← België

Arrest 146555 - - 23/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.555 Rolnummer: A. 73907/VII-15395 Zaak: Arrest 146555 - - 23/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 19:00 Fiche Arrest nr 146.555 van 23 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.555 van 23 juni 2005 in de zaak A. 73.907/VII-15.

  1. In zake : de v.z.w. KATHOLIEKE GEZONDHEIDSZORG OOSTENDE, die woonplaats kiest bij advocaat H. DEMEESTER, kantoor houdende te GENT, Kortrijksesteenweg 535 tegen : de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, die woonplaats kiest bij advocaten B. CAMBIER en L. CAMBIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Winston Churchilllaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. KATHOLIEKE GEZONDHEIDSZORG OOSTENDE op 7 april 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, (...) die per gewone brief dd. 5.2.1997 meedeelde geen volledige ontheffing van aangerekende bijdrageopslagen en intresten te verlenen en dit wat betreft het 4de kwartaal 1992 en het 1ste kwartaal 1993 (lees : 4de kwartaal 1993)"; Gelet op het arrest nr. 124.061 van 9 oktober 2003 waarbij de debatten worden heropend en een aanvullend onderzoek van de zaak wordt bevolen; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 28 december 2004 die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; VII-15.395-1/6 Gelet op de beschikking van 9 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 juni 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. DEMEESTER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat K. WAUTERS die, loco advocaten B. CAMBIER en L. CAMBIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat voor de feitenuiteenzetting en de bespreking van de ontvankelijkheid van de vordering wordt verwezen naar het tussenarrest nr. 124.061, van 9 oktober 2003 ;
  4. Overwegende dat thans nog het onderzoek van het tweede middel dient te gebeuren; 2.1.
  5. Overwegende dat dit tweede middel als volgt is geformuleerd : "Overigens en dit reeds dan ten subsidiaire titel (2de middel) is de motivering zelfs in het kader van de dwingende billijkheidsredenen totaal onvoldoende en beperkt tot een formule die in geen enkele mate beantwoordt aan de ingeroepen motieven bij het verzoek. Inderdaad stelt de beslissing dat de oorzaak van de niet-tijdige betaling ligt in het financieringssysteem van de ziekenhuizen wat dus naar het inzien van verzoekster meteen bewijst dat haar terzake geen enkele schuld treft; en Naar het inzien van verzoekster bewijst deze beschouwing niets in verband met de aangehaalde problematiek van overmacht en is het antwoord in ieder geval niet gericht op de specifieke toestand van verzoekende partij zoals uiteengezet in de aanvraag tot ontheffing. In die redenering zouden dwingende billijkheidsredenen (want het is op die basis dat geoordeeld werd) enkel en alleen kunnen aanwezig zijn wanneer alle hospitalen een aanvraag tot vrijstelling zouden indienen ... Overigens kunnen de motieven waardoor bepaalde ziekenhuizen kapitaalkrachtiger zijn om tekorten - althans momenteel - op te vangen gans verschillend zijn : bepaalde ziekenhuizen kunnen inderdaad dank zij bepaalde omstandigheden een reserve hebben aangelegd en andere bv. worden nog extern VII-15.395-2/6 gesteund door de religieuze congregatie ook al zijn die niet meer onmiddellijk betrokken. In ieder geval is het type-antwoord dat blijkbaar naar alle ziekenhuizen werd gestuurd in geen enkele mate een gemotiveerd antwoord op de elementen die door verzoekster werden aangehaald bij de Administratie, nl. dat de grote achterstand in de betalingen te dien tijde te wijten waren aan de grote achterstand van de terugbetalingen door het RIZIV en de zeer laattijdige aanpassing van de ligdagprijzen (dat kon zelfs jaren verschil geven van het ene ziekenhuis naar het andere) of met andere woorden niet aan verzoekster toerekenbare omstandigheden die ontegenzeglijk overmacht uitmaken"; 2.1.
  6. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert : "Lid 2 : Weerlegging van de kritiek 1/ In haar verzoek van 11 april 1994 haalt verzoekster als reden voor een volledige vrijstelling van de bijdrageopslagen aan het niet tijdig doorstorten van de overheidssubsidie via de mutualiteiten aan verzoekster. Tegenpartij antwoordt hierop dat dit niet als dwingende billijkheidsreden kan worden weerhouden daar de oorzaak voor de niet tijdige betaling ligt in het financieringssysteem van de ziekenhuizen. Verder verwijst tegenpartij naar het feit dat slechts weinige instellingen dit inroepen om hun betalingsachterstand te verrechtvaardigen. Een afdoende motivering vereist dat de rechtsonderhorige inzicht krijgt in de redenen van een beslissing. In casu worden expliciet deze redenen weergegeven. Het feit dat deze dezelfde zijn voor alle ziekenhuizen die op dezelfde basis een vermindering vroegen, betekent niet dat de motivering niet voldoet aan de vereisten van een formele motivering. Het afdoende karakter van de motivering volgt uit de uiteenzetting in het volgende punt. 2/ Tegenpartij verwijst naar het arrest Spermalie van de Raad van State dat als dwingende billijkheidsredenen beschouwt redenen In het licht van de rechtspraak van de Raad van State heeft tegenpartij een juiste beslissing genomen. 3/ De zinsnede in de bestreden beslissing betekent niet dat Tegenpartij stelt enkel in vraag of het financieringssysteem wel oorzaak is van de laattijdige betaling. 4/ Ten slotte moet benadrukt worden dat het Beheerscomité helemaal geen uitspraak deed over het begrip VII-15.395-3/6 2.1.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij weder antwoordt : "De zogezegde aangewreven verwarring in het gebruik van de terminologie geldt juist eveneens voor tegenpartij en terzake wordt verwezen naar het verzoekschrift. Zoals het even duidelijk is dat het niet-tijdig ontvangen van de subsidies overmacht was en geen uitzonderlijke omstandigheid (in de zin van de wet). Tegenpartij kan ook niet loochenen dat zelfs in haar eigen redenering alle motivering mank loopt en niet in de minste mate de toestand van verzoekster beoogt maar zich beperkt tot het verwijzen naar andere ziekenhuizen. In dat verband dient aangestipt dat de verpleegdagprijs 1989 slechts definitief betekend werd op 01.12.93 en deze extra betaalmiddelen slechts werden uitgekeerd begin mei
  8. Overigens werden de R.S.Z.-bijdragen voor het 4de kwartaal 1993 vereffend binnen de week na ontvangst van de bedragen van de ziekenfondsen die weliswaar geen overheidsinstellingen zijn maar instellingen belast dan toch met het waarnemen van een openbare dienst op basis van overheidsgelden. Het komt tamelijk hypocriet over vanwege tegenpartij te doen alsof de betalingsmoeilijkheden onbekend waren vooral omdat de betwisting zich situeert in de periode waarin de ziekenfondsen in opspraak kwamen"; 2.1.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie, naast het formuleren van kritiek op het auditoraatsverslag, nog aanvoert dat de door de verzoekende partij ingeroepen laattijdige aanpassing van de ligdagprijzen niet als een billijkheidsreden kan worden aanvaard; dat zij ter terechtzitting nog geheel nieuwe elementen in het geding brengt, waarvan zij zelf niet betwist dat zij ze minstens reeds in haar laatste memorie had kunnen aanbrengen; dat, gelet op het schriftelijk karakter van de rechtspleging, in het belang van een goede rechtsbedeling en ter vrijwaring van het principe van de wapengelijkheid, deze nieuwe elementen niet in aanmerking kunnen worden genomen; 2.2.
  10. Overwegende dat dit middel in het verzoekschrift, in tegenstelling tot het eerste middel, dat op grond van een al te onduidelijke uiteenzetting ervan werd verworpen in het voormelde tussenarrest, voldoende duidelijk uiteenzet dat o.m. "de aangehaalde problematiek van overmacht", niet in functie van haar ?specifieke toestand” werd beantwoord in de bestreden beslissing; dat dit impliceert dat hetgeen hieronder zal worden gewezen niet strijdt met het voormelde tussenarrest en geen schending van het gezag van gewijsde daarvan uitmaakt; 2.2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in haar brieven van 11 april 1994 en 22 juli 1994 volledige kwijtschelding van zowel de bijdrage-opslagen als van de intresten voor het vierde kwartaal van 1993 had gevraagd, o.m. met inroeping van liquiditeitsproblemen, te wijten aan laattijdige betalingen door de mutualiteiten; VII-15.395-4/6 Overwegende dat artikel 55, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, het de verwerende partij mogelijk maakt volledig af te zien van de betaling van de burgerlijke sancties, met name bijdrageopslagen en verwijlintresten, wanneer overmacht behoorlijk wordt bewezen; dat uit de voormelde brief blijkt dat de verzoekende partij zich op deze bepaling beriep, en niet zozeer op het bepaalde in artikel 55, § 3, van het vermelde koninklijk besluit, dat toelaat, o.m. wegens dwingende billijkheidsredenen, de vermindering van het bedrag van de bijdrageopslagen met 50 %, op 100 % te brengen, waarbij niet de mogelijkheid wordt gegeven het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten volledig kwijt te schelden; dat uit dit alles volgt dat de verwerende partij op de eerste plaats had moeten beoordelen of hetgeen door de verzoekende partij werd aangevoerd in hoofde van die partij een geval van overmacht uitmaakte; dat uit de formulering van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat de verwerende partij niet heeft beoordeeld of de aangevoerde redenen al dan niet een geval van overmacht uitmaken, doch de aanvraag van de verzoekende partij alleen heeft onderzocht vanuit het oogpunt van "dwingende billijkheidsredenen"; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  12. Vernietigd wordt de beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van 5 februari 1997 waarbij aan de v.z.w. KATHOLIEKE GEZONDHEIDSZORG OOSTENDE wordt meegedeeld dat haar verzoek om volledige ontheffing van de aangerekende bijdrageopslagen en intresten voor wat betreft het 4de kwartaal 1993 niet wordt ingewilligd. Artikel
  13. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-15.395-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.395-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.555 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.124.061 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.