id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.723 Rolnummer: A. 98937/IX-2690 Zaak: Arrest 146723 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-25 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 19:28 Fiche Arrest nr 146.723 van 27 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.723 van 27 juni 2005 in de zaak A. 98.937/IX-
- In zake : Johan TERNEU, die woonplaats kiest bij advocaat M. STERCK, kantoor houdende te STEKENE, Stadionstraat 30 tegen : De Post, vertegenwoordigd door de gedelegeerd bestuurder Muntcentrum, 1000 BRUSSEL. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan TERNEU op 30 december 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de gedelegeerd bestuurder van De Post van 31 oktober 2000 waarbij hij ambtshalve en zonder opzeggingstermijn uit zijn ambt van postman 1ste klasse wordt ontslagen met ingang van 31 oktober 2000; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2690-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. SMETS; Gehoord de opmerkingen van adviseur P. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker was reeds bij ministerieel besluit van 26 april 1991 ambtshalve en zonder opzeggingstermijn uit zijn ambt ontslagen met ingang van 22 februari 1991 omdat hij zijn dienst niet had hervat nadat hij door de administratieve gezondheidsdienst geschikt tot werken was verklaard en aldus tien dagen ongewettigd afwezig was gebleven. Deze beslissing werd vernietigd door de Raad van State bij arrest nr. 66.354 van 21 mei 1997, zodat verzoeker nog steeds als in dienst zijnde moest worden beschouwd. IX-2690-2/6 1.
- De verwerende partij vraagt op 28 juli 1998 een onderzoek van de pensioencommissie aan. De pensioencommissie in beroep beslist op 3 maart 1999 dat verzoeker op medisch vlak, wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid voor elke functie, de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief vroegtijdig pensioen. Deze beslissing wordt bij brief van dezelfde datum aan verzoeker betekend. 1.
- Gelet op deze medische beslissing en met toepassing van artikel 132, 2/, van het administratief statuut van het postpersoneel, wordt verzoeker bij beslissing van de gedelegeerd bestuurder van 31 oktober 2000 opnieuw ambtshalve ontslagen uit zijn functie met ingang van 31 oktober
- Dit is de bestreden beslissing.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel de miskenning aanvoert van de bepalingen van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij in dit verband betoogt dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd omdat, hoewel de pensioencommissie in beroep op 3 maart 1999 besliste dat verzoeker op medisch vlak de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief vroegtijdig pensioen, in die beslissing zonder enige verduidelijking wordt vooropgesteld dat hij niet voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden en ambtshalve wordt ontslagen; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat bij het opvragen van verzoekers dossier gebleken is dat hij nog steeds onder voorbehoud toelaatbaar was en dat hij dus niet op pensioen kon worden gesteld; dat zij erop wijst dat, aangezien artikel 8 van het administratief statuut van het personeel van De Post bepaalt dat het postpersoneel de lichamelijke en geestelijke geschiktheid moet bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt en het duidelijk is dat verzoeker aan deze voorwaarden niet voldoet, De Post beslist heeft om verzoeker ambtshalve te ontslaan overeenkomstig artikel 132, 2/, van het statuut; dat zij voorts aanvoert dat aangezien in het bestreden besluit melding wordt gemaakt van de beslissing van IX-2690-3/6 de pensioencommissie, enerzijds, en wordt verwezen naar artikel 132, 2/, van het statuut, anderzijds, verzoeker goed op de hoogte was van de reden waarom hij niet langer door De Post kon worden tewerkgesteld; dat zij tenslotte aanvoert dat het niet aan De Post staat om een autonome beslissing van de pensioencommissie te motiveren of te verduidelijken ten aanzien van de betrokkene; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij niet verduidelijkt waarom verzoeker niet zou voldoen aan de toelaatbaarheidsvereisten en dat waar de pensioencommissie beslist dat verzoeker vroegtijdig op pensioen moet worden gesteld, dit het tegenovergestelde is van wat in de bestreden beslissing wordt vooropgesteld, namelijk dat hij niet voldoet aan de toelaatbaarheidsvereisten; 2.
- Overwegende dat verzoeker zich in zijn laatste memorie aansluit bij het auditoraatsverslag; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie aanvoert dat zij wel degelijk voldoende heeft toegelicht waarom verzoeker ambtshalve, zonder vooropzeg of vergoeding, werd ontslagen; dat zij er in dit verband op wijst dat enerzijds wordt verwezen naar de beslissing van de pensioencommissie waarin gewag wordt gemaakt van een definitieve lichamelijke ongeschiktheid voor elke functie op medisch vlak, en anderzijds naar artikel 132, 2/, van het administratief statuut van de postambtenaren, op grond waarvan de ambtenaar wiens lichamelijke ongeschiktheid definitief werd vastgesteld, van rechtswege en zonder opzegging de hoedanigheid van ambtenaar verliest; dat zij betoogt dat waar artikel 132, 2/, van het genoemde statuut gewag maakt van het behoorlijk vaststellen van de lichamelijke ongeschiktheid van de ambtenaar, daarmee geenszins enkel wordt verwezen naar het medisch aannemingsonderzoek, en bijgevolg de lichamelijke ongeschiktheid van verzoeker behoorlijk werd vastgesteld, en dit zelfs voor elke functie, zodat zij niet anders kon dan verzoeker zonder vooropzeg of vergoeding te ontslaan; dat zij aanvoert dat op een duidelijke wijze werd toegelicht waarom verzoeker was ontslagen, en zij geenszins verplicht was om IX-2690-4/6 uit te leggen waarom verzoeker niet kon worden toegelaten tot het definitief vroegtijdig pensioen in de openbare sector; 2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing wordt gemotiveerd door een referentie aan “de beslissing in hoger beroep van de Pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst van 3 maart 1999 waarbij werd gesteld dat de heer TERNEU Johan E.E. wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid voor elke functie op medisch vlak de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief vroegtijdig pensioen”; dat de bestreden beslissing er evenwel niet toe strekt verzoeker toe te laten tot het definitief vroegtijdig pensioen, maar hem wegens lichamelijke ongeschiktheid ambtshalve uit zijn functie ontslaat; dat de beslissing derhalve is aangetast door een interne tegenstrijdigheid; dat de verwerende partij, nu de vaststelling van een definitieve lichamelijke ongeschiktheid al naargelang de rechtspositie van de betrokken ambtenaar kan leiden tot een verschillend rechtsgevolg, om te voldoen aan de formele motiveringsverplichting had moeten verduidelijken waarom de vaststelling van die ongeschiktheid te dezen moest leiden tot ambtshalve ontslag; dat zulks in de bestreden beslissing niet het geval is; Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat het middel gegrond is; dat de bestreden beslissing dienvolgens dient te worden vernietigd, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de gedelegeerd bestuurder van De Post van 31 oktober 2000 waarbij Johan TERNEU ambtshalve en zonder opzeggingstermijn uit zijn ambt van postman 1ste klasse wordt ontslagen met ingang van 31 oktober
- IX-2690-5/6 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, J. SMETS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2690-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.