id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.569 Rolnummer: A. 153239/X-11949 Zaak: Arrest 146569 - - 24/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-04 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 19:03 Fiche Arrest nr 146.569 van 24 juni 2005 - Beslissing : Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.569 van 24 juni 2005 in de zaak A. 153.239/X-11.
- In zake :
- de n.v. HOCKE,
- Noëlla DE RIJCKE, die woonplaats kiezen bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. HOCKE en Noëlla DE RIJCKE op 28 juni 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het ministerieel besluit van 2 april 2004 van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, betreffende onteigeningen ten algemenen ten nutte waarbij wordt bepaald dat voor de bouw van de Handelsdokbrug in Gent, de onroerende goederen op het grondgebied van de stad Gent onmiddellijk in bezit worden genomen die geel zijn ingekleurd op het plan 16DD G 009986 00 en dat deze goederen worden onteigend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 april 2004; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-11.949-1/6 Gelet op de beschikking van 1 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 juni 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. DE PRETER die, loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat I. BOCKSTAELE die, loco Advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden weergegeven:
- De eerste verzoekende partij is een bedrijf met activiteiten in de vrachtwagensector. Zij is eigenaar van enkele bebouwde percelen, gelegen in Gent, aan de Afrikalaan, kadastraal gekend onder de omschrijving Stad Gent, Zevende afdeling, Sectie G, nrs. 725/C4, 725/D4 en 725/E/
- De tweede verzoekende partij huurt de woning, gelegen aan de Afrikalaan 77, kadastraal bekend onder de omschrijving Sectie G,725/C/
- Na de nodige administratieve afhandeling en het voorzien van de nodige kredieten werd bij besluit van 2 april 2004 van de Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie het thans bestreden onteigeningsbesluit genomen. Dit besluit werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 april
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen X-11.949-2/6 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de verzoekende partijen met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel letterlijk het volgende uiteenzetten : "Het ligt voor de hand dat de eigenaar van een grond bestemd voor een bedrijfsexploitatie, die onteigend wordt, daarbij een ernstig nadeel ondervindt. Het onteigeningsbesluit tast een fundamenteel recht aan van eerste verzoekster, met name haar eigendomsrecht. De sinds lang aangekondigde plannen voor de Havendonkbrug heeft eerste verzoekster reeds heel wat nadeel berokkend. Omdat zij van oordeel was dat het gedurende de werken niet meer mogelijk zou zijn om nog op een normale wijze bedrijfsactiviteiten met de vrachtwagens uit te voeren, heeft zij voorlopig geen hernieuwing gevraagd van de exploitatievergunning voor de garage die is ondergebracht op de bedoelde terreinen. Eerste verzoekster hoopte de aanzienlijke schade die voor haar hieruit voortvloeit, goed te maken doordat de aanleg van de Havendonkbrug voor een betere bereikbaarheid zou zorgen. De onteigening van de gronden van eerste verzoekster heeft niet alleen deze hoop de grond in geboord, maar zal er eveneens voor zorgen dat verzoekster moet uitkijken naar nieuwe gronden in het Gentse, waar zij een garage kan exploiteren, waarvoor een milieuvergunning vereist is. Gelet op de schaarste aan bedrijfsterreinen is het allesbehalve vanzelfsprekend om in de buurt geschikte terreinen te vinden. Ook tweede verzoekster ondervindt een belangrijk nadeel. Zij heeft een huurcontract van onbepaalde duur afgesloten met eerste verzoekster. Gelet op de onteigening bij hoogdringendheid zal zij op zeer korte termijn op zoek moeten gaan naar een nieuwe gezinswoning. De ontzetting uit haar woning zal tweede verzoekster des te zwaarder treffen, omdat haar dertienjarige kleindochter in de bedoelde woning recent (op 9 juni 2001) op een tragische wijze om het leven is gekomen. In de tuin van de woning is er een gedenksteen aangebracht die een bijzonder grote emotionele waarde heeft voor tweede verzoekster. Tweede verzoekster ondervindt derhalve ook een ernstig moreel nadeel bij de geplande onteigening. Het nadeel is niet alleen ernstig, maar ook moeilijk te herstellen. De onteigening is immers, zo al niet in rechte, dan toch in elk geval in feite onomkeerbaar. Als gevolg van de toepassing van de procedure bij hoogdringende omstandigheden zal de onteigening in de zeer nabije toekomst worden gerealiseerd waardoor de ontzetting van eerste verzoekster uit haar eigendomsrecht en de beëindiging van de bewoning door tweede verzoekster, onomkeerbaar zal zijn. Door de nakende bouw van de Havendokbrug zullen verzoeksters voor een voldongen feit gesteld worden. Enkel de gevraagde schorsing kan beletten dat de gerechtelijke onteigeningsprocedure op grond van het bestreden besluit kan worden ingeleid. Bovendien kan er in dit verband op worden gewezen dat in onderhavig verzoekschrift de keuze van het procédé van onteigening bij hoogdringende omstandigheden volgens de wet van 26 juli 1962 aan de kaak wordt gesteld. Moeten wachten totdat die procedure wordt opgestart om in het raam ervan de keuze van die procedure te betwisten is op zich reeds een moeilijk te herstellen nadeel.
- In dit kader dient ten slotte te worden onderstreept dat het feit dat de burgerlijke rechter zich in principe vermag uit te spreken over de interne en externe wettigheid van een onteigeningsbesluit, de bevoegdheid van de Raad van State geenszins uitsluit. Ten eerste kan er in dit verband op worden gewezen dat X-11.949-3/6 de onteigeningsvordering nog steeds niet is ingeleid bij de Vrederechter, zodat de principiële bevoegdheid van de Raad van State in dit stadium van de procedure niet ernstig kan betwist worden. Ook indien de onteigeningsvordering reeds voor de Vrederechter zou zijn ingeleid, blijft de administratieve rechter evenwel bevoegd. De justitiële rechter oefent immers weliswaar een preventieve controle uit op de wettigheid van de onteigening, maar de wettelijk aan de Vrederechter toebedeelde termijn van 48 uur na de verschijning om een vonnis op te stellen, maakt het haast onmogelijk om die rechterlijke controle in volle omvang te bewerkstelligen. Tegen deze beslissing van de Vrederechter staat bovendien geen hoger beroep open [art. 8, tweede lid Wet 26 juli 1962), en zelfs geen cassatieberoep (Cass., 15juni 1973, A.C., 1973, 1004). De mogelijkheid van een voorziening bij de Raad van State biedt derhalve een belangrijke bijkomende rechtsbescherming. Dat de burgerlijke rechter niet dezelfde rechtsbescherming kan bieden als de Raad van State, wordt - met een ommekeer in de rechtspraak van het Arbitragehof - bevestigd in een recent arrest van het Arbitragehof. Het Hof wijst op belangrijke verschillen in rechtsbescherming tussen de burgerlijke en de administratieve rechter en leidt daaruit een discriminatie af. Het Arbitragehof stelt vast: 'B.
- De studenten van een vrije universiteit kunnen zich weliswaar wenden tot de gewone rechtbanken, die zich soms bevoegd hebben geacht om een wettigheidscontrole uit te oefenen op de beslissingen genomen door overheden die in instellingen van het vrij onderwijs zijn ingericht. Dergelijke vorderingen zijn evenwel niet gebaseerd op een inquisitoriaal onderzoek en zij leiden tot beslissingen die, anders dan de beslissingen van de Raad van State, slechts een relatief gezag van gewijsde hebben. B.
- Daaruit volgt dat de prejudiciële vraag in de daarin voorgestelde interpretatie, bevestigend dient te worden beantwoord vermits die interpretatie ertoe leidt twee categorieën van studenten verschillend te behandelen zonder toelaatbare verantwoording.' De vordering afwijzen als (kennelijk) onontvankelijk, omdat verzoeksters zich ook zou kunnen wenden tot de justitiële rechter van zodra de onteigenaar tot onteigening overgaat, zou dan ook neerkomen op een ongeoorloofde aantasting van hun rechtsbescherrning. De traditionele rechtspraak dat de wettigheidstoetsing van de Vrederechter en de Raad van State gelijkwaardig is, kan in het licht van het geciteerde arrest van het Arbitragehof niet langer worden gehandhaafd. De rechtsbescherming van de gespecialiseerde administratieve rechter die een onteigeningsbesluit erga omnes kan nietigverklaren biedt wel degelijk een meerwaarde in vergelijking met de rechtsbescherming die de Vrederechter kan brengen. Dit in twijfel trekken ondergraaft de grondvesten van het bestaande 'dualistisch' rechtssysteem en de bestaansreden van de administratieve rechter. De noodgedwongen beperkte legaliteitscontrole van de Vrederechter draagt in zich, meer dan de legaliteitscontrole door de gespecialiseerde rechter die de Raad van State is, het risico op het nadeel verbonden aan een verwerping van de illegaliteitsmiddelen gericht tegen het onteigeningsbesluit. Een eventuele nietigverklaring van dit besluit na verwerping van de illegaliteitsmiddelen door de Vrederechter-gesteld al dat de Raad dit zou doen-kan dit risico niet teniet doen en de onteigening niet ongedaan maken, maar hoogstens aanleiding geven tot financiële compensatie."; Overwegende wat de specifieke dreiging betreft van het verlies van de eigendom zelf, dat de eerste verzoekende partij pas uit haar eigendom zal worden ontzet als de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan; dat de vrederechter X-11.949-4/6 die onteigening slechts kan uitspreken en de provisionele vergoeding slechts kan bepalen nadat hij het bestreden machtigingsbesluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft getoetst; dat in zijn arrest nr. 51/95 van 22 juni 1995 en in zijn eerdere arresten waarnaar het in dat arrest verwijst, het Arbitragehof de wettigheidscontrole van de burgerlijke rechter evenwaardig heeft bevonden met de controle die de Raad van State kan doen; dat ingevolge die rechtspraak de Raad van State ervan moet uitgaan dat de eerste verzoekende partij de wettigheidsbezwaren welke zij thans aanvoert, nog zal kunnen doen gelden voor de vrederechter, dat deze er uitspraak over zal moeten doen en dat, indien zij gegrond worden bevonden, het risico van het verlies van eerste verzoeksters eigendom alsnog afgewend zal kunnen worden; dat het, zonder twijfel reële en ernstige nadeel welke de dreiging van het verlies van haar eigendom op zichzelf betekent voor de eerste verzoekende partij, derhalve geen moeilijk te herstellen karakter heeft in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat eenzelfde redenering zich opdringt met betrekking tot de situatie van tweede verzoekster; dat overigens niet blijkt dat de onteigenende overheid een aanvang heeft genomen met de gerechtelijke procedure; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17,§ 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het bestreden besluit. X-11.949-5/6 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni 2005, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. E. BREWAEYS. X-11.949-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.569 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.056 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.