id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.552 Rolnummer: A. 124631/VII-27394 Zaak: Arrest 146552 - - 23/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-30 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-07-02 20:13 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
(1996)gebruikt. De oefening van de bepaling van de gemiddelde kost per bijkomende punt wordt tweemaal verricht. Enerzijds wordt de kost per bijkomend punt inclusief kosten intensieve zorgen en de bijkomende punten volgens indeling in decielen volgens nomenclatuur, MVG, MKI en reanimatie en anderzijds wordt de gemiddelde kost per bijkomend punt exclusief intensieve zorgen en de bijkomende punten volgens indeling in decielen volgens nomenclatuur, MVG en MKI (sic). Door de bijkomende kosten per bezet bed per deciel te delen door de gemiddelde kost per bijkomend punt, bekomt men per deciel de bijkomende punten per bezet bed. Zo komt men per deciel (of per twintigste deel) een bijkomend aantal punten per bed inclusief en exclusief intensieve zorgen. Wanneer men de twee berekeningen van elkaar aftrekt, krijgt men een idee van de bijkomende punten per bed voor de intensieve zorgen. Het beschreven algoritme voor de bepaling van de kostencurve werd in het kader van de modernisering van de ziekenhuisfinanciering aangepast. Vanaf juli 2002 worden de kosten-gegevens gebruikt van de ziekenhuizen die hun kosten voor intensieve zorgen op een aparte kostenplaats boeken met uitzondering van de universitaire ziekenhuizen. Deze blijven voortaan buiten beschouwing om de VII-27.394-17/34 kostencurves te bepalen. De waarde van de punten per bezet bed worden voortaan gereduceerd. Tabel punten per bed per deciel : Decielen Aantal punten per bed 1 0,08 2 0,08 3 0,08 4 0,08 5 0,08 6 0,08 7 laagste helft 0,10 7 hoogste helft 0,13 8 laagste helft 0,20 8 hoogste helft 0,23 9 laagste helft 0,30 9 hoogste helft 0,33 10 laagste helft 0,38 10 hoogste helft 0,41 De plattere curven resulteren in een minder groot aantal punten per bed per deciel. Als gevolg van deze redenering wordt het totaal aantal punten voor intensiteit van de zorgen gereduceerd. Dit houdt finaal in dat er dus minder punten beschikbaar worden gesteld voor intensieve zorgen dan in het verleden. (>Cijfers administratie) Men kan zich afvragen of het systeem van de bijkomende punten in C, D en E en van de bijkomende punten voor intensieve zorgen die toch andere kosten dekken, geen aanleiding doet ontstaan tot een (gedeeltelijke) dubbele financiering voor dezelfde kosten. Op deze vraag kan ontkennend geantwoord worden. Beschouwen we een instelling erkend voor 274 bedden C, D en E , waarvan 57D aangewezen zijn als universitair bedden. Voor de bedden C, D en E, bedraagt het totaal aantal bijkomende punten (toegekend in functie van de indeling in decielen MKI, MVG, MFG), andere dan de punten toegekend voor intensief karakter van bedden E, C, D 53 punten. Op basis van de drie parameters voor intensief karakter van de bedden E, C, D, krijgt de instelling bvb 0,40 bijkomende punten per bed. De bedden van intensieve aard vertegenwoordigt bvb 10% van totaal erkende C, D en E- bedden. Voor het intensief karakter van zijn beddenhuis krijgt het ziekenhuis dus 274 x 0,40 punten = 109,60 punten Het aantal bijkomende punten wordt verminderd met : * 53 x l0% (% bedden intensieve aard) = 5,3 punten * 57 bedden D x (1,31-1) x 10% (% bedden intensieve aard) = 1,767 punten Conclusie : het aantal punten voor de bedden van intensieve aard C, D en E bedraagt 109,60 -5,3 - 1,767 = 102,53 punten.
- In het onderdeel B2 gebeurt een aanvullende financiering op basis van een kostencurve en een indeling in decielen. In de oorspronkelijke versie werden de universitaire ziekenhuizen niet meegerekend in de kostencurve. Voor de bedoelde kosten worden deze gefinancierd via onderdeel B
- De berekening van de kostencurves geschiedde op een objectieve manier, op basis van reële kosten.
- Zoals supra werd verduidelijkt bestaat er een objectief verschil tussen de universitaire en niet-universitaire ziekenhuizen aangezien deze laatsten geen enkele academische functie hebben en geen enkele onderwijsfunctie uitoefenen. Ter herinnering, het bestaan van de universitaire ziekenhuizen als sui generis categorie wordt verwezenlijkt door de voormelde wet van 7 augustus 1987 zelf aangezien zij voorziet, in haar artikel 102, in een regime van complementaire subsidie voor de enkele specifieke taken van een universitair ziekenhuis. VII-27.394-18/34 Anderzijds, zoals supra verduidelijkt , kan de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen in casu niet op een passende manier worden ingeroepen aangezien deze wet enkel betrekking heeft op de eenzijdige rechtshandelingen. In de mate dat de bestreden akte in casu een reglementaire akte is, die dus een algemene draagwijdte heeft en van toepassing is op een onbepaald aantal personen, kan de schending van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering in casu niet worden ingeroepen.
- Verzoekster geeft nog kritiek op het artikel 46 § 3 , 2/ , a. 1) van de bestreden akte, volgens hetwelk de standaarden in bijlage 9 van de bestreden akte worden vermeerderd Er dient verduidelijkt te worden dat deze bepaling precies tot voorwerp heeft om rekening te houden met bijkomende tijd die nodig is om de stagiairs op te leiden : de operatieduur wordt op 30% langer geschat wanneer de stagiairs de operatie bijwonen aangezien zij opgeleid moeten worden en men hen bijgevolg op een pedagogisch verantwoorde manier moet uitleggen hoe zij tewerk moeten gaan tijdens een operatie. Deze bijkomende tijd, nodig om de stagiairs op te leiden , werd geschat op 30% langer, en het is dus opportuun om een dergelijke vermeerdering te voorzien aangezien, in de mate de operatieduur langer is, zijn kost hoger ligt. Het lijkt dan ook evident dat indien een ziekenhuis niet over dergelijke kandidaten beschikt, zij voor deze bijkomende kosten niet worden gefinancieerd"; 2.3.
- Bespreking Overwegende dat het middel niet ontvankelijk is; dat het immers niet precies aangeeft welke bepalingen van het bestreden besluit -dat, zoals reeds gezegd, een volledige editie van 128 pagina's van het Belgisch Staatsblad vult- strijdig zijn met welke van de ingeroepen rechtsregels en -beginselen en waarom precies, en in welk opzicht dit de verzoekende partij grieft; dat het de taak is van een verzoekende partij op een voor de organen van de Raad van State begrijpelijke wijze uiteen te zetten waarom een middel gegrond zou moeten worden bevonden; dat dit ook zo is wanneer de bestreden regeling zeer technisch en daarom weinig transparant is; dat de verzoekende partij om aan deze kritiek te ontkomen in haar laatste memorie suggereert dat de Raad van State een deskundige zou aanstellen; dat artikel 20 van het algemeen procedurereglement wel de mogelijkheid voorziet een deskundige aan te stellen, doch deze mogelijkheid echter geenszins bedoeld is om een onduidelijk middel duidelijk te maken; VII-27.394-19/34 2.
- Vierde middel 2.4.
- Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 2.4.1.
- De verzoekende partij voert als vierde middel aan : "Het vierde middel is genomen uit de schending van artikel 87 van de gecoördineerde Wet op de Ziekenhuizen van 7 augustus 1987, alsmede uit het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de formele motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en uit machtsoverschrijding; Doordat in de aanhef van het bestreden besluit louter wordt verwezen naar het Terwijl krachtens artikel 87 van de gecoördineerde Wet op de ziekenhuizen van 7 augustus 1987 het bestreden besluit diende te worden vastgesteld En terwijl het desgevallende overleg in de Ministerraad moet blijken uit de aanhef van het bestreden besluit, en zulks volgens de geijkte formulering. Zodat de verwerende partij in het bestreden besluit de in het middel aangehaalde wetsbepaling en beginselen schendt, en machtsoverschrijding pleegt". 2.4.1.
- De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat uit artikel 87 van de Ziekenhuiswet volgt dat het globale budget van het Rijk effectief wordt vastgesteld door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, maar dat het budget van financiële middelen wordt vastgesteld door de minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft. 2.4.1.
- In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij nog dat het bestreden koninklijk besluit geen individuele budgetten aan de diverse ziekenhuizen toekent, maar in een algemene budgetteringstechniek voorziet die onlosmakelijk verbonden is met de vaststelling van het globale budget en dat voor deze algemene budgetteringstechniek overleg in de ministerraad was vereist. 2.4.1.
- In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij hier niets wezenlijks meer aan toe; VII-27.394-20/34 2.4.
- Bespreking Overwegende dat het bestreden koninklijk besluit niet is genomen ter uitvoering van artikel 87 van de Ziekenhuiswet, dat aan de minister bevoegd voor de volksgezondheid (en dus niet aan de Koning) de bevoegdheid verleent het budget van financiële middelen voor ieder ziekenhuis afzonderlijk te bepalen, en dit overigens -uiteraard- zonder enige tussenkomst van de ministerraad, maar wel voornamelijk ter uitvoering van artikel 97 van de zelfde wet, dat aan de Koning de bevoegdheid verleent voor de ziekenhuizen in het algemeen de voorwaarden en de regelen te bepalen voor de vaststelling van het budget van financiële middelen ; dat dit wetsartikel geen overleg in de ministerraad voorschrijft ; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Vijfde middel 2.5.
- Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 2.5.1.
- De verzoekende partij voert als vijfde middel aan : "Het vijfde middel is genomen uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, van de artikelen 97, 102 en 132 van de gecoördineerde Wet op de Ziekenhuizen van 7 augustus 1987, alsmede uit het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, de formele en materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en uit machtsoverschrijding. Doordat de allocatie van onderdeel B7 van het budget van de niet- universitaire ziekenhuizen enerzijds en de universitaire ziekenhuizen anderzijds essentieel wordt bepaald op grond van het criterium van de verbondenheid van 70 % artsen die vergoed worden via een salaris voor hun volledige ziekenhuisactiviteit; En doordat artikel 79, § 1 voorziet in het ten laste nemen van minstens een deel van de patronale lasten van de universitaire ziekenhuizen; En doordat artikel 79, § 2 niet in een dergelijke tussenkomst voorziet voor de niet-universitaire ziekenhuizen; En doordat zulk een criterium tot gevolg heeft dat universitaire ziekenhuizen steeds, en niet-universitaire ziekenhuizen zoals dat van de verzoekende partij nooit voldoen aan deze voorwaarde voor het behoud van de financiering bedoeld in artikel 79 § 1 punten B en C, en § 2, punten C en D; Terwijl alle Belgen gelijk zijn voor de wet; En terwijl in de adviezen afdeling Financiën van de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen van 8 november 2001, 14 november 2001 en 17 januari 2002 in logische voortzetting van het advies van 26 september 2001 uitdrukkelijk werd geadviseerd dat de berekeningsbasis van niet-universitaire en universitaire ziekenhuizen moet berusten op dezelfde principes; VII-27.394-21/34 En terwijl van de wettelijk voorgeschreven adviezen slechts kan worden afgeweken mits bijzondere motivering, quod non in casu; En terwijl elke bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die bovendien rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn; En terwijl aan elk besluit een zorgvuldige besluitvorming ten grondslag moet liggen. En terwijl het bestuur zich niet mag bezondigen aan willekeur; Zodat de verwerende partij de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt, en machtsoverschrijding pleegt". In de toelichting bij het middel betoogt de verzoekende partij verder, kort samengevat : - dat er een differentiatie wordt gecreëerd inzake de vaststelling van het budget van enerzijds de universitaire ziekenhuizen en anderzijds de ziekenhuizen die genieten van een financiering voorzien voor de ontwikkeling, de evaluatie en de toepassing van de nieuwe medische technologieën en/of de opleiding van de kandidaat-specialisten, wat aansluit bij de beleidsvisie van de minister van sociale zaken, doch waarop fel werd gereageerd door de Nationale Raad voor de ziekenhuisvoorzieningen van 8 november 2001, 14 november 2001 en 17 januari 2002; - dat het bestreden besluit, om hieraan tegemoet te komen, wel voorziet in een specifieke financiering voor de niet-universitaire ziekenhuizen, doch in bijlage 12 de voorwaarden voor de toekenning van deze financiering specifieert en een ziekenhuis zo moet bewijzen dat meer dan 70 % van de medische activiteiten door voltijdse artsen wordt uitgevoerd, en dat meer dan 70 % van de artsen, uitgedrukt in full-time equivalenten, moeten worden vergoed via een salaris voor hun volledige ziekenhuisactiviteit; - dat precies daarin het discriminatoir karakter van artikel 79 van het bestreden besluit schuilt, want dat in beginsel het merendeel van de artsen van de niet- universitaire ziekenhuizen op zelfstandige basis aan het ziekenhuis zijn verbonden; - dat bovendien de universitaire ziekenhuizen via onderdeel D van artikel 79, § 1 een financiering van de patronale lasten ontvangen, doch dat deze regeling niet wordt doorgetrokken naar de regeling B7B; - dat, door het onderscheid zelfstandige/bediende aan te wenden als hefboom voor de vaststelling van hogere budgetten voor de universitaire ziekenhuizen, in weerwil van de adviezen van de afdeling Financiering, er een discriminatie en een onderscheiden behandeling in het leven wordt geroepen, waarvoor geen afdoende motivering wordt verstrekt, en dat er ook een schending van artikel 132 van de Ziekenhuiswet is, dat de ziekenhuizen de keuze laat tussen de wijze van vergoeding/tewerkstelling van de artsen. VII-27.394-22/34 2.5.1.
- De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord : - dat de geneesheren die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst een hogere kost voor het ziekenhuis impliceren dan de overige geneesheren en dat de bestreden bepaling een bevestiging inhoudt van wat reeds voorzien was in artikel 48, § 4, van het ministerieel besluit van 2 augustus
- - dat er geen financiering van de sociale patronale lasten van de universitaire ziekenhuizen is voorzien, dat wel via het onderdeel B7A een bedrag van 9.915.741 euro wordt verdeeld onder de zeven universitaire ziekenhuizen, overeenkomstig een verdeelsleutel waarin onder meer de sociale patronale lasten opgenomen zijn, maar dat dit geen vergoeding van deze lasten impliceert. 2.5.1.
- In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij nog, kort samengevat : - dat de universitaire ziekenhuizen via onderdeel D van artikel 79, §1 een financiering ontvangen voor de patronale lasten, doch dat deze regeling niet wordt doorgetrokken naar de regeling B7B; - dat hierdoor een scheeftrekking ontstaat die in de volgende parenthesis kan worden samengevat : "- gelet op de bijlage 12 die als norm stelt dat 70 % van de aangesloten geneesheren in gesalarieerd dienstverband werken; - dat wanneer niet-universitaire ziekenhuizen die onder de B7B-regeling ressorteren, niet voldoen aan deze norm van 70 %, zij geen rechten kunnen laten gelden op de onderdelen B7B C en D, hierbij aldus hun basisfinanciering op de helling zetten, - dat wanneer zij wel willen voldoen aan deze norm om hun basisbudget te handhaven, zij geconfronteerd worden met de volledige last aan patronale bijdragen voor deze geneesheren en zodoende hun budget impliciet inkrimpen"; - dat de universitaire ziekenhuizen B7A nog over een extra budgetonderdeel beschikken, vervat in de regeling B7A, onderdeel D; - dat de universitaire ziekenhuizen een tegemoetkoming voor patronale lasten krijgen, die wordt afgeroomd van de niet-universitaire ziekenhuizen; - dat de verwerende partij het licht van de zon ontkent waar zij schrijft dat er geen financiering wordt voorzien van de sociale patronale lasten van de universitaire ziekenhuizen; - dat in commentaren en toelichtingen tijdens een studiedag te Brussel blijkt dat het onderdeel D gelijk is aan de verdeling van het bijkomend budget met het oog op de dekking van de werkgeversbijdragen van de geneesheren. 2.5.1.
- In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij hier nog, samengevat, aan toe dat wat de differentiatie van de financiering betreft, op grond VII-27.394-23/34 van het al dan niet in dienstverband werken, de voorwaarden slechts schijnbaar gelijk zijn, "daar men in de praktijk vaststelt dat een aanzienlijk zwaartepunt wordt gelegd op de full-time tewerkstelling in dienstverband", die zeer gedifferentieerd is daar er bij niet-universitaire ziekenhuizen minder artsen in dienstverband zijn ingeschreven en het merendeel als zelfstandig arts verbonden is aan het ziekenhuis en dat het feit dat geneesheren in dienstverband duurder zouden zijn omwille van de patronale bijdragen verbonden aan de arbeidsovereenkomst een fabel is, die allerminst als juridische en redelijke verantwoording kan dienen voor het verschil in financiering; 2.5.
- Bespreking Overwegende dat de argumenten van de partijen als volgt worden beoordeeld : 2.5.2.
- Artikel 79, § 1, van het bestreden besluit, dat betrekking heeft op de universitaire ziekenhuizen, bepaalt dat het voor die ziekenhuizen bestemde budgetonderdeel B7A vastgesteld wordt als A + B + C + D. De onderdelen B en C bedragen de waarde op 30 juni 2002 van de financiering toegekend bij toepassing van respectievelijk artikel 48, § 14, en 48, § 28, van het ministerieel besluit van 2 augustus
- Om het voordeel van de financiering uit B en C te behouden, dienen de ziekenhuizen te voldoen aan de voorwaarden uit bijlage 12 van het besluit. Artikel 79, § 2, van het bestreden besluit heeft betrekking op de niet-universitaire ziekenhuizen, en bepaalt dat het voor die ziekenhuizen bestemde budgetonderdeel B7B wordt vastgesteld als A + B + C + D. De onderdelen C en D bedragen de waarde op 30 juni 2002 van de financiering toegekend bij toepassing van respectievelijk artikel 48, § 14, en 48, § 28, van het ministerieel besluit van 2 augustus
- Om het voordeel van de financiering uit C en D te behouden, dienen de ziekenhuizen te voldoen aan de voorwaarden uit bijlage 12 van het besluit. Die voorwaarden uit bijlage 12 bij het bestreden besluit bepalen onder meer : "5/ bewijzen dat meer dan 70% van de medische activiteit door voltijdse artsen wordt uitgevoerd; 6/ meer dan 70% van de artsen, uitgedrukt in full-time equivalenten, vergoeden via een salaris voor hun volledige ziekenhuisactiviteit". Uit wat voorafgaat blijkt dus dat zowel de universitaire als de niet- universitaire ziekenhuizen o.m. de waarde krijgen van de financiering op 30 juni 2002 VII-27.394-24/34 toegekend bij toepassing van respectievelijk artikel 48, § 14, en 48, § 28, van het ministerieel besluit van 2 augustus
- Zij moeten daartoe ook aan precies dezelfde voorwaarden voldoen : deze die zijn neergelegd in bijlage 12 bij het bestreden koninklijk besluit. 2.5.2.
- Niettegenstaande de universitaire en de niet-universitaire ziekenhuizen wat de hierboven vermelde financiering betreft aan dezelfde regels onderworpen zijn, acht de verzoekende partij het gelijkheidsbeginsel geschonden, en wel omdat zij niet aan de voorwaarden kan voldoen, voornamelijk deze dat meer dan 70% van de artsen moet worden vergoed via een salaris. De verzoekende partij toont niet aan dat het kennelijk onredelijk is bij het bepalen van het desbetreffende budgetonderdeel -waarvan niet wordt gezegd dat het geen uitstaans heeft met de financiële kost van de aan het ziekenhuis verbonden geneesheren- rekening te houden met het gegeven -en de verzoekende partij slaagt er niet in dit gegeven te ontkrachten- dat geneesheren die voltijds aan een ziekenhuis verbonden zijn en vergoed worden via een salaris voor hun volledige ziekenhuisactiviteit, voor dat ziekenhuis een hogere financiële last meebrengen, dan andere geneesheren. Het middelonderdeel genomen uit de schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, gecombineerd met de andere aangevoerde beginselen, is bijgevolg niet gegrond. 2.5.2.
- Noch het middel, noch de toelichting erbij, maken duidelijk in welk opzicht de in het middel betrokken bepalingen van het bestreden besluit strijdig zouden zijn met artikel 102 van de Ziekenhuiswet, dat "de Staat" toelaat een bijkomende "toelage" te verlenen om specifieke kosten te dekken die verband houden met de behandeling in een universitair ziekenhuis. Bovendien ligt die regeling in de lijn van de genoemde wetsbepaling, nu de verzoekende partij zelf stelt dat de niet-universitaire ziekenhuizen veel minder dan de universitaire, beroep doen op geneesheren die voltijds verbonden zijn met het ziekenhuis en via een salaris voor hun volledige ziekenhuisactiviteiten vergoed worden, zodat het wel degelijk "specifieke kosten" voor de universitaire ziekenhuizen betreft. Ook dit middelonderdeel is niet gegrond. 2.5.2.
- De verzoekende partij meent dat de universitaire ziekenhuizen via onderdeel D van art. 79, § 1, van het bestreden besluit, een financiering van hun VII-27.394-25/34 patronale lasten ontvangen, daar waar dit niet het geval is voor de niet-universitaire ziekenhuizen. Deze interpretatie van de bestreden regeling is evenwel niet correct. Artikel 79, § 1, bepaalt dat het onderdeel B7A bestaat uit A + B + C + D, waarbij D gelijk is aan "het bedrag van de verdeling van een budget van 9.915.741 EUR in functie van de volgende regels : (...)". Onderdeel D behelst dus een bedrag van 9.915.741 Euro voor de universitaire ziekenhuizen. Hoe dit bedrag onder de universitaire ziekenhuizen verdeeld wordt, wordt bepaald door de verdeelsleutel T x N, waarbij dan rekening gehouden wordt met het percentage van de sociale patronale lasten en het aantal gesalarieerde geneesheren. Aldus wordt met het onderdeel D wel een specifiek bedrag toegekend uitsluitend aan de universitaire ziekenhuizen, en wordt een verdeelsleutel bepaald voor de verdeling van dat budget tussen die ziekenhuizen, waarbij rekening wordt gehouden met de genoemde criteria. Aldus wordt echter niet gesteld dat dit bedrag bestemd is voor de financiering van de patronale lasten. Bovendien, zelfs al zou eventueel kunnen worden aangenomen dat, gelet op de gebruikte parameters, dit bedrag in werkelijkheid toch bedoeld is om tussen te komen in de door de verwerende partij hoger geachte financiële kosten voor de universitaire ziekenhuizen wegens grotere gebruikmaking van voltijds gesalarieerde geneesheren, dan toont de verzoekende partij nog niet aan dat dit bedrag in onredelijke mate hoger is dan het werkelijke verschil in patronale lasten globaal gedragen door respectievelijk de universitaire en de niet-universitaire ziekenhuizen, en dat die regeling dus discriminatoir zou zijn voor deze laatste ziekenhuizen. 2.5.2.
- De adviezen van de Nationale raad voor ziekenhuisvoorzieningen waarnaar de verzoekende partij verwijst, strekten er toe te voorkomen dat het onderdeel B7 zou worden voorbehouden aan de universitaire ziekenhuizen, omdat ook niet-universitaire ziekenhuizen bepaalde taken uitoefenen die in dit onderdeel kaderen. Zoals de verzoekende partij zelf aanstipt, en niet te ontkennen valt, heeft de verwerende partij echter precies ook de niet-universitaire ziekenhuizen in dit onderdeel opgenomen. Er is bijgevolg niet aangetoond dat van de wettelijk voorgeschreven adviezen werd afgeweken. VII-27.394-26/34 Ook dit middelonderdeel is ongegrond. 2.5.2.
- Artikel 132 van de Ziekenhuiswet somt de stelsels op volgens dewelke de ziekenhuisgeneesheren kunnen worden vergoed. Nu hierboven gebleken is dat niet is aangetoond dat het gemaakte onderscheid tussen universitaire en niet-universitaire ziekenhuizen, rekening houdend met het gegeven dat de eerste ziekenhuizen meer gebruik maken van voltijds gesalarieerde geneesheren, kennelijk ongerechtvaardigd is, kan ook niet op goede gronden worden gesteld dat daardoor de vrije keuze tussen die verschillende stelsels wordt miskend. Het middelonderdeel is ongegrond. 2.5.2.
- Het middel is bijgevolg in zijn geheel ongegrond; 2.
- Zesde middel 2.6.
- Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 2.6.1.
- De verzoekende partij voert als zesde middel aan : "Het zesde middel is genomen uit de schending van artikel 97 van de Wet op de ziekenhuizen zoals gecoördineerd op 7 augustus 1987, uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur ondermeer, het motiveringsbeginsel, het beginsel patere legem quem ipse fecisti en het zorgvuldigheidsbeginsel alsmede uit machtsoverschrijding. Doordat de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling financiering nooit werd gehoord over het volledig nu voorliggend Koninklijk Besluit. Terwijl artikel 97 uitdrukkelijk bepaalt dat de Koning, de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling financiering gehoord, de voorwaarden en de regelen voor de vaststelling van het budget van financiële middelen en van de onderscheidene bestanddelen (bepaalt). En terwijl een zorgvuldig bestuur een -voorgeschreven- advies dient te vragen over de volledige tekst. Zodat de in het middel aangehaalde artikelen en beginselen geschonden zijn". In de toelichting bij het middel betoogt de verzoekende partij verder dat uit de adviezen van de Nationale raad voor ziekenhuisvoorzieningen valt af te leiden dat de volledige tekst van het bestreden besluit nooit aan deze raad werd voorgelegd. VII-27.394-27/34 2.6.1.
- De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat zij in het administratief dossier het bewijs voorlegt dat de Nationale raad voor ziekenhuisvoorzieningen wel degelijk werd geraadpleegd over het geheel van de punten in de bestreden akte. 2.6.1.
- In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij nog dat er geen volledige tekst van het ontworpen koninklijk besluit werd voorgelegd aan de Nationale raad voor de ziekenhuisvoorzieningen, en dat die conclusie nog wordt versterkt door de libellering van de adviezen, die zonder reden op diverse punten niet werden gevolgd. 2.6.1.
- In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij hier niets wezenlijks meer aan toe; 2.6.
- Bespreking Overwegende dat artikel 97 van de Ziekenhuiswet bepaalt : “§
- De Koning bepaalt, de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling financiering gehoord, de voorwaarden en de regelen voor de vaststelling van het budget van financiële middelen en van de onderscheidene bestanddelen. (...)"; dat niet wordt betwist dat de Nationale raad werd geraadpleegd; dat niet is voorgeschreven dat de integrale ontwerp-tekst van het in die bepaling bedoelde besluit aan die raad moest worden voorgelegd; dat dit ook niet noodzakelijk is om op nuttige wijze een advies te kunnen verstrekken; dat hierboven trouwens gebleken is dat met het advies op de door de verzoekende partij betwiste punten werd rekening gehouden; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Zevende middel 2.7.
- Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : VII-27.394-28/34 2.7.1.
- De verzoekende partij voert als zevende middel aan : "Het zevende middel is genomen uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder in het bijzonder het redelijkheids-, zorgvuldigheids-, het rechtszekerheidsbeginsel, de formele en materiële motiveringsplicht, het fair play beginsel en uit machtsoverschrijding. Doordat het bestreden besluit niet toelaat een budget te bepalen. En doordat het bestreden besluit doorspekt is met fouten en inconsistenties. Terwijl de burger zijn positie moet kunnen bepalen en inschatten; En terwijl onvoldoende wordt gemotiveerd welke redenen ten grondslag liggen aan gehanteerde cijfers; En terwijl de regelgeving enerzijds transparant en toegankelijk dient te zijn, hetgeen inhoudt dat de regelgeving voldoende bekend wordt gemaakt, dat ze inhoudelijk voldoende duidelijk wordt geformuleerd en dat ze op coherente wijze geordend wordt en dat anderzijds de regelgeving betrouwbaar en uitvoerbaar dient te zijn op een efficiënte wijze. Zodat de in het middel aangehaalde beginselen geschonden worden. Toelichtingen bij het zevende middel Verzoekende partij stelt vast dat het haar door dit besluit onmogelijk wordt gemaakt haar positie juist en afdoende in te schatten. A. Zonder exhaustief te willen is er sprake van volgende nationale cijfers die door verzoekster niet of maar partieel controleerbaar zijn. • Artikel 42, le bewerking bepaalt een landelijk budget. We merken op dat dit blijkbaar gedaald is in vergelijking met dienstjaar 2001 met zo’n 3% voor de groep van meer dan 450 bedden. Dit gedaalde budget per werkeenheid kan niet worden wedersamengesteld aangezien deze cijfers enkel nationaal beschikbaar zijn. • Bijlage 6 van het KB hanteert een meerkostindex. De onderliggende berekeningen en resultaten hoe men tot die nationale index komt zijn niet publiek gekend, enkel de uitkomst ervan. • Bijlage 5 van het KB (= MVG) beschrijft de nationale zone-indeling. In punt 3.
- stelt men de visu vast dat : er in het Frans iets totaal anders staat dan in het Nederlands en dat er geen van beide iets uitlegt (blz. 23669 BS). opgenomen in de volgende tabel : TABEL, NOCH IN HET NEDERLANDS, NOCH IN HET FRANS. In het Frans staat letterlijk totaal iets anders, zijnde : WORDEN TOEGEPAST IS HET OPNIEUW NIET ECHT CONTROLEERBAAR. • Bijlage 3 van het KB, punt 4.3.2.
- verwijst naar punt 4.2.
- welk niet eens bestaat. Daarenboven spreekt men van een selectie van APRDRG’s die min. 33% ambulant zijn uitgevoerd. Het Ministerie wenst deze lijst van DRG’s niet te publiceren (cfr. uitspraak van Jan Bogaert op de MKG-cyclus dd. 13 juni 2002 van het studiecentrum Stevens te Elewijt), hetwelk geen openbaarheid van bestuur is. B. Daarenboven is het besluit doorspekt met manifeste fouten en onduidelijkheden/onzekerheden. Zonder ook hier weer exhaustief te willen zijn volgende bloemlezing : • Terwijl voor onderdeel B1 de aanpassing van het huidige budget naar het budget B1 over de jaren heen staat ingeschreven in artikel 42, 5e bewerking is zo’n aanpassing voor onderdeel B2 alleen maar voor het huidige dienstjaar te vinden (cfr. artikel 45 §9). En dit terwijl onderdeel B2 veel zwaarder doorweegt dan onderdeel B1, zowel op nationaal als individueel ziekenhuisvlak. Dit induceert budgetonzekerheid. • Er wordt verder geldingskracht verleend aan bepalingen die ondertussen reeds opgeheven zijn. In art. 1 laatste streepje van het KB van 25 april 2002 VII-27.394-29/34 verwijst men naar art. 46bis van het MB van 2 augustus 1986 terwijl art. 102 ditzelfde MB opheft. Dit geldt ook voor de artikels : 42, 1ste bewerking 43, §1 44, §1 45, §3 47, §1 48 76 79, §§ l en 2 97, §2 bijlage3 • Art. 45, §2 spreekt van een periode van 3 jaar stilte behalve voor een aantal zaken die wel kunnen veranderen (= opnieuw onzekerheid). • Art. 46, §1, 4/ verwijst naar een opgeheven KB van 14 augustus
- Art. 9 van het KB van 3 MEI
- (= Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 december 1994 houdende bepaling van de regels volgens welke bepaalde statistische gegevens moeten worden medegedeeld aan de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft) heft dit KB van 1987 op. • In het gehele besluit worden telkens verschillende referentiejaren gebruikt waardoor consistentie en voorspelbaarheid mankeert. Een kort overzicht van de jaren : 1989, 1994, 1996, 1998, 1999, 2000, 2001 en
- Zelfs binnen gelijkaardige toepassingen neemt men verschillende jaren. Voor de financiering van de bedden van intensieve aard (artikel 46, §2, 2/ c)) gebruikt men voor de eerste berekening cijfers 1998 en 1999, voor de 2/ berekening cijfers van 1998 en voor de 3/ berekening cijfers
- • In sommige artikels wordt de term geïsoleerde G-dienst gehanteerd. Deze term wordt nergens in de erkenningsnormen toegelicht. De vraag stelt zich reeds naar de wettelijkheid van deze term en zijn toepassing. Ook wordt soms ook de term subacute G-dienst gebruikt. Dit is absoluut niet consequent. De artikels waar men de term geïsoleerde G-dienst gebruikt : 29, §4, 1/ 56, §1 65 b) 91 in de titel. De artikels waarbij men de term subacuut gebruikt (om hetzelfde ? aan te duiden) : Bijlage 3, punt 2.2.3 Bijlage 13, punt 2.2.
- • In artikel 79 § 1 D Nederlandstalige tekst is sprake van 9.915,741 EUR. In de Franse tekst is er sprake van 9.915.741 EUR. • (...). Eén en ander toont manifest de inconsistentie, de onduidelijkheid en de niet-transparantie van het bestreden besluit aan. Dit leidt voor verzoekster zelfs tot de conclusie dat haar situatie volkomen onduidelijk wordt en haar lot volkomen arbitrair in handen van de administratie ligt. Nochtans dient de regelgeving in se behoorlijk te zijn. Dit impliceert dat in de eerste plaats de regelgeving rechtszekerheid moet institueren. Om aan deze rechtszekerheid te voldoen dient de wetgeving enerzijds toegankelijk te zijn, hetgeen inhoudt dat de regelgeving voldoende bekend wordt gemaakt, dat ze inhoudelijk voldoende duidelijk wordt geformuleerd en dat ze op coherente wijze geordend wordt. Anderzijds dient de regelgeving betrouwbaar en uitvoerbaar te zijn op een efficiënte wijze. Bovendien dient deze wetgeving zorgvuldig te worden opgebouwd en voorbereid te worden, teneinde duidelijke, transparante en VII-27.394-30/34 coherente regels op te stellen die voor de rechtsonderhorige voldoende begrepen kunnen worden, zodat deze zijn rechtspositie ten allen tijde kan definiëren. Het thans bestreden besluit voldoet aan deze normen van transparantie, consistentie en duidelijkheid niet. Het biedt onvoldoende duidelijkheid omtrent welke bepalingen inzake de vaststelling van het budget van een ziekenhuis van toepassing zijn voor welk betrokken ziekenhuis ressorterend onder deze regelgeving. Bijgevolg weten verzoekers hun positie geenszins afdoende te definiëren. Een budgetberekening opmaken is onmogelijk en wordt bijkomend nog scheefgetrokken. Hierdoor wordt het fair play-beginsel eveneens met de voeten getreden. Het bestuur strijdt niet met open vizier, doch tracht via ontransparante regelgeving de bevoordeling van de universitaire ziekenhuizen toe te dekken, door bv. punten ongemotiveerd te laten en louter de regel als regel op zich te bepalen zonder daaromtrent enige verantwoording af te leggen". 2.7.1.
- De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord : "
- De term
- Het globaal landelijk budget van het onderdeel B1 is inderdaad verminderd, en dit ingevolge de vermindering van het aantal bedden, onder andere door fusies.
- Wat betreft bijlage 6 wenst de tegenpartij erop te wijzen dat de berekeningswijze van de meerkostindex, voor MKG/MVG registratie en personeelskosten, wel degelijk wordt omschreven in bijlage
- De omschrijving van de nationale zone-indeling is ongewijzigd ten aanzien van de bijlage 5 van het Koninklijk besluit van 2 augustus
- Dit betekent dat de rechtszekerheid derhalve niet is aangetast.
- Wat betreft bijlage 3 wenst de tegenpartij op te merken dat het punt 4.2.2 in rubriek 4.2 verkeerdelijk (wordt) vermeld als punt 4.1.2, maar voor de lezer is het echter geen moeilijke opgave om dit te zien. Anderzijds worden de 32 bedoelde APR-DRG's wel degelijk vermeld in de reglementaire tekst, met name in tabel 1, punt 4.3.2.1 van bijlage
- De regelgever heeft een maximale rechtszekerheid willen garanderen door bepaalde elementen van het budget, in casu onderdeel B1, over meerdere jaren in te schrijven. Dit wil echter niet zeggen dat de logica dient te worden omgekeerd en dit voor het ganse budget moet geschieden. Het feit dat dit voor onderdeel B2 niet is geschied, is voornamelijk ingegeven door het voorzichtigheidsbeginsel. De toekomstige invulling zal ondermeer afhankelijk zijn van de betrouwbaarheid van de MKG-registraties en de opnamepolitiek van de ziekenhuizen.
- Het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 is inderdaad opgeheven, maar dit impliceert niet dat het nieuwe Koninklijk besluit van 25 april 2002 de teksten als dusdanig niet kon bevestigen. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft tegen deze werkwijze ook niet het minste bezwaar gemaakt.
- Wat betreft de verwijzing door het artikel 46, § 1, 4/, naar het Koninklijk besluit van 14 augustus 1987 beaamt de tegenpartij dat dit Koninklijk besluit inderdaad is opgeheven, maar het is echter voor iedereen duidelijk dat de MVG nu is opgenomen in het Koninklijk besluit van 3 mei
- Wat betreft de referentiejaren wordt telkens het laatste jaar waarvan de gegevens gekend zijn als referentie genomen. Het is de bedoeling om, in de mate waarin de gegevens beschikbaar kunnen zijn, het meest recent mogelijke jaar als referentiejaar te nemen. VII-27.394-31/34
- Betreffende de opmerking van verzoekster over het geschil in weergave van het bedrag van 9.915.741 EUR, wenst de tegenpartij enkel op te merken dat het juiste bedrag in de beide landstalen 9.915.741 EUR is en er derhalve geen sprake is van een Noord-Zuid-transfert". 2.7.1.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij in wezen wat reeds in het verzoekschrift werd betoogd, en stelt zij dat de gebreken in de bestreden beslissing niet kunnen worden goedgemaakt middels de memorie van antwoord. 2.7.1.
- In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij niets wezenlijks aan het middel toe; 2.7.
- Bespreking Overwegende dat de verwerende partij niet concreet aangeeft in welk opzicht welke van de beweerde "manifeste fouten en onduidelijkheden/onzekerheden" haar grieven en waarom precies; dat het loutere feit dat het bestreden besluit zeer technisch is -en gelet op de materie wellicht ook alleen maar kan zijn- en derhalve weinig transparant, en dat er materiële vergissingen kunnen zijn in geslopen, op zich geen van de ingeroepen beginselen schendt; dat de verzoekende partij het bestreden besluit overigens wel zo goed begrepen heeft dat ze er naast het hier besproken nog zeven andere middelen tegen inroept; dat ze de regeling klaarblijkelijk ook voldoende begrepen heeft waar die betrekking heeft op het onderscheid dat gemaakt wordt tussen universitaire en niet-universitaire ziekenhuizen; dat het middel niet kan worden aangenomen; 2.
- Achtste middel 2.8.
- Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 2.8.1.
- De verzoekende partij voert als achtste middel, in ondergeschikte orde, machtsafwending aan, omdat, samengevat, de overheid door ingewikkelde en arbitrair aanpasbare berekeningstechnieken de universitaire instellingen wil bevoordelen. VII-27.394-32/34 2.8.1.
- De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de verwerende partij enkel een onwettelijk doel zou hebben nagestreefd en dat de verwerende partij integendeel een wettig doel van algemeen belang nastreeft. 2.8.1.
- In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij nog dat de B7B-regeling wordt gebruikt om een transfert richting Wallonië te realiseren. 2.8.1.
- In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij hier niets meer aan toe; 2.8.
- Bespreking Overwegende dat niet voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden ingeroepen dat de bestreden regeling wordt gebruikt om transferten naar Wallonië te realiseren; Overwegende dat uit de bespreking van de vorige middelen is gebleken dat het gemaakte onderscheid tussen universitaire en niet-universitaire ziekenhuizen niet onwettig is; dat dan ook niet kan worden aangenomen dat de bestreden regeling niet is genomen om tot een evenwichtige regeling te komen, maar uitsluitend met de bedoeling de universitaire ziekenhuizen te bevoordelen; dat het middel geen concrete elementen aanbrengt waaruit dit zou kunnen blijken; dat het middel niet kan worden aangenomen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-27.394-33/34 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-27.394-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.552 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div