id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.558 Rolnummer: A. 163450/XIV-22819 Zaak: Arrest 146558 - - 23/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-01 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 19:01 Fiche Arrest nr 146.558 van 23 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.558 van 23 juni 2005 in de zaak A. 163.450/XIV-22.
- In zake :
- XXX
- XXX die woonplaats kiezen bij advocaat V. LURQUIN, kantoor houdende te 1082 BRUSSEL, Gentsesteenweg
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Iraanse nationaliteit, op 21 juni 2005 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissingen tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 juni 2005; Gelet op de beschikking van 21 juni 2005 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2005 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M-C. FRERE, die loco advocaat V. LURQUIN verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; XIV-22.819-1/3 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de derde voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen in het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanvoeren dat de asielaanvragen van hun zonen in België worden behandeld en op dezelfde motieven zijn gesteund, dat de asielaanvragen van de verzoekende partijen zelf en van hun zonen bij een terugkeer van de verzoekende partijen naar Duitsland door verschillende nationale overheden zullen worden behandeld, dat de asielaanvragen van de verzoekende partijen moeten worden behandeld in het licht van de asielaanvragen van hun zonen, dat de asielaanvragen van hun zonen zich in de gegrondheidsfase bevinden, dat de behandeling van de asielaanvragen van de verzoekende partijen bovendien een scheiding zou inhouden met hun zonen als naaste familieleden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen bijgevolg onmiskenbaar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan de verzoekende partijen zou berokkenen; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen zich aanvankelijk met hun dochter naar Duitsland hebben begeven en zich daar vluchteling hebben verklaard op 1 november 2002 en dat de zonen van de verzoekende partijen zich op 4 september 2003 in België vluchteling hebben verklaard; dat de raadsman van de verzoekende partijen dit ter terechtzitting bevestigt; dat zowel de afzonderlijke behandeling van de asielaanvragen van enerzijds de verzoekende partijen en anderzijds hun zonen als het gescheiden verblijf in Duitsland en België in die omstandigheden een eigen keuze van de betrokkenen vormen; dat de verzoekende partijen bezwaarlijk kunnen voorhouden dat een afzonderlijke behandeling van de asielaanvragen en een gescheiden verblijf een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormen, vermits zij ab initio zelf voor die toestand hebben gekozen en zij na het indienen van de asielaanvragen door hun zonen in België op 4 september 2003 hebben gewacht tot 8 maart 2005 alvorens zelf een asielaan- vraag in België in te dienen; dat het voorgehouden nadeel derhalve wordt veroorzaakt door de eigen handelwijze van de verzoekende partijen en niet door de tenuitvoerlegging van de XIV-22.819-2/3 bestreden beslissing; dat de verzoekende partijen geen ander nadeel aanvoeren; dat derhalve niet is voldaan aan de derde schorsingsvoorwaarde; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwin- tig juni tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. SALIM, toegevoegd-griffier. De griffier, De voorzitter, M. SALIM. C. ADAMS. XIV-22.819-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.558 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.