id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.696 Rolnummer: A. 163517/XIV-22843 Zaak: Arrest 146696 - - 24/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-27 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 19:19 Fiche Arrest nr 146.696 van 24 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.696 van 24 juni 2005 in de zaak A. 163.517/XIV-22.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij: Advocaat S. AGNEESSENS, kantoor houdende te 1170 Brussel, Terhulpsesteenweg 150 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 22 juni 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing tot terugdrijving van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 juni 2005; Gelet op de beschikking van 23 juni 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 juni 2005 om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. AGNEESSENS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; XIV-22.843-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij op 5 juni 2005 op de luchthaven van Zaventem aankomt; dat zij in het bezit is van een Kameroens paspoort met een toeristenvisum C, afgegeven door de Finse diplomatieke autoriteiten in Kameroen voor de Schengen-ruimte en geldig van 4 juni tot 4 juli 2005; dat de verzoekende partij naar eigen zeggen op doorreis is naar Finland, waar zij aan bepaalde toelatingsexamens wenst deel te nemen; dat de verwerende partij op 5 juni 2005 beslist tot terugdrijving van de verzoekende partij; dat dit de thans bestreden beslissing is; Overwegende dat de verzoekende partij zich op 6 juni 2005 vluchteling verklaart; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 23 juni 2005 een beslissing tot weigering van toegang met terugdrijving of terugleiding naar de grens neemt; dat een vraag tot overname aan de Finse autoriteiten is gericht die bevestigend is beantwoord; Overwegende dat de verzoekende partij met een brief van haar raadsman van 13 juni 2005, per telefax verstuurd op 20 juni 2005, op gemotiveerde wijze vraagt om de bestreden beslissing “te herzien”; dat de dienst Vreemdelingenzaken op 20 juni 2005 enkel antwoordt “dat door middel van de Dublin Conventie een overnameverzoek aan Finland gevraagd wordt” voor de verzoekende partij;
- Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpt omdat de verzoekende partij geen belang meer bij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou hebben ingevolge de voornoemde op 23 juni 2005 genomen beslissing; dat de exceptie betreffende het actuele belang bij het aanvechten van de beslissing tot terugdrijving van 5 juni 2005 op het ogenblik dat een beslissing tot overdracht van de verzoekende partij aan de Finse autoriteiten is genomen echter niet hoeft te worden onderzocht nu, zoals hierna zal blijken, niet aan de schorsingsvoorwaarden ten gronde is voldaan; 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.
- Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat artikel 8, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake XIV-22.843-2/4 geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat: "Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen"; dat, gelet op het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling waarin de wet voorziet en op de stoornis die zij in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt, waarbij onder meer de rechten van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum zijn herleid, de verantwoording door de verzoekende partij van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsing evident, dit wil zeggen klaarblijkelijk, dit is op het eerste gezicht onbetwistbaar moet zijn; dat de verzoekende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid met concrete gegevens dient aan te tonen; dat deze rechtvaardi- ging tweeledig is; dat, enerzijds, dient te worden aangetoond dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en, anderzijds, dat zij niet onredelijk lang met het indienen van haar verzoekschrift heeft gewacht; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij betreffende het indienen van haar verzoekschrift het volgende aanvoert: “(...) Dat de termijn waarbinnen het beroep van verzoeker werd ingediend, als tijdig dient te worden beschouwd, gelet op het feit dat de beslissing genomen op 5 juni 2005 (‘s nachts), tot gevolg had dat verzoeker sowieso niet in staat was tijdig een beslissing te nemen om alsnog deel te nemen aan het ingangsexamen dat doorging in de ochtend van 8 juni 2005 te Helsinki; dat hij dan ook, teneinde zijn actueel belang aan te tonen contact diende op te nemen met de onderwijsinstellingen in kwestie om de nodige documenten te bekomen ter staving van de mogelijkheid alsnog de ingangsexamens af te leggen.”; Overwegende dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat het willig beroep van de verzoekende partij tegen de bestreden beslissing is gedateerd op 13 juni 2005 doch slechts per telefax op 20 juni 2005 is verzonden; dat de raadsman van de verzoekende partij dit ter terechtzitting bevestigt; dat de verzoekende partij dus slechts de vijftiende dag na de bestreden beslissing willig beroep heeft aangetekend; dat alleen al om die reden geen verantwoording in het willig beroep kan worden gevonden voor het wachten met het instellen van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid; dat in het wachten op een document uit Helsinki betreffende een mogelijk uitstel van het ingangsexamen voor de verzoekende partij evenmin een reden kan worden gevonden om niet de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen, vermits het kwestieuze document, als stuk 3 bij het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid gevoegd, per telefax op 13 juni 2005 blijkt te zijn overgemaakt en de huidige vordering nog eens 9 dagen later werd ingesteld; dat in die omstandigheden geenszins kan worden aangenomen dat de verzoekende partij diligent en alert heeft gereageerd doch dat zij onredelijk lang met het indienen van het verzoekschrift heeft gewacht; XIV-22.843-3/4 3.
- Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwin- tig juni tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-22.843-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.696 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.