← België

Arrest 146719 - - 27/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.719 Rolnummer: A. 161710/IX-4861 Zaak: Arrest 146719 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-18 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 19:27 Fiche Arrest nr 146.719 van 27 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.719 van 27 juni 2005 in de zaak A. 161.710/IX-

  1. In zake : Christiane GOYVAERTS, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. KEMPENEERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Maliestraat 13-15 tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van VILVOORDE, dat woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY , kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Christiane GOYVAERTS op 1 april 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 1 februari 2005 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Vilvoorde, waarbij zij bij ordemaatregel, in afwachting van het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek dat tegen haar wordt gevoerd, preventief wordt geschorst gedurende een termijn van maximum vier maanden; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van hetzelfde besluit; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 juni 2005; IX-4861-1/8 Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ph. KEMPENEERS, die verschijnt voor verzoekster; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoekster is als verpleegster in dienst van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn - hierna: OCMW - van Vilvoorde. Sedert 1 november 2003 werkt zij op de RVT-dienst van het Woon- en Zorgcentrum “Ter Linde”. Zij maakt er deel uit van het “Palliatieve Support Team” . 1.
  5. Op 18 januari 2005 stelt de secretaris van het OCMW een verslag op ten laste van verzoekster volgens welk zij verdacht wordt van eigenmachtig toedienen of weigeren van medicatie aan residenten, onverwacht overlijden van sommige residenten voor wie ze instond, alsook ander eigengereid optreden. 1.
  6. Dezelfde dag nog besluit het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn dat tegen verzoekster een klacht zal worden ingediend bij de strafrechtsmacht, dat verzoekster onmiddellijk uit de dienst wordt verwijderd en dat zij bij de secretaris zal worden uitgenodigd voor “een confrontatie met de feiten”. 1.
  7. Op 19 januari 2005 heeft er tussen de secretaris en verzoekster een gesprek plaats, waarover eerstgenoemde een verslag opstelt. 1.
  8. Op 20 januari 2005 neemt het vast bureau kennis van dat verslag. Het besluit dat verzoekster zal worden opgeroepen voor verhoor door de raad voor maatschappelijk welzijn met het oog op een mogelijke preventieve schorsing bij ordemaatregel. In afwachting wordt aan verzoekster dienstvrijstelling verleend. IX-4861-2/8 1.
  9. Op 21 januari 2005 dient het OCMW tegen verzoekster een klacht in bij de procureur des Konings te Brussel. 1.
  10. Met een brief van 21 januari 2005 roepen de voorzitter en de secretaris van het OCMW verzoekster op om op 31 januari 2005 door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord. Zij vermelden onder meer dat de feiten waarvoor een preventieve schorsing wordt overwogen de “oneigenlijke toepassing van de geneeskunde en/of oneigenlijke toepassing van palliatieve zorgverlening” betreffen. Het verslag van 18 januari 2005 van de secretaris is daarbij gevoegd. 1.
  11. Op 31 januari 2005 wordt verzoekster, die niet in persoon verschijnt, voor de raad de raad voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigd door haar advocaat en een vakbondsafgevaardigde. Ook de hoofdverpleegkundige wordt gehoord. 1.
  12. Tijdens dezelfde vergadering neemt de raad voor maatschappelijk welzijn, onder verwijzing naar de artikelen 310 tot 317 van de nieuwe gemeentewet, het thans bestreden besluit om verzoekster preventief te schorsen met behoud van wedde, met een maximum termijn van 4 maanden als ordemaatregel in afwachting van het resultaat van de strafrechterlijke onderzoeken. Tevens wordt besloten dat indien binnen de 4 maanden nog geen resultaat van het strafrechterlijk onderzoek bekend zou zijn, de raad zich opnieuw zal beraden over de te nemen maatregelen. De determinerende redenen van dat besluit luiden als volgt: “Wetende dat de geuite vermoedens het voorwerp uitmaken van een klacht van het OCMW bij de Procureur des Konings te Brussel waarvan het onderzoeksresultaat nog niet gekend is; Gezien het OCMW instaat voor de organisatie van de dienstverlening aan de bejaarden in het rustoord, en de aanwijzingen van oneigenlijke toepassing van de geneeskunde en/of palliatieve zorgverlening door Mevr. Christiane Goyvaerts een vermoeden geeft dat Christiane Goyvaerts aan haar professionele verplich- tingen tekort zou komen is haar aanwezigheid op de dienst onverenigbaar met het belang van de dienst en het lopende strafrechterlijk onderzoek; Gezien het verstrekken van geneesmiddelen zonder doktersvoorschrift en zonder registratie ernstige gevolgen kan hebben voor de gezondheidstoestand van bejaarde residenten en gezien het OCMW ervan in kennis werd gesteld, zijnde in de vorm van vermoedens, moet het OCMW hoogdringend optreden om ten preventieve titel mogelijke risico’s voor de residenten als dusdanig uit te sluiten”. 1.
  13. Met een op 1 februari 2005 ter post aangetekend verzonden brief stellen de voorzitter en de secretaris verzoekster van dit besluit in kennis. IX-4861-3/8
  14. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  15. Overwegende dat verzoekster het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit meent te kunnen ondergaan, als volgt uiteenzet : “1/ Er is sprake van een moeilijk te herstellen nadeel wanneer als gevolg van de preventieve schorsing de bestaanszekerheid van het personeelslid en/of zijn gezin in gevaar worden gebracht (R.v.St., nr. 80.246, 17 mei 1999). Dit is het geval in casu. Als gevolg van de preventieve schorsing kan Christiane GOYVAERTS niet langer door arbeid een inkomen verwerven omdat zij enerzijds niet langer haar normale dienstbetrekking kan uitvoeren, terwijl zij anderzijds, omwille van het nog steeds bestaande dienstverband, niet elders kan gaan werken. Aldus schendt de preventieve schorsing het overeenkomstig artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht op arbeid en het eveneens overeenkomstig artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht op de vrije keuze van beroepsarbeid door Christiane GOYVAERTS te beletten en beroepsarbeid van haar keuze uit te oefenen. 2/ Er is sprake van een moeilijk te herstellen nadeel wanneer de preventieve schorsing onredelijk lang zal aanslepen (R.v.St., nr. 85.870, 13 maart 2000). Dit is het geval in casu. De O.C.M.W.-raad heeft immers een klacht ingediend bij de procureur des Konings te Brussel. Vermits de procureur des Konings een onderzoeksrechter heeft aangesteld, lijkt het weinig waarschijnlijk dat een beslissing binnen de voorziene schorsings- periode van vier maanden verwacht mag worden. Het strafrechtelijk onderzoek zal willicht anderhalf à twee jaar duren. De lange duur van het onderzoek zal ongetwijfeld de indruk doen ontstaan dat Christiane GOYVAERTS schuldig is zonder dat zij ook maar de kans heeft het tegendeel aan te tonen. Christiane GOYVAERTS wenst te herhalen dat zij tot op heden nog steeds niet weet welke concrete feiten de O.C.M.W.-raad haar ten laste heeft gelegd. In deze omstandigheden zal Christiane GOYVAERTS, indien ze dat al wenst, evenmin ander werk kunnen vinden in dezelfde sector. 3/ Er is sprake van een moeilijk te herstellen nadeel wanneer de indruk wordt gewekt dat een personeelslid persoonlijk verantwoordelijk is voor mistoestanden (R.v.St., nr. 118.726, 28 april 2003). Dit is het geval in casu. Indien, zoals gezegd wordt door de secretaris van de O.C.M.W.-raad op de hoorzitting van 31 januari 2005, Christiane GOYVAERTS betrokken is bij negen (!) verdachte overlijdens zou dit minstens uit het dossier moeten blijken. Nochtans heeft de O.C.M.W.-raad Christiane GOYVAERTS preventief geschorst zonder maar één concreet bewijsstuk, nl. naam en datum van de overleden personen, aan het dossier te voegen. IX-4861-4/8 Desgevallend zou Christiane GOYVAERTS bezwaarlijk als enige verantwoordelijk kunnen worden gesteld. In dergelijk onwaarschijnlijk scenario dienen minstens de hoofdverpleegster en de behandelende geneesheren mede verantwoordelijk gesteld te worden. Uit de vaststelling dat het dossier geen enkele verklaring van een geneesheer bevat luidens dewelke Christiane GOYVAERTS verantwoordelijk kan worden gesteld voor het overlijden van een patiënt dient minstens besloten te worden dat Christiane GOYVAERTS thans onterecht als hoofdschuldige wordt aangewezen voor een situatie die onmogelijk buiten medeweten van anderen kon bestaan. 4/ Uit het ontbreken van dossierstukken dient besloten te worden dat de beslissing tot preventieve schorsing ongetwijfeld leidt tot een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.”; 2.2.
  16. Overwegende dat een preventieve schorsing geen tuchtmaatregel is, maar een in de tijd beperkte ordemaatregel genomen in het belang van de dienst; dat geen uitspraak wordt gedaan over de schuld van betrokkene; dat zij aan het betrokken personeelslid wel nadeel berokkent, maar dat nadeel in beginsel kan worden hersteld door een vernietigingsarrest; dat dit slechts uitzonderlijk anders is indien de verzoekende partij concrete gegevens aanbrengt, eigen aan de bijzondere omstandigheden van de zaak, welke het tegendeel aantonen; 2.2.
  17. Overwegende dat verzoekster in de onderhavige zaak die gegevens niet aanbrengt; dat vooreerst, in zoverre zij betoogt dat haar bestaanszekerheid in het gedrang komt, doordat zij ingevolge het bestreden besluit niet langer een inkomen uit arbeid kan verwerven omdat zij enerzijds haar normale dienstbetrekking niet meer kan bekleden en zij anderzijds niet elders kan gaan werken, vastgesteld moet worden, enerzijds dat de preventieve schorsing het dienstverband tussen verzoekster en het OCMW van Vilvoorde niet heeft beëindigd en anderzijds er geen inhouding van wedde aan verbonden is; dat overigens het bestreden besluit er niet aan in de weg staat dat verzoekster zelf het dienstverband verbreekt en elders werk zoekt; dat waar zij de schending van artikel 23 van Grondwet aanvoert, zulks de grondwettigheid van het bestreden besluit aangaat, maar niets zegt over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat verzoekster ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dat besluit zou kunnen lijden; 2.2.
  18. Overwegende, voorts, dat in zoverre verzoekster laat gelden dat te vrezen is dat haar preventieve schorsing onredelijk lang zal aanslepen, omdat het weinig waarschijnlijk is dat een uitspraak over de strafklacht die tegen haar werd ingediend binnen de voorziene schorsingsperiode van vier maanden mag worden verwacht en het strafrechtelijk onderzoek wellicht anderhalf tot twee jaar zal duren, het eveneens op het statutair personeel van de openbare centra voor maatschappelijk IX-4861-5/8 welzijn van toepassing zijnde artikel 310 van de nieuwe gemeentewet bepaalt dat een personeelslid, wanneer het strafrechtelijk of tuchtrechtelijk wordt vervolgd en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, preventief bij ordemaat- regel kan worden geschorst; dat volgens het eveneens van toepassing zijnde artikel 312, § 1, van dezelfde wet, de preventieve schorsing voor een termijn van ten hoogste vier maanden wordt uitgesproken en de overheid in het geval van strafrechte- lijke vervolging van het personeelslid deze termijn voor perioden van ten hoogste vier maanden kan verlengen, zolang de strafrechtelijke procedure duurt, mits inachtne- ming van de procedure bedoeld in artikel 314; dat aldus de wetgever zelf aan het bestuur de mogelijkheid heeft geboden om het personeelslid dat het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijk onderzoek tijdens de duur van dat onderzoek preventief te schorsen; dat weliswaar het bestuur minstens om de vier maanden zal moeten nagaan of de aanwezigheid van het betrokken personeelslid onverenigbaar blijft met het belang van de dienst en dienvolgens nog tot een verlenging van diens preventieve schorsing kan worden besloten; dat het thans bestreden besluit slechts de eerste periode van preventieve schorsing betreft, waarvan de duur is vastgesteld op ten hoogste vier maanden; dat die periode -welke intussen al verstreken is- op zich niet onredelijk lang kan worden genoemd; dat niet vaststaat dat het strafrechtelijk onderzoek anderhalf jaar tot twee jaar zal duren noch dat de preventieve schorsing telkens voor dezelfde duur zal worden verlengd; 2.2.
  19. Overwegende dat voor zover verzoekster ook aanvoert dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt doordat de indruk wordt gewekt dat zij persoonlijk verantwoordelijk is voor “mistoestanden”, met name waar zij ervan wordt verdacht bij negen verdachte overlijdens betrokken te zijn geweest, daar tegenover staat dat uit het bestreden besluit geenszins blijkt dat verzoekster persoonlijk verantwoordelijk wordt gesteld voor “mistoestanden”, doch enkel dat er vermoedens zijn geuit dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan “de oneigenlijke toepassing van de geneeskunde en/of oneigenlijke toepassing van palliatieve zorgverlening”, dat die vermoedens het voorwerp uitmaken van een klacht bij de procureur des Konings te Brussel, waarvan het onderzoeksresultaat vooralsnog niet gekend is en dat in afwachting daarvan haar aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst; dat in het bestreden besluit alleszins niet wordt gesteld dat verzoekster “betrokken” zou zijn geweest bij negen verdachte overlijdens; dat verzoekster er dan ook ten onrechte van uitgaat dat het bestreden besluit haar als schuldige zou aanwijzen; IX-4861-6/8 2.2.
  20. Overwegende, ten slotte, dat de stelling van verzoekster als zou uit het ontbreken van dossierstukken besloten dienen te worden dat de beslissing tot preventieve schorsing ongetwijfeld leidt tot een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, niet meer is dan een blote bewering, welke niets zegt over de aard en de ernst van het nadeel dat verzoekster meent te kunnen ondergaan; dat voor het opleggen van een preventieve schorsing het immers volstaat dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het personeelslid ernstig aan zijn beroepsplichten tekort gekomen zou kunnen zijn en dat zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst; dat concrete bewijskrachtige gegevens welke die aanwijzingen dienen te staven opdat deze uiteindelijk tot een tuchtmaatregel zou kunnen leiden, precies door het strafonder- zoek of het tuchtonderzoek aan het licht moeten worden gebracht; 2.2.
  21. Overwegende dat de Raad van State bijkomend vast dient te stellen dat verzoekster de onderhavige vordering tot schorsing pas op 1 april 2005 heeft ingediend, dat is de achtenvijftigste dag nadat het bestreden besluit haar met een aangetekende brief van 1 februari 2005 ter kennis werd gebracht, met andere woorden toen de duur ervan reeds voor de helft was verstreken; dat de maatregel thans reeds helemaal is uitgewerkt; dat, daargelaten de vraag of een eventueel nadeel hoe dan ook nog kan worden vermeden door een schorsing van de tenuitvoerlegging, die vaststelling verzoeksters betoog van over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel sterk relativeert; 2.
  22. Overwegende dat dienvolgens aan één van de twee in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vermelde cumulatieve voorwaarden voor het bevelen van de schorsing niet is voldaan, BESLUIT: Artikel
  23. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  24. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-4861-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2000 en vijf, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4861-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.719 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.843 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.