← België

Arrest 146487 - - 23/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.487 Rolnummer: A. 146621/XII-4025 Zaak: Arrest 146487 - - 23/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-29 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 18:56 Fiche Arrest nr 146.487 van 23 juni 2005 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.487 van 23 juni 2005 in de zaak A. 146.621/XII-

  1. In zake : de VZW RADIO VRM, die woonplaats kiest bij advocaat J. De Schepper, kantoor houdende te Antwerpen, Tolstraat 24 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
  2. belanghebbende partij : de NV ANTWERPSE RADIO, die woonplaats kiest bij advocaat H. Lamon, kantoor houdende te Hasselt, Leopoldplein
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de vzw Radio VRM op 16 januari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 november 2003 houdende erkenning van de NV Antwerpse Radio als regionale radio-omroep voor het frequentiepakket van het regionaal net Antwerpen en van de daaruit blijkende “niet erkenning van verzoekster”; Gelet op het arrest nr. 135.712 van 5 oktober 2004 waarbij de tussenkomst van de NV Antwerpse Radio in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd, waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen en waarbij de uitspraak over de kosten in de vordering tot schorsing wordt uitgesteld en de kosten van de tussenkomst ten laste van de tussenkomende partij worden gelegd; XII-4025-1/5 Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de verzoekende partij op 15 oktober 2004; Gelet op de kennisgeving, met brief van 26 november 2004, aan de verzoekende partij, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gelet op het schrijven van de verzoekende partij van 9 december 2004, waarbij zij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 21 maart 2005, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 10 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. De Schepper, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. Lamon, die verschijnt voor de belanghebbende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het arrest nr. 135.712 van 5 oktober 2004, dat de vordering tot schorsing van de verzoekende partij afwijst, op 15 oktober 2004 wordt betekend op het adres waarop de verzoekende partij keuze van woonplaats deed; dat de verzoekende partij op 21 oktober 2004 een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient; dat dit verzoek niet gezegeld is; Overwegende dat de verzoekende partij in haar brief van 9 december 2004, waarin zij vraagt om te worden gehoord, beweert dat bij de betekening van het arrest nr. 135.712 van 5 oktober 2004 door de hoofdgriffier “klaarblijkelijk” geen melding werd gemaakt van “de wettelijke verplichting [...] om, XII-4025-2/5 wanneer [de verzoekende partij] zulks wenst, de voortzetting van het geding te vragen, zodat eveneens geen melding werd gemaakt van de verplichting om fiscale zegels te kleven”; dat de verzoekende partij voorts verwijst naar het arrest van de algemene vergadering van de Raad van State, afdeling administratie, nr. 129.112 van 10 maart 2004 en daaruit afleidt dat het ontbreken van de kennisgeving door de hoofdgriffier met zich meebrengt dat het vermoeden van afstand van geding niet van toepassing is; dat de verzoekende partij bij haar brief van 9 december 2004 fiscale zegels ter waarde van 50 euro en boetezegels ter waarde van 125 euro voegt; Overwegende dat in het griffiedossier het afschrift zit van de 13 oktober 2004 gedateerde brief, geadresseerd aan het adres van woonplaatskeuze van de verzoekende partij; dat die brief de gebruikelijke typebrief is, aangevuld met het adres van de bestemmeling in de bovenhoek om te dienen als adres bij een vensterenvelop, en waarin door de hoofdgriffier wordt gewezen op de termijn van dertig dagen om eventueel een verzoek tot voortzetting in te dienen, waarbij uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van de vereiste hierbij Belgische fiscale zegels ter waarde van 175 euro te voegen; dat in die brief ook melding wordt gemaakt van het bepaalde in artikel 17, § 4ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en in artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991, bepalingen waarvan ook de tekst op de keerzijde wordt weergegeven; dat het ontvangstbewijs van de kennisgeving is gedagtekend op 15 oktober 2004, wat ook de datum is van de poststempel van terugzending; dat het griffiedossier bijgevolg aannemelijk maakt dat de kennisgeving in kwestie wel degelijk is gebeurd door middel van de bedoelde brief van 13 oktober 2004, aan het adres van woonplaatskeuze van verzoekende partij; dat het feit dat de raadsman van verzoekende partij spijts zijn verklaring ter terechtzitting met de procedures voor de Raad van State niet zo vertrouwd te zijn, reeds op 21 oktober 2004 en dus ruim binnen de termijn een, weliswaar niet- gezegeld, verzoek tot voortzetting indiende, niet van aard is om die conclusie te ontkrachten; dat wel integendeel hieruit mag worden afgeleid dat verzoekende partij blijkbaar toch op de hoogte was van de door haar genoemde “wettelijke verplichting” om een tijdig verzoek tot voortzetting in te dienen; Overwegende dat verzoekende partij in haar brief van 9 december 2004 bovendien te kennen geeft dat zij op de hoogte is van “de verplichting om fiscale zegels te kleven”, hoewel de hoofdgriffier in haar brief van 26 november 2004 met als hoofding “schorsing verworpen-geen voortzetting” geen melding heeft XII-4025-3/5 gemaakt van de specifieke reden waarom er geen voortzetting is, namelijk het ontbreken van de fiscale zegels; Overwegende dat het in de brief van 9 december 2004 beweerd ontbreken van de voorafgaande kennisgeving, een loutere affirmatie is; dat de raadsman van de verzoekende partij ter terechtzitting niet zo stellig als weleer kan claimen de brief van de hoofdgriffier “klaarblijkelijk” niet te hebben ontvangen; dat hij integendeel toegeeft : dat de zending met het schorsingsarrest is ontvangen op zijn oud kantoor, Justitiestraat 31, dat, hoewel verzoekende partij daar woonplaatskeuze had gedaan, hij toen reeds op zijn huidig kantoor, Tolstraat 24, werkzaam was, dat de post die op het oud adres toekwam telkens moest worden overgebracht, wat hij niet zelf deed, en dat hij zijn post niet steeds zelf opendeed; dat hij bovendien moet toegeven op dat ogenblik de envelop van de zending niet meer te hebben; dat verzoekende partij, in weerwil van de gegevens van het griffiedossier, met die ter terechtzitting gegeven verduidelijkingen, ten enenmale faalt om de blote bewering dat de bedoelde kennisgeving zich niet in de omslag zou hebben bevonden, geloofwaardig te maken; Overwegende dat dienvolgens bij gebreke aan een tijdig gezegeld verzoek tot voortzetting, toepassing dient gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat krachtens deze bepaling een vermoeden van afstand van geding geldt ten aanzien van de verzoekende partij, die niet op regelmatige wijze de voortzetting van de procedure heeft gevraagd, BESLUIT: Artikel
  4. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  5. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XII-4025-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4025-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.487 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.712 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.