← België

Arrest 146728 - - 27/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.728 Rolnummer: A. 117286/IX-3235 Zaak: Arrest 146728 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 19:30 Fiche Arrest nr 146.728 van 27 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.728 van 27 juni 2005 in de zaak A. 117.286/IX-

  1. In zake : Pierre REYNDERS, die woonplaats kiest bij advocaten D. VAN HEUVEN en S. RONSE, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 8b tegen :
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Begroting, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE, F. VANDENDRIESSCHE en J. GORIS, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51,
  3. het Selectiebureau van de Federale Overheid, vertegenwoordigd door haar afgevaardigd bestuurder (SELOR). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pierre REYNDERS op 25 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
  4. het koninklijk besluit van 21 december 2001 waarbij Pierre VERKAEREN wordt aangesteld als voorzitter van het directiecomité van de Federale overheidsdienst Budget en Beheerscontrole en
  5. de voorafgaande beslissing van de selectiecommissie om verzoekende partij in te delen in groep B; Gelet op het arrest nr. 108.557 van 28 juni 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen, en waarbij het verzoek tot tussenkomst in het administratief kort geding IX-3235-1/7 van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Ambtenarenzaken wordt afgewezen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 11 juli 2002 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord van de eerste verwerende partij; Gezien de toelichtende memorie van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 20 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. RONSE, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat L. SCHELLEKENS, die loco advocaten D. D’HOOGHE, F. VANDENDRIESSCHE en J. GORIS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat P. SLEGERS, die loco advocaten L. DEPRÉ, P. BOUCQUET en B. WILMS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; IX-3235-2/7 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gegevens van de zaak zijn samengevat in het hiervoor vermelde arrest nr. 108.557 van 28 juni 2002; Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat in zoverre verzoeker de nietigverklaring zou nastreven van de weigering om hem te benoemen in de geambieerde functie, de vordering niet ontvankelijk is omdat verzoeker zich niet beroept op de rechtsplicht om hem te benoemen en een dergelijke rechtsplicht ook niet volgt uit enige toepasselijke reglementering; dat verzoeker terecht antwoordt dat hij niet de vernietiging vraagt van een impliciete weigering om hem te benoemen; dat de exceptie niet opgaat; Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat de selectieprocedure voor de Nederlandstalige en de Franstalige kandidaten parallel verloopt door afzonderlijke selectiecommissies; dat hij verwijst naar de opmerkingen die de afdeling wetgeving van de Raad van State desbetreffend heeft gemaakt op het ontwerp dat het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 is geworden; dat volgens hem ondanks het overleg dat er tussen de voorzitters van de selectiecommissies wordt georganiseerd door artikel 8, § 1, laatste alinea van het genoemde besluit, er geenszins wordt gegarandeerd dat de Nederlandstalige en de Franstalige selectiecommissie effectief dezelfde normen toepassen; dat hij er daarbij op wijst dat dit overleg trouwens alleen maar gebeurt “met het oog op een gelijkwaardige aanpak”; dat verzoeker ook betoogt dat het niet denkbeeldig is dat, indien hij werd beoordeeld aan de hand van de normen die werden gehanteerd door de Franstalige selectiecommissie, hij zou zijn ingedeeld in groep A, waardoor hij uitgenodigd zou zijn geworden voor het aanvullend onderhoud bij de minister overeenkomstig artikel 9 van het genoemde besluit; dat hij besluit dat het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 onwettig is zodat het op basis van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten; IX-3235-3/7 Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 blijkt dat bij het ontwerpen van dat besluit zeer sterk aandacht werd besteed aan de opmerkingen van de Raad van State betreffende dit probleem van gelijkheid en dat werd geoordeeld dat het systeem dat werd uitgewerkt voldoende uitsluit dat er een ongelijke beoordeling tussen de Nederlandstalige en Franstalige kandidaten zou ontstaan; dat zij er op wijst dat, meer specifiek voor de selectieprocedure voor voorzitter van een directiecomité, artikel 9, § 2, lid 2, van het genoemde besluit erin voorziet dat met alle kandidaten van groep A, Nederlandstaligen én Franstaligen, een aanvullend onderhoud wordt georganiseerd met als doel die kandidaten te vergelijken en te rangschikken en dat dan ook niet te betwisten valt dat er een vergelijking over de taalrollen gebeurt waardoor de beste van de besten gekozen kan worden; dat de minister die vergelijking maakt na zijn onderhoud met de kandidaten welke als de meest geschikten uit de beide selectieprocedures naar voor zijn gekomen; dat volgens de eerste verwerende partij de bekrachtiging van het voorstel van de minister door de paritair samengestelde ministerraad een bijkomende waarborg vormt voor de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel; dat zij voorts betoogt dat verzoeker geen enkel concreet gegeven aanvoert waaruit zou blijken dat hij bij een beoordeling door de Franstalige selectiecommissie in groep A ingedeeld zou zijn of dat de Nederlandstalige en de Franstalige selectiecommissie verschillende selectienormen of -methodes hebben gehanteerd; Overwegende dat het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 een afzonderlijke selectie instelt al naargelang het gaat om Nederlandstalige dan wel om Franstalige kandidaten; dat evenwel blijkt dat de te begeven managementfunctie moet toekomen aan de meest geschikte kandidaat en van dat beginsel enkel kan worden afgeweken wanneer zulks noodzakelijk is om te voldoen aan de dwingende bepalingen van de taalwetgeving; dat een systeem van een parallelle selectie van, enerzijds, Nederlandstalige kandidaten en, anderzijds, Franstalige kandidaten de benoemende overheid niet in staat stelt om, in de gevallen waar de keuze tussen de kandidaten niet wordt bepaald door de vereisten van de taalwetgeving, op een volledig objectieve en gelijke basis de titels en verdiensten van de onderscheiden IX-3235-4/7 kandidaten tegenover elkaar af te wegen; dat de andere samenstelling van de twee selectiecommissies onvermijdelijk de mogelijkheid in zich draagt dat nuances in de maatstaven van beoordeling en verschillen in appreciatie bij de beoordeling zelf voorkomen, terwijl het gegeven dat slechts een rangschikking binnen elke taalgroep wordt opgemaakt, een vergelijking tussen kandidaten van verschillende taalgroepen bemoeilijkt; dat de omstandigheid dat de voorzitters van de selectiecommissies die worden aangeduid door SELOR en die te dien einde overleg plegen en door het feit dat de beide selectiecommissies zich steunen op dezelfde functiebeschrijving, hetzelfde competentieprofiel en hetzelfde daaruit voortvloeiende competentieraster, dat de minister een vergelijking maakt na zijn onderhoud met de kandidaten die als de meest geschikte uit de beide selectieprocedures naar voor zijn gekomen en dat het voorstel van de minister door de paritair samengestelde ministerraad bekrachtigd wordt, niet afdoet aan het feit dat enkel de kandidaten die als de meest geschikten uit de beide selectieprocedures naar voor zijn gekomen worden vergeleken ten einde na te gaan welke van hen de meest geschikte is, met andere woorden dat de keuze beperkt is tot de kandidaten die door de selectiecommissies gunstig zijn gerangschikt; dat weliswaar een reeks voorwaarden is ingebouwd welke een zo gelijk mogelijke aanpak door de beide selectiecommissies moet waarborgen; dat niettemin de beoordeling van competenties een zekere subjectiviteit inhoudt en niet kan worden ontkend dat de andere samenstelling van de twee selectiecommissies onvermijdelijk de mogelijkheid in zich draagt dat nuances in de maatstaven van beoordeling en verschillen in appreciatie bij de beoordeling zelf voorkomen; dat de gelijkheid dan ook maar effectief kan worden gewaarborgd indien alle kandidaten door dezelfde jury worden beoordeeld; dat zulks des te meer het geval is wanneer, zoals in casu, het er om gaat de managements- en functiespecifieke competenties van de kandidaten te beoordelen; dat die competenties van een dergelijke aard zijn dat de beoordeling ervan een grote appreciatieruimte laat aan de selectiecommissie, waarbij een zekere subjectiviteit bij het oordeel niet volledig uitgesloten kan worden; dat het voor een kandidaat tevens onmogelijk is het bewijs of zelfs maar het begin van bewijs te leveren van een ongelijke behandeling ten opzichte van de kandidaten van de andere taalrol juist door het feit dat die kandidaten door een andere jury werden beoordeeld IX-3235-5/7 en uiteraard niet aangetoond kan worden hoe die andere jury over hem zou hebben geoordeeld; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  6. Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 21 december 2001 waarbij Pierre VERKAEREN wordt aangesteld als voorzitter van het directiecomité van de Federale overheidsdienst Budget en Beheerscontrole alsmede de voorafgaande beslissing van de selectiecommissie om verzoekende partij in te delen in groep B. Artikel
  7. Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  8. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. IX-3235-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3235-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.728 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.108.557 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.