id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.727 Rolnummer: A. 69347/IX-804 Zaak: Arrest 146727 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 19:30 Fiche Arrest nr 146.727 van 27 juni 2005 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.727 van 27 juni 2005 in de zaak A. 69.347/IX-
- In zake : Ingrid DE GRAEVE, wonende te HAALTERT, Stationsstraat 17 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ingrid DE GRAEVE op 13 juni 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 april 1996 van het college van secretarissen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij tegen haar definitief de vermelding “onvoldoende” wordt uitgesproken; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 8 december 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-804-1/9 Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. ARNOUTS, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat H. VERMEIRE, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoekster is ambtenaar met de graad van deskundige (rang B1) bij de administratie Personeelsontwikkeling, afdeling “Human Resources Management” van het departement Algemene Zaken en Financiën van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
- Op 2 februari 1996 heeft zij een evaluatiegesprek met haar afdelingshoofd, waarna haar de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend. 1.
- Na beroep van verzoekster oordeelt de raad van beroep op 19 maart 1996 dat de evaluatie “onvoldoende” niet gegrond is. De voorzitter van het college van secretarissen-generaal en verzoekster worden bij brieven van 20 maart 1996 van dit advies in kennis gesteld. IX-804-2/9 1.
- Blijkens een door de verwerende partij in het administratief dossier neergelegd uittreksel uit de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal van 4 april 1996 heeft het college die dag eenparig beslist aan verzoekster definitief de vermelding “onvoldoende” toe te kennen. 1.
- Bij besluit van het college van secretarissen-generaal houdende definitieve uitspraak van de vermelding “onvoldoende” van 15 april 1996 wordt tegen verzoekster de vermelding “onvoldoende” definitief uitgesproken. Dit “besluit” wordt bij aangetekende brief van 17 april 1996 aan verzoekster toegezonden en door haar ontvangen op 18 april 1996;
- Over de grond van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoekster als eerste middel de schending aanvoert van artikel VIII 29, § 4, laatste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna : het Vlaamse personeelsstatuut), doordat het bestreden besluit genomen werd op 15 april 1996 en derhalve niet binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; dat zij stelt dat het voorgaande niet wordt tegengesproken door het feit dat in de brief van 17 april 1996 vermeld wordt dat het college van secretarissen-generaal in zijn zitting van 4 april 1996 besloten heeft tegen haar de vermelding onvoldoende definitief uit te spreken, aangezien de ingeroepen bepaling een formele beslissing en niet louter een beraadslaging vergt; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het college van secretarissen-generaal het advies van de raad van beroep op 21 maart 1996 ontvangen heeft en dat het college op 4 april 1996, dit is binnen de termijn, niet alleen beraadslaagd heeft, maar tevens beslist heeft; dat de daar genomen beslissing, na goedkeuring van de notulen van 4 april 1996, geformaliseerd en namens het college ondertekend werd op 15 april 1996, maar dat de brief waarbij dit besluit aan IX-804-3/9 verzoekster werd toegezonden, uitdrukkelijk verwijst naar het besluit van 4 april 1996; 2.
- Overwegende dat verzoekster repliceert dat het bestreden besluit dateert van 15 april 1996, terwijl de uiterste datum om te beslissen 5 april 1996 was; dat zij erop wijst dat in het begeleidend schrijven bij het besluit van 15 april 1996 wel wordt verwezen naar een beslissing van 4 april 1996, maar dat het besluit van 15 april 1996 enkel verwijst naar een beraadslaging op 4 april 1996; dat, aangezien aan verzoekster alleen het besluit van 15 april 1996 werd betekend, zij ervan uitgaat dat alleen dit besluit rechtsgevolgen kan hebben en dat dit besluit in toepassing van artikel VIII 29, § 4, laatste lid van het Vlaams personeelsstatuut gunstig moest zijn voor haar omdat het niet binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep werd genomen; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in een laatste memorie stelt dat artikel VIII 29, § 4, laatste lid, van het Vlaams personeelsstatuut niet bepaalt binnen welke termijn de beslissing van het college van secretarissen-generaal aan de betrokkene moet worden ter kennis gebracht zodat de kennisgeving niet binnen de termijn van vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad moet plaatsvinden; dat zij voorts aanvoert dat het college van secretarissen-generaal in haar zitting van 4 april 1996 over verzoeksters evaluatie heeft beraadslaagd én beslist en dat zij bij die gelegenheid haar voorzitter heeft belast met de betekening van deze beslissing aan verzoekster; dat de bestreden beslissing ter gelegenheid van haar formalisering door de voorzitter van het college verkeerdelijk de datum van 15 april 1996 meekreeg, zijnde de datum waarop de voorzitter het besluit ondertekende; dat in de dagtekening derhalve een materiële vergissing is geslopen; dat, de betichting van valsheid daargelaten, uit de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal onbetwistbaar blijkt dat het college op 4 april 1996 over verzoeksters evaluatie heeft beraadslaagd en beslist; 2.5.
- Overwegende dat luidens artikel VIII 29, § 4, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het IX-804-4/9 ministerie van de Vlaamse gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, het college van secretarissen-generaal bevoegd is “voor de definitieve beslissing over het al dan niet toekennen van de vermelding ‘onvoldoende’”, nadat de raad van beroep binnen de in VIII 29, § 3, gestelde termijn een advies heeft uitgebracht; dat bijgevolg onomstotelijk vaststaat dat geen andere overheid bevoegd is om na het bedoelde advies nog een beslissing te nemen; dat luidens VIII 29, § 4, laatste lid, het college van secretarissen-generaal dient te beslissen “binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is”; 2.5.
- Overwegende dat de brief aan verzoekster van 17 april 1996 als volgt luidt : “Hierbij deel ik U mee dat het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 4 april 1996 heeft besloten om tegen u de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken. Als bijlage vindt u twee voor eensluidend verklaarde afschriften van het betreffende besluit van het College van secretarissen-generaal. Ik verzoek u het exemplaar met de vermelding ‘afschrift ontvangen’ zo spoedig mogelijk terug te sturen. Verder meld ik U dat u over de mogelijkheid beschikt om beroep in te stellen bij de Raad van State. De termijn waarbinnen het beroep - bij aangetekend schrijven - dient ingesteld te worden, is vastgesteld op zestig dagen na ontvangst van deze kennisgeving.”. 2.5.
- Overwegende dat de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal van 4 april 1996 met betrekking tot verzoekster het volgende vermelden : “Het college neemt kennis van het volledige evaluatiedossier van Ingrid DE GRAEVE, deskundige bij de afdeling Human Resources Management, administratie Personeelsontwikkeling van het departement Algemene Zaken en Financiën, en inzonderheid van : - de dienststaat van betrokkene; - de functiebeschrijving; - twee persoonlijke nota’s (dd. 06.10.95 en 12.10.95) gericht aan Ingrid DE GRAEVE en opgemaakt door de eerste evaluator Willy DE WEIRDT; - het beschrijvende evaluatieverslag; IX-804-5/9 - het beroepschrift dd. 27.02.96, waarbij Ingrid DE GRAEVE beroep aantekent tegen de evaluatie ‘onvoldoende’; - het verslag van een gesprek met Ingrid DE GRAEVE dd. 20.05.94, neergelegd tijdens de zitting van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep dd. 19.03.96; - het gemotiveerd advies dd. 19.03.96 van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep. Leo VICTOR neemt als tweede evaluator, conform art. VIII.29 van het V.P.S., niet deel aan de beraadslaging en verlaat de zaal. De voorzitter opent de bespreking en overloopt het voorliggende dossier in al zijn onderdelen. Hij stelt vast dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep op 19.03.96 adviseert dat de evaluatie ‘onvoldoende’ van Ingrid DE GRAEVE niet gegrond is. Een lid van het college maakt uit het beschrijvende evaluatieverslag op dat Ingrid DE GRAEVE weliswaar een aantal kwaliteiten bezit, die tevens vermeld worden in het evaluatieverslag, doch dat zij desalniettemin ondermaats presteert op 6 van de 10 resultaatgebieden en eerder gewoon op de 4 overige resultaatgebieden. Het lid wijst o.m. op tekortkomingen inzake de briefwisseling, telefonische dienstverlening, klassementen, informatiedoorstroming naar de chef en een tekort aan kennis over de afdeling, de HRM-materie en de lopende zaken om haar taak als directiesecretaresse naar behoren te kunnen vervullen. Een lid haakt hierop in en merkt op dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep uitdrukkelijk wijst op de positieve capaciteiten van betrokkene, maar dat daartegenover staat dat die positieve capaciteiten niet steeds positief aangewend worden. Het lid verwijst naar de verwaarlozing van de kwaliteit van het tikwerk in weerwil van een voldoende kennis van tekstverwerking en van de kwaliteits- eisen van verzorgd tikwerk. Een lid stelt dat Ingrid DE GRAEVE uit het voorliggende dossier als weinig pro-actief en weinig hulpvaardig naar voren komt. Het lid verwondert er zich over dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep in zijn advies aangeeft dat betrokkene over onvoldoende informatie beschikte om pro-actief te kunnen reageren. Daartegenover staat volgens dit lid dat de evaluator haar, blijkens het evaluatieverslag, herhaaldelijk uitnodigde om te participeren aan besprekingen en vergaderingen, om als informatiedraaischijf te kunnen fungeren, maar dat lngrid DE GRAEVE onvoldoende betrokkenheid bij de afdeling vertoonde. Het evaluatieverslag vermeldt verder dat zij ‘ondanks uitgebreide en geduldige ondersteuning er niet in slaagde zich voldoende vertrouwd te maken met de lopende projecten en de algemene werking’, en dat zij ‘mettertijd de vergaderingen vermeed’. Een lid beaamt deze zienswijze en wijst er in dit verband op dat betrokkene haar taak als secretaris van de PIW HRM duidelijk en moedwillig heeft verwaarloosd en zelfs weggegaan is uit een vergadering waarvan zij de notulen diende te maken, wat overigens een persoonlijke nota van de eerste evaluator tot gevolg had. Verscheidene leden treden dit lid bij. Meerdere leden zijn de mening toegedaan dat het beschrijvende evaluatieverslag voldoende onderbouwd is, met concrete voorbeelden en vergezeld van twee IX-804-6/9 persoonlijke nota’s, die tijdens de evaluatieperiode overhandigd werden wegens ondermaats functioneren. Een lid merkt verder op dat Ingrid DE GRAEVE in haar bezwaarschrift geen enkel argument tegen de uitspraak ‘onvoldoende’ aanhaalt. Dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep erop wijst dat tijdens de evaluatieperiode geen opvolgingsgesprek heeft plaatsgevonden, betekent volgens een lid niet dat de evaluator niet aan opvolging en coaching zou hebben gedaan. Zoals uit het evaluatieverslag en uit de persoonlijke nota’s blijkt, heeft de evaluator dit duidelijk wel gedaan, door betrokkene te wijzen op tekort- komingen, haar uitgebreid en geduldig te ondersteunen, bijkomende instructies te geven, uit te nodigen om te participeren aan vergaderingen en besprekingen om bijkomende kennis op te doen, enz. Meerdere leden beamen dit standpunt. Een lid gaat vervolgens in op de stelling van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep dat in de evaluatie onvoldoende ingespeeld is op de vraag van verzoeks- ter om te muteren naar een andere afdeling. Het lid stipt echter aan dat een evaluatiegesprek in principe enkel tot doel heeft het huidig functioneren in de huidige functie te evalueren en afspraken te maken over het toekomstig functioneren in de huidige functie. In weerwil daarvan staat in de ontwikkelings- gerichte afspraken duidelijk vermeld dat ‘Ingrid op vrij korte termijn een nieuwe kans zou moeten krijgen in een nieuwe functie die nauwer aansluit bij haar capaciteiten en haar interesses’. Een lid concludeert hieruit dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep zijns inziens onterecht heeft geoordeeld dat onvoldoende rekening is gehouden met de wens tot mutatie door Ingrid DE GRAEVE, die bekend is bij de evaluatoren. Een lid voegt daaraan toe dat het niet opgaat dat een ambtenaar, die wenst te muteren, moedwillig minder zou presteren om zo zijn mutatiewensen kracht bij te zetten. Na uitvoerige verdere bespreking en na afweging van de functiebeschrijving, het evaluatieverslag en het advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep, legt de voorzitter volgend voorstel aan de leden van het college voor : ‘Gelet op de evaluatie ‘onvoldoende’, uitgesproken door Willy DE WEIRDT en Leo VICTOR, respectievelijk eerste en tweede evaluator van Ingrid DE GRAEVE; Gelet op het gemotiveerd advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep van 19.03.96 dat de evaluatie ‘onvoldoende’ van Ingrid DE GRAEVE niet gegrond is; Gelet evenwel op de vaststelling dat Ingrid DE GRAEVE op 6 van de 10 resultaatgebieden ondermaats presteert en ook de 4 overige maar op matige wijze heeft uitgevoerd en hiertegen in haar bezwaarschrift geen argument aanbrengt ; Gelet op de argumentatie die ontwikkeld werd in de beraadslaging in het college; Stelt de voorzitter voor dat het college de einduitspraak ‘onvoldoende’ jegens lngrid DE GRAEVE definitief uitspreekt.’ De voorzitter nodigt de leden van het college uit tot een geheime stemming over dit voorstel, aan de hand van de daartoe rondgedeelde stemformulieren. Na ophaling van de stembrieven wordt de stembus geledigd en geeft de secretaris, onder toezicht van de voorzitter, lezing van het resultaat van de geheime stemming : IX-804-7/9 - 6 stemmen voor het voorstel. Het voorstel van de voorzitter is derhalve met eenparigheid aanvaard. De voorzitter wordt belast met de betekening van deze beslissing aan de betrokkene.” 2.5.
- Overwegende dat uit de notulen van die vergadering blijkt dat het college van secretarissen-generaal op 4 april1996 beslist heeft om, op voorstel van zijn voorzitter, jegens verzoekster definitief de evaluatie “onvoldoende” uit te spreken en dat de voorzitter belast is met de “betekening van deze beslissing aan de betrokkene”; dat ook de brief van 17 april 1996 gewag maakt van het besluit (“besloten”) van “het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 4 april 1996 (...) om tegen (verzoekster) de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken”; dat niet ingezien wordt dat diezelfde beslissing dan nog op een definitieve wijze nog later kon worden genomen door datzelfde college; dat trouwens nergens blijkt dat het college van secretarissen-generaal nogmaals vergaderd zou hebben op 15 april 1996 om over de toestand van verzoekster opnieuw een definitieve beslissing te nemen; dat wat aan verzoekster is betekend geworden met de brief van 17 april 1996 en benoemd is als een “besluit van het college van secretarissen-generaal houdende definitieve uitspraak van de vermelding onvoldoende” weliswaar foutief als een “besluit” wordt bestempeld dat genomen zou zijn op 15 april 1996, doch in feite de loutere kennisgeving moest zijn van een beslissing die reeds voordien door de daartoe bevoegde overheid was genomen; dat die kennisgeving, zoals uit de notulen blijkt, inhoudelijk de bespreking weergeeft die onmiddellijk aan de geheime stemming van 4 april 1996 voorafgaat; dat indien die kennisgeving niet als zodanig is genoemd, zij evenwel niet mag beschouwd worden als het besluit tot toekenning van de evaluatie “onvoldoende”, aangezien de voorzitter van het college van secretarissen- generaal daartoe niet de bevoegdheid had en daartoe ook geen opdracht had gekregen, zelfs niet om “namens het college van secretarissen-generaal” op te treden; dat het “besluit” van 15 april 1996 dan ook slechts als een loutere formalisering van de reeds eerder genomen beslissing kan worden aanzien; dat derhalve wat verzoekster bestrijdt, de beslissing is die werd genomen op 4 april 1996 en dat niet betwist wordt dat die beslissing is genomen binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; dat aangezien verzoekster met een brief van 17 april IX-804-8/9 1996 in kennis is gesteld van die beslissing, eveneens vastgesteld wordt dat de overheid hiermee niet onredelijk lang heeft gewacht, 2.5.
- Overwegende dat er bijgevolg aanleiding bestaat om de zaak verder te onderzoeken, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak verder te zetten. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-804-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.727 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.450 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.