mochten copiëren (van de verantwoordelijke terplaatse) maar wel enkele nieuwe stukken. Dat verzoeker en zijn raadsman zodoende enkele stukken van die briefwisseling hebben gecopiëerd en bij huidige memorie voegen. Dat de Raad van State zal moeten vaststellen dat deze stukken die verzoeker op geen enkel andere wijze kon verkrijgen dan ze ten stadhuize te copiëren, niet in het dossier dat werd neergelegd ter griffie werden opgenomen. Dat het blijkbaar de bedoeling was van verwerende partij het tuchtdossier dat ten inzage lag ten stadhuize, zo ingewikkeld en uitgebreid als mogelijk te maken om verzoeker zijn verdediging te bemoeilijken. Dat zo ook het middel waarin verzoeker zich bekloeg over de grootte van het tuchtdossier ‘een duizendtal bladzijden’, daardoor ontkracht werd. Dat dergelijk gedrag typerend is voor verwerende partij. Dat het tuchtdossier dat neergelegd werd bij de Raad van State onvolledig is. Dat het middel dan ook gegrond is. Dat het behoort de omstreden beslissing te vernietigen”; Overwegende dat verzoeker zijn middel op twee punten concreet maakt; dat hij vooreerst melding maakt van “allerlei verslagen” waarvan hij echter zelf erkent dat ze “geen betrekking hadden op de XII-1919-34/18 feiten” of verwezen naar een “vorige procedure”; dat hij daarmee zelf de relevantie van die stukken voor de huidige procedure ontkracht; Overwegende dat hij voorts briefwisseling vermeldt van de raadsman van de verwerende partij met haar juridische dienst; dat verwerende partij daarvan terecht opmerkt dat het om zuiver interne nota’s gaat en om briefwisseling tussen een advocaat en zijn cliënt; dat, in zoverre verzoeker deze zelf aan het dossier wilde toevoegen, de stafhouder beslist heeft dat verzoeker die briefwisseling dient terug te trekken; dat het middel in die omstandigheden dan ook niet aangenomen kan worden; 3.6. Overwegende dat geen van de middelen wordt aangenomen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. XII-1919-35/18 De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juli 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1919-36/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.478 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div