← België

Arrest 146729 - - 27/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.729 Rolnummer: A. 89005/IX-2171 Zaak: Arrest 146729 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 19:30 Fiche Arrest nr 146.729 van 27 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.729 van 27 juni 2005 in de zaak A. 89.005/IX-

  1. In zake : Juliette EVERAERT, die woonplaats kiest bij advocaat Ch. CAUWE, kantoor houdende te GENT, Kerkwegel 1 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71 -
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Juliette EVERAERT op 17 januari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 december 1999 van het college van secretarissen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap houdende definitieve uitspraak van de tuchtstraf “afzetting” tegen verzoekster; Gelet op het arrest nr. 86.975 van 27 april 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 13 juni 2000 door verzoekster; IX-2171-1/15 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 10 september 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster, die tevens het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging bevat, en van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. SMETS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DE KNIJF, die loco advocaat Ch. CAUWE, verschijnt voor verzoekster, en van advocaat H. VERMEIRE, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : IX-2171-2/15 1.
  4. Verzoekster is ambtenaar met de graad van medewerker bij de administratie Permanente vorming, afdeling Volwassenonderwijs, van het departement Onderwijs bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
  5. Bij nota van 14 september 1999 aan de secretaris-generaal van het departement Onderwijs doet het afdelingshoofd van de afdeling Volwassenenonderwijs een voorstel om verzoekster de tuchtstraf “afzetting” op te leggen. Het voorstel is gebaseerd op het feit dat zij “ondanks meerdere gesprekken en terechtwijzingen (...) gedurende de voorbije maanden onaanvaardbaar gedrag (vertoont), nl. : - onwettige afwezigheden; - afwezigheden tijdens de werkuren; - schijnbare dronkenschap tijdens de werkuren; - slecht functioneren op het werk (wellicht als gevolg van dronken toestanden); - onaangepast gedrag tegenover collega’s”. Het voorstel bevat een relaas van de feiten, alsmede een uiteenzetting van de voorgeschiedenis waaruit blijkt “dat het gedrag van de laatste zes maanden reeds lang en aanhoudend bezig is”, niettegenstaande verzoekster “op alle mogelijke manieren werd (...) terechtgewezen en begeleid, en werd getracht haar te helpen”. 1.
  6. Op 20 oktober 1999 wordt verzoekster door de secretaris-generaal van het departement Onderwijs gehoord. Blijkens de notulen van de hoorzitting ontkent verzoekster dat ze een onaanvaardbaar gedrag zou vertonen en een drankprobleem zou hebben. 1.
  7. Bij besluit van de secretaris-generaal van het departement Onderwijs van 28 oktober 1999 wordt aan verzoekster de tuchtstraf afzetting opgelegd. IX-2171-3/15 In het besluit wordt onder meer overwogen “dat uit de globaliteit van de ten laste gelegde feiten en uit de antecedenten duidelijk blijkt dat voor de goede werking van de dienst de gedragingen van de betrokkene niet langer getolereerd kunnen worden en de tuchtstraf afzetting derhalve gerechtvaardigd is”. 1.
  8. Op 5 november 1999 stelt verzoekster beroep in bij de raad van beroep. 1.
  9. Op 6 december 1999 adviseert de raad van beroep dat het beroep “gedeeltelijk gegrond” is; de raad oordeelt dat “de zwaarste tuchtstraf van afzetting niet in verhouding voorkomt tot de fouten en tekortkomingen die zijn vastgesteld in de 6 maanden voorafgaand aan het voorstel tot tuchtstraf”. 1.
  10. Bij besluit van 23 december 1999 van het college van secretarissen- generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap wordt de tuchtstraf “afzetting” definitief uitgesproken. Wat de strafmaat betreft wordt in het besluit het volgende overwogen : “Overwegende dat het College van secretarissen-generaal opmerkt dat de Eerste Kamer van de Raad van Beroep van oordeel is dat de tuchtstraf “afzetting” niet in verhouding voorkomt tot de feiten en tekortkomingen die zijn vastgesteld in de zes maanden voorafgaan aan het voorstel tot tuchtstraf; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal verwijst naar de tweede alinea van het artikel IX 25 van het Vlaams Personeelsstatuut, dat stipuleert dat bij de beoordeling van de strafmaat relevante vermeldingen die in het persoonlijk dossier opgetekend werden, in aanmerking mogen genomen worden; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal bovendien opmerkt dat de toelichting bij het genoemde artikel bepaalt dat aantekeningen in het persoonlijk dossier zonder tijdsbeperking in aanmerking genomen kunnen worden voor het bepalen van de graad van de tuchtstraf; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal zich derhalve niet akkoord kan verklaren met de zienswijze van de Eerste Kamer van de Raad van Beroep, die wat de bepaling van de strafmaat betreft blijkbaar enkel rekening heeft gehouden met de feiten die werden vastgesteld binnen een termijn van zes maanden voorafgaande aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld; IX-2171-4/15 Overwegende dat uit het voorliggende dossier blijkt dat het gedrag van de zes maanden, voorafgaande aan de datum waarop de tuchtvordering werd ingesteld, reeds lang en aanhoudend bezig is; dat het aan het College van secretarissen- generaal derhalve meer passend voorkomt om bij de bepaling van de strafmaat wel degelijk het steeds weerkerende dysfunctionele gedrag van betrokkene in zijn totaliteit in beschouwing te nemen;”.
  11. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  12. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van het toenmalige artikel IX 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna : het Vlaams personeelsstatuut), en van de zorgvuldigheidsplicht, en tevens de onbevoegdheid van de verwerende partij opwerpt om een tuchtvervolging in te stellen en disciplinair te sanctioneren; dat zij hierbij in essentie stelt dat, nu dronkenschap en de tekortkomingen die daaruit voortvloeien geen tuchtvergrijp vormen wanneer deze te wijten zijn aan een ziekte en zij er bijgevolg niet verantwoordelijk voor is, het bestuur had moeten nagaan of zij wel medisch geschikt was vooraleer de tuchtoverheid kon oordelen of er gewag kon worden gemaakt van een disciplinair vergrijp, en dat de afzetting niet mag worden uitgesproken om te vermijden dat de overheid de financiële gevolgen moet dragen die voortspruiten uit een afdanking of een terbeschikkingstelling wegens medische ongeschiktheid; 2.1.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord hierop repliceert dat verzoekster niet enkel tuchtrechtelijk vervolgd werd wegens schijnbare dronkenschap op het werk, maar ook en vooral wegens onwettige afwezigheden, afwezigheden tijdens de werkuren, slecht functioneren op het werk en ongepast gedag tegenover collega’s; dat zij betoogt dat wie ziek is, zich dient te schikken naar de desbetreffende bepalingen van het Vlaams personeelsstatuut, maar dat verzoekster zich aan deze bepalingen heeft onttrokken en overigens zelf beweerd heeft geen drankprobleem te hebben en dat zij het verweer niet eerder, bijvoorbeeld voor de raad van beroep, heeft opgeworpen; IX-2171-5/15 2.1.
  14. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de weigering om drankzucht als een probleem te erkennen en de weigering om zich te laten behandelen, kenmerkend zijn voor de ziekte van drankzucht; dat zij benadrukt dat alle problemen op het werk wel degelijk een gevolg zijn van een ziekelijk alcoholmisbruik en dat zij voor de raad van beroep, zij het alleen mondeling, heeft opgeworpen dat het om een ziekteverschijnsel ging; 2.1.
  15. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie vooropstelt dat het bestaan van een medische ongeschiktheid uit het tuchtverslag en de bestreden beslissing blijkt, zodat niet in redelijkheid kon worden geoordeeld dat verzoekster voor haar tekortkomingen verantwoordelijk was; dat zij stelt dat het bestaan van het ziektebeeld -en niet het stopzetten van de medische begeleiding- relevant is bij de beoordeling van de tuchtzaak; dat zij betoogt dat de tuchtoverheid met haar gezondheidstoestand had dienen rekening te houden, en het motief voor de afzetting niet mag gelegen zijn in een medische ongeschiktheid; 2.1.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie betoogt dat wie zich op ziekte beroept, zich ten aanzien van het bestuur dienovereenkomstig reglementair dient te gedragen; dat zij voorts aanvoert dat wie een -op aanraden en aandringen van het bestuur- begonnen behandeling afbreekt, om daarna terug tuchtfeiten te plegen, hiervan de gevolgen dient te dragen; dat zij nog vooropstelt dat wie zich tijdens de tuchtprocedure niet beroept op een verschoningsgrond en zelfs het bestaan van een probleem ontkent, slecht is geplaatst om te verlangen juist omwille van dat probleem op tuchtrechtelijk vlak vrijuit te gaan; dat zij tenslotte aanvoert dat van het bestuur niet kan worden verlangd dat in die omstandigheden de tuchtfeiten onbeperkt in tijd en omvang worden getolereerd; 2.1.
  17. Overwegende dat de omstandigheid dat een ambtenaar aan drankzucht lijdt, het bestuur niet kan beletten de betrokkene een tuchtstraf op te leggen als het bestuur met ernst kan stellen dat de betrokkene zelf verantwoordelijkheid draagt voor die drankzucht of voor het niet-verhelpen ervan; dat te dezen zowel uit de motivering van de bestreden beslissing als uit het IX-2171-6/15 strafvoorstel en uit het advies van de raad van beroep blijkt dat met verzoekster de afspraak was gemaakt dat zij zich voor haar alcoholprobleem deskundig zou laten behandelen door een bevoegd geneesheer-specialist, maar dat zij de medische behandeling voortijdig heeft stopgezet; dat alzo blijkt dat verzoekster zelf verantwoordelijkheid draagt voor het niet verhelpen van haar alcoholprobleem; dat overigens verzoekster haar drankprobleem noch bij haar verhoor door de secretaris- generaal van het departement Onderwijs, noch in haar beroep bij de raad van beroep als verschoningsgrond heeft aangevoerd, of althans niet aantoont zulks te hebben gedaan; dat zij ook niet heeft gevraagd om medisch te worden onderzocht, maar zij integendeel aan de secretaris-generaal heeft verklaard geen drankprobleem te hebben; dat zij derhalve bezwaarlijk thans, gelet op die omstandigheden, aan het bestuur kan verwijten geen rekening te hebben gehouden met het bestaan van een ziekte; Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  18. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van het evenredigheidsbeginsel doordat volgens haar de beweerde fouten en tekortkomingen, die niet nader worden toegelicht of bewezen, zelfs samengenomen niet het opleggen van de zwaarste tuchtstraf rechtvaardigen, dat de gevolgen van de sanctie catastrofaal zijn voor haar aangezien zij 51 jaar oud is en het op haar leeftijd bijzonder moeilijk is, en zelfs onmogelijk, een nieuwe betrekking te vinden, dat zij een netto-wedde van 58.000 frank zal moeten derven en dat door het verlies van inkomsten de terugbetaling van een lening voor de aankoop van haar woning in het gedrang komt; dat zij voorts betoogt dat zij sinds 1 januari 1968 ambtenaar is en gedurende die periode nooit tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd; dat zij tenslotte aanvoert dat geen rekening werd gehouden met de aanpassingsmoeilijkheden die het gevolg zijn van de omstandigheid dat het ministerie sinds kort is verhuisd en zij moet werken in een andere werkomgeving ingevolge de inrichting van zogenaamde landschapsburelen; 2.2.
  19. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat de feiten vaststaan en niet voor redelijke betwisting vatbaar zijn en dat evenmin kan IX-2171-7/15 worden betwist dat de feiten vanwege hun repetitief karakter en hun gevolgen op de werking van de dienst een bijzondere ernst vertoonden; dat zij aanvoert dat het college van secretarissen-generaal bij het bepalen van de strafmaat rekening mocht houden met relevante vermeldingen in het persoonlijk dossier van verzoekster en in dit verband opmerkt dat verzoekster reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een tuchtstraf, nu haar bij besluit van de secretaris-generaal van het departement Onderwijs van 27 januari 1998 voor gelijkaardige feiten een inhouding van salaris met een vijfde van de netto-bezoldiging gedurende drie maanden werd opgelegd; dat, steeds volgens de verwerende partij, niet valt in te zien wat de leeftijd van verzoekster en de gevolgen van de afzetting te maken hebben met het evenredigheidsbeginsel in tuchtzaken, dat evenmin duidelijk is voor de verwerende partij waarom de nieuwe werksfeer hier van tel zou zijn, te meer daar verzoekster sinds jaren hetzelfde probleem kent, ongeacht of ze werkt in een individueel bureau, in een bureau waarin verscheidene ambtenaren samen zitten of in een landschapsbureel; dat de rechter het oordeel van de overheid over de verhouding tussen de tuchtstraf en de tuchtfeiten niet mag overdoen, maar dit oordeel enkel onwettig kan bevinden wanneer tussen beide een kennelijke wanverhouding bestaat; 2.2.
  20. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de gevolgen van de tuchtmaatregel een belangrijke rol spelen bij de beoordeling van de evenredigheid van de maatregel ten opzichte van de feiten, aangezien het immers de gevolgen van de maatregel zijn die het mogelijk maken te oordelen of de tuchtmaatregel te zwaar, zwaar of aangepast is; 2.2.
  21. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie verwijst naar haar uiteenzetting in het raam van haar eerste middel en beklemtoont dat de aan haar verweten tekortkomingen een gevolg zijn van haar ziektetoestand, en de genomen tuchtmaatregel bijgevolg onevenredig is met de feiten; 2.2.
  22. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie met betrekking tot het middel verwijst naar haar memorie van antwoord; IX-2171-8/15 2.2.
  23. Overwegende dat in tuchtzaken de overheid bij het bepalen van de strafmaat over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt en dat de Raad van State derhalve enkel een kennelijk in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig kan beschouwen, dat wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen; dat te dezen krachtens het toenmalige artikel IX 25, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut bij de beoordeling van de strafmaat, relevante vermeldingen die in het persoonlijk dossier opgetekend werden, in aanmerking mogen worden genomen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het college van secretarissen-generaal, overeenkomstig de voormelde bepaling, bij het bepalen van de strafmaat “het steeds weerkerende dysfunctionele gedrag” van verzoekster in aanmerking genomen heeft; dat uit het dossier ook genoegzaam blijkt dat verzoekster, ondanks herhaalde aanmaningen, functioneringsgesprekken en begeleidingsmaatregelen, al jaren slecht functioneert, en dat haar gedrag storend is voor collega’s en de goede werking van de dienst ernstig in het gedrang brengt; dat haar bewering dat zij nooit tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd, in strijd is met de bevindingen uit het dossier aangezien haar bij besluit van de secretaris-generaal van het departement Onderwijs van 27 januari 1998 voor gelijkaardige feiten de tuchtstraf “inhouding van salaris” met één vijfde van de netto-bezoldiging gedurende drie maanden werd opgelegd; dat uit het feit dat een tuchtstraf ernstige gevolgen heeft voor de betrokkene, op zich niet kan worden afgeleid dat die straf onevenredig is; dat de thans opgelegde tuchtstraf derhalve in de gegeven omstandigheden niet kennelijk onevenredig met de feiten is; dat wat betreft het inroepen door verzoekster van haar drankzucht als ziektebeeld, wordt verwezen naar de bespreking van het eerste middel; Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  24. Overwegende dat verzoekster in een derde middel de schending aanvoert van het toenmalige artikel IX 20, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut; dat zij hierbij uiteenzet dat de bestreden beslissing met het oog op het bepalen van de strafmaat rekening gehouden heeft met “het steeds weerkerende dysfunctionele gedrag van betrokkene in zijn totaliteit”, terwijl die feiten niet ter IX-2171-9/15 sprake kwamen voor de raad van beroep en niet dienden als motief voor het advies van de raad van beroep; 2.3.
  25. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat zij het middel niet begrijpt; dat zij er dienaangaande op wijst dat het college van secretarissen-generaal dezelfde feiten beoordeeld heeft als die welke voorlagen voor de raad van beroep en dat die feiten sedert de eerste oproeping van verzoekster om te verschijnen voor de secretaris-generaal van het departement Onderwijs onveranderd gebleven zijn en dat bij de motivering van de strafmaat het college van secretarissen-generaal, overeenkomstig het toenmalige artikel IX 25, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut rekening gehouden heeft met het persoonlijk dossier van de betrokkene; 2.3.
  26. Overwegende dat verzoekster repliceert dat er in de beslissing van het college van secretarissen-generaal gesproken wordt van “dysfunctioneel gedrag” en van het feit dat zij al jaren slecht functioneert, hetgeen iets geheel anders is dan wat besproken werd bij de secretaris-generaal en voor de raad van beroep; 2.3.
  27. Overwegende dat in de laatste memories niet verder wordt ingegaan op het middel; 2.3.
  28. Overwegende dat het toenmalige artikel IX 20, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut luidde : “Zij (de bevoegde overheid voor de definitieve uitspraak) kan geen andere feiten ter sprake brengen dan de feiten die als motief gediend hebben voor het advies van de raad van beroep.”; dat die bepaling zich er aldus tegen verzet dat de tuchtoverheid die de definitieve uitspraak doet, feiten in aanmerking zou nemen waaromtrent de betrokken ambtenaar zich niet voor de raad van beroep heeft kunnen verdedigen; dat niet wordt betwist dat de feiten zelf waarop de tuchtvordering is gesteund, gedurende de gehele tuchtprocedure ongewijzigd zijn gebleven; dat, wat betreft de antecedenten van verzoekster, het tuchtvoorstel onder meer het volgende vermeldt : IX-2171-10/15 “Voor het bepalen van de ernst van de tuchtstraf dient het verleden mee in rekening te worden genomen. Uit de voorgeschiedenis blijkt immers dat het gedrag van de jongste zes maanden reeds lang en aanhoudend bezig is. Op alle mogelijke manieren werd Juliette terechtgewezen en begeleid, en werd getracht haar te helpen. Dronkenschap, ongeoorloofde afwezigheid en slechte prestaties bleven echter een constante.”; dat in zijn besluit van 28 oktober 1999 de secretaris-generaal van het departement Onderwijs, op grond van dit strafvoorstel, geoordeeld heeft dat “uit de globaliteit van de ten laste gelegde feiten en uit de antecedenten duidelijk blijkt dat voor de goede werking van de dienst de gedragingen van betrokkene niet langer getolereerd kunnen worden en de tuchtstraf afzetting derhalve gerechtvaardigd is”; dat na beroep van verzoekster het volledige dossier met alle antecedenten aan de raad van beroep werd medegedeeld; dat ook in het verslag dat aan de leden van de raad van beroep werd bezorgd, gewag wordt gemaakt van de antecedenten van verzoekster; dat de antecedenten van verzoekster wel degelijk het voorwerp hebben kunnen uitmaken van de debatten voor de raad van beroep; dat het college van secretarissen-generaal bij het bepalen van de strafmaat derhalve wel degelijk rekening kon houden met “het steeds weerkerende dysfunctionele gedrag” van verzoekster; dat het college van secretarissen-generaal aldus bij de definitieve uitspraak over de tuchtvordering geen nieuwe feiten in aanmerking heeft genomen; Overwegende dat ook het derde middel niet gegrond is; 2.4.
  29. Overwegende dat verzoekster in een vierde middel de schending aanvoert van het toenmalige artikel IX 25, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut en van de verplichting tot materiële motivering; dat zij hieromtrent betoogt dat in de bestreden beslissing wordt opgemerkt dat verzoekster “in het verleden al verscheidene keren werd terechtgewezen, wat onder meer reeds tot tuchtrechtelijke sancties heeft geleid”, terwijl in het tuchtverslag daarvan geen melding werd gemaakt, zodat de verdediging ervan uitging dat er geen tuchtrechtelijke antecedenten waren, en in het verslag voor de raad van beroep melding wordt gemaakt van één tuchtstraf; dat zij betoogt dat de bestreden beslissing IX-2171-11/15 tot tweemaal toe gewag maakt van “sancties”, wat laat veronderstellen dat er meerdere zouden zijn, en dat het college van secretarissen-generaal zijn beslissing verantwoordt door te verwijzen naar meerdere tuchtstraffen, terwijl er in werkelijkheid slechts één was; 2.4.
  30. Overwegende dat de verwerende partij hierop in essentie antwoordt dat verzoekster vanaf het begin wist dat de vermeldingen in haar persoonlijk dossier in aanmerking zouden genomen worden, dat zij voor gelijkaardige feiten reeds een tuchtstraf had opgelopen, en dat zij een verschrijving in het tuchtbesluit wil aangrijpen om te besluiten tot de schending van de materiële motiveringsplicht, daar waar het zeer de vraag is of dit motief doorslaggevend is; dat zij betoogt dat uit de notulen van de vergadering van de het college van secretarissen- generaal van 23 december 1999 blijkt dat er door een lid van het college op gewezen werd dat er, in tegenstelling tot de bewering van de verdediging, een voorafgaande tuchtstraf was zodat het college geoordeeld heeft op grond van een juiste feitenvinding; 2.4.
  31. Overwegende dat noch in de memorie van wederantwoord, noch in de laatste memories verder wordt ingegaan op het middel; 2.4.
  32. Overwegende dat luidens het toenmalige artikel IX 25, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut, bij de beoordeling van de strafmaat alle relevante vermeldingen die in het persoonlijk dossier opgetekend werden, in aanmerking mogen worden genomen; dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat aldus vermocht rekening te houden met het feit dat bij besluit van de secretaris-generaal van het departement Onderwijs van 27 januari 1998 aan verzoekster voor gelijkaardige feiten de tuchtstraf van “inhouding van salaris” met één vijfde van de netto-bezoldiging gedurende drie maanden werd opgelegd; dat de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal van 23 december 1999 vermelden dat een lid van het college opmerkt “dat Juliette EVERAERT in het verleden al verscheidene keren werd terechtgewezen, wat o.m. in januari 1998 nog heeft geleid tot de tuchtrechtelijke sanctie inhouding van salaris met één vijfde van IX-2171-12/15 de netto-bezoldiging gedurende drie maanden, in tegenstelling tot wat door de verdediging wordt beweerd”; dat uit die notulen ook blijkt dat het college van secretarissen-generaal de juiste toedracht van verzoeksters tuchtverleden kende en dat de vermelding in de overwegingen van het bestreden besluit dat verzoekster in het verleden het voorwerp is geweest van “tuchtsancties” -in het meervoud- niet meer kan zijn dan een louter materiële vergissing die de rechtsgeldigheid van de bestreden beslissing geenszins in het gedrang brengt; Overwegende dat het vierde middel derhalve ook niet gegrond is; 2.5.
  33. Overwegende dat verzoekster in een vijfde middel de schending aanvoert “van de informatieplicht (en de openbaarheid van bestuur) en de rechten van de verdediging”; dat zij hierbij uiteenzet dat de tuchtbeslissing die in eerste aanleg werd genomen, wordt vastgesteld dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om binnen twee werkdagen na verhoor een aanvullend verweerschrift in te dienen; dat zij betoogt dat alhoewel het Vlaams personeelsstatuut zulks niet uitdrukkelijk voorschrijft, de overheid haar nochtans had moeten wijzen op de mogelijkheid die haar door het toenmalige artikel IX 14 van het Vlaams personeelsstatuut werd geboden, dat die verplichting niet enkel voortvloeit uit de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de informatieplicht en het “fairplay”- beginsel, maar ook kadert in de openbaarheid van bestuur en rechtstreeks de rechten van de verdediging raakt; 2.5.
  34. Overwegende dat de verwerende partij opmerkt dat het besluit van het college van secretarissen-generaal van 23 december 1999 ingevolge het beroep van verzoekster in de plaats gekomen is van het besluit van de secretaris-generaal van het departement Onderwijs van 28 oktober 1999, zodat het middel niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; dat zij aanvoert dat het Vlaams personeelsstatuut geen verplichting inhoudt om de betrokkene op de bepaling van genoemd artikel IX 14 attent te maken, dat een ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap trouwens geacht wordt het personeelsstatuut dat in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt er op diverse plaatsen in het ministerie kan IX-2171-13/15 worden geraadpleegd, te kennen, dat in de oproep voor het verhoor naar dat statuut en het desbetreffende deel IX verwezen wordt en dat het tenslotte onduidelijk is wat de beweerde tekortkoming met de openbaarheid van het bestuur te maken heeft; 2.5.
  35. Overwegende dat noch in de memorie van wederantwoord, noch in de laatste memories verder wordt ingegaan op het middel; 2.5.
  36. Overwegende dat krachtens het toenmalige artikel IX 14 van het Vlaams personeelsstatuut de ambtenaar die in eerste aanleg over een tuchtvoorstel wordt gehoord of zijn raadgever binnen twee werkdagen na de mondelinge verdediging schriftelijk de middelen ter verdediging kan uiteenzetten en dat het verweerschrift bij het dossier gevoegd wordt; dat noch uit een informatieplicht van de overheid, noch uit het recht van verdediging voortvloeit dat de tuchtoverheid, zelfs bij ontstentenis van een statutaire bepaling die zulks voorschrijft, van de door het voormelde artikel IX 14 geboden mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen moet melding maken; dat voorts de verwerende partij terecht stelt dat het besluit van het college van secretarissen-generaal van 23 december 1999 ingevolge het door verzoekster ingestelde beroep in de plaats gekomen is van het in eerste aanleg genomen besluit van de secretaris-generaal van het departement Onderwijs van 28 oktober 1999, zodat de beweerde onregelmatigheid, die uitsluitend betrekking heeft op het laatstgenoemd besluit, niet kan leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing; Overwegende dat het vijfde middel evenmin gegrond is; 2.
  37. Overwegende dat geen enkel van de door verzoekster aangevoerde middelen gegrond is; dat het beroep dienvolgens moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  38. IX-2171-14/15 Het beroep wordt verworpen. Artikel
  39. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, J. SMETS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2171-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.729 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.86.975 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.