id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.721 Rolnummer: A. 161580/IX-4855 Zaak: Arrest 146721 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 19:27 Fiche Arrest nr 146.721 van 27 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.721 van 27 juni 2005 in de zaak A. 161.580/IX-
- In zake : Yannick NEELS, die woonplaats kiest bij advocaat H. BOGAERTS, kantoor houdende te SINT-NIKLAAS, Gustaaf De Ridderstraat 6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Yannick NEELS op 9 april 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 27 januari 2005 waarbij zij als voorlopig benoemd adjunct-griffier bij de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde in vooropzeg wordt geplaatst; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van hetzelfde besluit; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State en over de vordering tot schorsing, door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikkingen van 18 mei 2005, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 juni 2005; IX-4855-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LOUAGE, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoekster treedt op 1 oktober 2002 als contractueel juriste in dienst bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Bij koninklijk besluit van 30 januari 2004, gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 maart 2004, wordt zij voorlopig benoemd tot het ambt van adjunct-griffier bij deze rechtbank. Artikel 1bis van het benoemingsbesluit luidt als volgt : “Art.1bis. Deze benoeming wordt vast na één jaar ambtsvervulling, tenzij er een einde is gemaakt aan het voorlopig uitgeoefende ambt”. 1.
- Op 8 november 2004 stelt de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde aan de minister van Justitie voor om een einde te maken aan de voorlopige benoeming van verzoekster. Hij deelt mede “dat mevrouw Neels Y. voornoemd geen voldoening schenkt bij het uitoefenen van haar ambt van adjunct-griffier. De magistraat waarmee zij dient samen te werken en verschillende van haar collega’s melden mij dat haar prestaties sterk beneden het normale peil zijn”. 1.
- Op 25 november 2004 vraagt de minister van Justitie, via de Procureur- generaal bij het hof van beroep te Gent, haar een gedetailleerd verslag over te maken, op basis waarvan beslist zal worden of verzoekster al dan niet geschikt is om het ambt van adjunct-griffier verder uit te oefenen. IX-4855-2/7 1.
- Op 17 december 2004 maakt de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde een verslag op waarin hij betreffende verzoekster, samengevat, het volgende stelt : - Bij haar benoeming werd betrokkene ingeschakeld als griffier voor de zittingen beroepen politierechtbank. Zij wordt omschreven als niet gemotiveerd om goed werk af te leveren. Haar werk was slordig, niet nagelezen en vol tikfouten. Haar gedrag was niet collegiaal, eerder egoïstisch. - Sedert 8 september 2004 is zij aangewezen om een onderzoeksrechter bij te staan. De magistraat waaraan zij bijstand verleent, vindt dat betrokkene niet genoeg persoonlijkheid en karakter heeft en dat zij geen voortdurende inspanning in de tijd aankan. Betrokkene heeft verzocht om van deze taak ontlast te worden aangezien zij zelf aanvoelt dat het niet gaat. Met de collega’s, griffiers van de onderzoeksrechters, was er ook geen sprake van integratie. - Ook de voorzitter van de raadkamer is van oordeel dat zij weinig collegiaal is en weinig uitleg vraagt wat tot fouten leidt. De hoofdgriffier besluit als volgt : “Wij hebben sterk de indruk dat mevrouw Neels een functie betracht die haar zoveel mogelijk vrije tijd geeft om samen met haar gezin door te brengen. Een functie die haar aanwezigheid op de griffie gedurende een volledige dagtaak vereist wordt door haar afgewezen. Ik ben dan ook van oordeel dat betrokkene niet geschikt is om het ambt van adjunct-griffier verder waar te nemen. Ook de heer voorzitter der rechtbank is dezelfde mening toegedaan”. 1.
- Bij het thans bestreden koninklijk besluit van 27 januari 2005 wordt verzoekster in vooropzeg geplaatst. Dit besluit is als volgt gemotiveerd : “Gelet op het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid op het artikel 262 en 269bis; Gelet op het koninklijk besluit van 28 augustus 1970 houdende statuut van het voorlopig personeel van de griffies en de parketten, inzonderheid op het artiklel 1; Gelet op het koninklijk besluit van 30 januari 2004 en 10 maart 2004, waarbij mevr. Neels Yannick voorlopig benoemd werd als adjunct-griffier bij de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde en de eedaflegging van 12 februari 2004; Gelet op het advies van de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 17 december 2004;”. 2.1.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij IX-4855-3/7 stelt dat de bestreden beslissing op geen enkele wijze uitdrukkelijk gemotiveerd wordt, aangezien het enkel meldt dat verzoekster in vooropzeg wordt geplaatst, wat de duur van die opzegging is en wanneer ze aanvangt; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het weglaten van de formele motivering niet noodzakelijk moet leiden tot nietigverklaring, dat verzoekster zich immers niet nuttig op de schending van de formele motiveringsplicht kan beroepen, omdat uit het verzoekschrift blijkt dat zij de motieven kent die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen en het doel van de formele motiveringsplicht aldus duidelijk bereikt is; dat bovendien volgens haar blijkt uit het bestreden besluit dat het voldoet aan de formele motiveringsplicht, aangezien het de betrokkene voldoende inzicht verschaft in de motieven van de beslissing om te kunnen oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren; 2.1.
- Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de administratieve overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze; dat die verplichting tot doel heeft de belanghebbende in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat hij kan oordelen of het nuttig is zich hiertegen te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; Overwegende dat het in de onderhavige zaak bestreden koninklijk besluit geen formele motivering bevat; dat in de aanhef ervan weliswaar verwezen wordt naar “het advies van de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 17 december 2004"; dat echter niet blijkt dat dit advies - eigenlijk het hiervoor sub 1.
- aangehaalde verslag - aan verzoekster ter kennis werd gebracht; dat de verwerende partij niet aantoont dat verzoekster de inhoud ervan kende; dat verzoekster in haar verzoekschrift tot nietigverklaring nergens alludeert aan de inhoud van dat verslag; dat zij dus niet geacht kan worden de precieze inhoud te kennen van een verslag waarin wordt voorgesteld om haar aanstelling te beëindigen en meer bepaald van de concrete redenen daartoe; dat de verwijzing naar het advies van de hoofdgriffier dan ook niet volstaat om het bestreden besluit afdoende te motiveren; dat het middel kennelijk gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 114 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut IX-4855-4/7 van het rijkspersoneel, doordat zij niet in de gelegenheid werd gesteld om te worden gehoord met betrekking tot de beslissing waarbij zij in vooropzeg werd geplaatst; dat zij in een derde middel de schending aanvoert van “het recht van verdediging - algemeen rechtsbeginsel conform artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM)”, waarbij zij stelt dat zij niet in de gelegenheid werd gesteld om te worden gehoord met betrekking tot de beslissing waarbij zij in vooropzeg werd geplaatst en evenmin in kennis werd gesteld van het advies over haar prestaties als adjunct-griffier; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij op het tweede middel antwoordt, onder meer, dat een ambtenaar die onder het toepassingsgebied valt van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, in vast verband zijn diensten aan het rijksbestuur verleent en dat het voormeld koninklijk besluit bijgevolg niet op verzoekster van toepassing kan zijn; dat wat het derde middel betreft zij antwoordt dat er geen inbreuk is gepleegd op artikel 6 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens (EVRM), aangezien verzoekster in de procedure voor de Raad van State “al haar middelen kan doen gelden”; 2.2.
- Overwegende , wat het tweede middel betreft, dat artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel bepaalt dat rijksambtenaar is “elkeen die, in vast verband, zijn diensten aan een rijksbestuur verleent”; dat de griffiers en adjunct-griffiers bij de hoven en rechtbanken niet behoren tot het rijksbestuur, maar deel uitmaken van de rechterlijke orde; dat het statuut van het rijkspersoneel dan ook, op het eerste gezicht, niet van toepassing lijkt te zijn op verzoekster; dat in zoverre echter verzoekster meer algemeen de schending aanvoert van het recht om gehoord te worden, het middel samen valt met het derde middel; dat, daargelaten de vraag of dat recht om gehoord te worden door de bestuursoverheid, beschermd wordt door artikel 6 van het EVRM, volgens een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur tegen niemand een maatregel kan worden genomen die zijn rechtstoestand in ongunstige zin wijzigt, die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat aan de betrokkene vooraf de mogelijkheid wordt gegeven om op nuttige wijze voor zijn standpunt op te komen; Overwegende dat die hoorplicht zonder twijfel gold voor de bestreden beslissing, ook al gaat het niet om een tuchtsanctie; dat verzoekster door die beslissing in vooropzeg werd geplaatst en zij haar ernstig nadeel toebrengt, aangezien zij haar betrekking van adjunct-griffier verliest; dat bovendien uit het advies van de hoofdgriffier IX-4855-5/7 blijkt dat kritiek omtrent gedrag en prestaties van verzoekster aan de basis er van liggen; dat niet betwist wordt dat de bestreden beslissing werd genomen zonder dat aan verzoekster de mogelijkheid werd geboden om vooraf aan de overheid haar standpunt mede te delen omtrent de feiten die aan de beslissing ten grondslag lagen en over de maatregel die ten opzichte van haar werd genomen; dat ook dit middel kennelijk gegrond is;
- Overwegende dat de vordering tot nietigverklaring kennelijk gegrond is; dat ingevolge de nietigverklaring van de bestreden beslissing de vordering tot schorsing doelloos wordt, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 27 januari 2005 waarbij Yannick NEELS als voorlopig benoemd adjunct-griffier bij de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde in vooropzeg wordt geplaatst. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2000 en vijf, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, IX-4855-6/7 Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE IX-4855-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.721 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.