← België

Arrest 146730 - - 27/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.730 Rolnummer: A. 80968/IX-1532 Zaak: Arrest 146730 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 19:31 Fiche Arrest nr 146.730 van 27 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.730 van 27 juni 2005 in de zaak A. 80.968/IX-1532. In zake : Claude EGERICKX, wonende te NINOVE, Polderbaan 67 tegen : de NV BELGACOM, die woonplaats kiest bij advocaten L. DE SCHRIJVER en D. CORNELIS, kantoor houdende te GENT (Drongen), Baarledorpstraat 93. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Claude EGERICKX op 4 november 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “de beslissing dd. 16 oktober 1998 van de gemachtigde van de Raad van Bestuur van BELGACOM, waarbij hem de tuchtstraf ‘ontslag’ wordt betekend”; Gelet op het arrest nr. 78.739 van 15 februari 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 5 maart 1999 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur H. COLIN; IX-1532-1/13 Gelet op de beschikking van 9 mei 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 11 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. DE TROYER, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat D. CORNELIS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker wordt op 18 augustus 1970 aangeworven als tijdelijk installateur en met ingang van 1 juli 1974 in vast statutair verband benoemd tot installateur bij de toenmalige Regie voor Telegrafie en Telefonie, thans de NV BELGACOM. Op 13 juni 1984 wordt hij benoemd tot eerste installateur. IX-1532-2/13 1.2. Op 22 juli 1998 zou verzoeker zich in een verpleegzaal van BELGACOM tijdens zijn diensturen schuldig hebben gemaakt aan “ongewenste intimiteiten” en “aanranding der eerbaarheid” jegens een plaatsvervangende verpleegster van de arbeidsgeneeskundige dienst van BELGACOM. Het parket van Oudenaarde wordt hierover op 3 augustus 1998 ingelicht. 1.3. Op 18 augustus 1998 wordt verzoeker over de aangeklaagde feiten gehoord door een medewerker van CORPORATE SECURITY BELGACOM. 1.4. Op 19 augustus 1998 stelt de hiërarchische meerdere van verzoeker, de “director Planning and Mobility, Group Human Resources” van BELGACOM, voor om verzoeker te bestraffen met het ontslag bij tuchtmaatregel in toepassing van artikel 113bis, § 1, van het administratief personeelsstatuut van BELGACOM en beslist hem in toepassing van artikel 142, § 5, van hetzelfde statuut te schorsen in het belang van de dienst met verlies van elke verloning. 1.5. Op 20 augustus 1998 wordt die beslissing ter kennis gebracht van verzoeker. 1.6. Op 25 augustus 1998 wordt verzoeker gehoord door zijn hiërarchische meerderen, in het bijzijn van en bijgestaan door een vakbonds- afgevaardigde. 1.7. Op 28 augustus 1998 beslist de “director Planning and Mobility, Group Human Resources” van BELGACOM aan verzoeker het ontslag bij tuchtstraf op te leggen in toepassing van de artikelen 112 en 113bis, §§ 1, 2 en 3, van het administratief personeelsstatuut van BELGACOM. Die beslissing, die bij aangetekend schrijven van 28 augustus 1998 aan verzoeker wordt genotificeerd, is als volgt gemotiveerd : IX-1532-3/13 “Hiernavolgende overwegingen dienen tot staving van de beslissing die genomen wordt bij toepassing van de artikelen 112 en 113bis van het Administratief Personeelsstatuut van BELGACOM. Overwegende dat U, bijgestaan door een door U gekozen vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie, op 25 augustus 1998 werd gehoord; Overwegende dat, de door U afgelegde verklaringen een totaal andere versie geven van de voorgevallen gebeurtenissen; Overwegende het bestaan van een gedetailleerde verklaring in het Security- onderzoek en van een klachtneerlegging bij de heer Procureur des Konings te Oudenaarde op 3 augustus 1998; Overwegende het bestaan van telefonische gesprekken van het slachtoffer met de verpleegster van de BELGACOM-Towers over uw gedrag zowel tijdens uw aanwezigheid in het verpleeglokaal als onmiddellijk na uw vertrek; Overwegende het feit dat het slachtoffer nooit eerder in contact is gekomen met U en geen personeelslid is van BELGACOM, en er dus geen enkel persoonlijk belang bij had valse verklaringen af te leggen; Overwegende dat er geen enkele aanwijzing is dat het slachtoffer die zich bewust moet zijn van haar vertrouwenspositie als verpleegster, haar deontologische verplichtingen niet zou hebben nageleefd door lichtzinnige ongegronde beschuldigingen ten aanzien van een persoon die ze totaal niet kende; Overwegende derhalve dat de feiten bewezen moeten worden geacht en dat U geen bewijzen kan aanvoeren die de verklaringen van het slachtoffer weer- leggen; Overwegende dat U reeds voor ongewenste intimiteiten met een tucht- schorsing van drie dagen werd bestraft op 6 maart 1998 waardoor er sprake is van recidivisme; Overwegende dat uw rechtvaardiging op de hoorzitting van 25 augustus 1998 dat het om een complot zou gaan, gericht tegen uw politieke overtuiging, ongegrond is aangezien de diverse slachtoffers van de ongewenste intimiteiten elkaar niet eens kennen; Overwegende dat de feiten conform artikel 113bis, § 2, 7/, van het Administratief Personeelsstatuut dienen gekwalificeerd te worden als tekort- komingen die een dringende reden vormen.” 1.8. Met een aangetekende brief van 1 september 1998 tekent verzoeker beroep aan tegen deze tuchtstraf. 1.9. Tijdens zijn vergadering van 5 oktober 1998 hoort de raad van beroep de vertegenwoordigers van de partijen in hun uiteenlopende stellingen nopens de feitelijke gegevens die aan de tuchtstraf ten grondslag liggen. Na een geheime stemming stelt de raad van beroep vast geen advies te kunnen uitbrengen wegens staking van stemmen. IX-1532-4/13 1.10. Op 16 oktober 1998 beslist de afgevaardigd beheerder, gemachtigde van de raad van bestuur van BELGACOM, verzoeker definitief te straffen met het ontslag. Die beslissing wordt op 16 oktober 1998 aan verzoeker betekend. Zij is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat dhr. EGERICKX Claude G., technisch medewerker pernr. : 026883, op 22 juli 1998 ongewenste intimiteiten en aanranding op de eerbaarheid pleegde op een externe medewerkster van BELGACOM, met name op een personeelslid van de arbeidsgeneeskundige dienst ‘Gezondheid en Arbeid’; Overwegende dat betrokkene reeds op 6 maart 1998 bestraft werd voor het plegen van ongewenste intimiteiten waardoor er sprake is van recidivisme; Overwegende dat de aangehaalde feiten in toepassing van art. 113bis, § 3, 7/ van het administratief personeelsstatuut van BELGACOM beschouwd worden als tekortkomingen die een dringende reden vormen; Overwegende dat tekortkomingen die een dringende reden vormen in toepassing van art. 113bis, § 1 van het administratief personeelsstatuut van BELGACOM bestraft worden met het ontslag; Overwegende dat dhr. EGERICKX Claude in toepassing van art. 111 van het administratief personeelsstatuut van BELGACOM op 25 augustus 1998 werd uitgenodigd om verklaringen ter rechtvaardiging af te leggen; Overwegende dat betrokkene van het voornemen van BELGACOM om hem in toepassing van art. 113bis, § 2 en § 3, 7/, van het administratief personeels- statuut van BELGACOM te bestraffen met het ontslag op de hoogte werd gesteld met een aangetekend schrijven daterend van 28 augustus 1998; Overwegende dat betrokkene hiervoor voor de Raad van Beroep wenste te worden gehoord; Overwegende dat de Raad van Beroep in zitting op 8 oktober 1998 geen advies heeft kunnen uitbrengen als gevolg van een staking van stemmen; Gelet op artikel 132, 1e lid van het administratief personeelsstatuut van BELGACOM; De h. EGERICKX Claude G., technisch medewerker, pernr.: 026883, wordt gestraft met het ontslag.” Dit is de bestreden beslissing; 2. Over de ontvankelijkheid van het annulatieberoep. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat verzoeker in zijn verzoekschrift niet concreet aanduidt welke IX-1532-5/13 wettelijke bepaling of welk beginsel van behoorlijk bestuur zou zijn geschonden zodat het verzoekschrift onontvankelijk moet worden verklaard bij toepassing van artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Overwegende dat die exceptie niet wordt aanvaard; dat de verwerende partij immers zelf twee middelen heeft onderkend in het verzoekschrift en die middelen heeft besproken; 3. Over de gegrondheid van de vordering. 3.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert dat kwalificatie van de hem ten laste gelegde feiten niet in aanmerking kan genomen worden; dat hij te dezen stelt dat hem ongewenste intimiteiten en aanranding van de eerbaarheid ten laste gelegd worden en het specifiek een inbreuk betreft zoals bedoeld in artikel 373 van het Strafwetboek; dat door bepaalde feiten strafrechtelijk te kwalificeren die feiten op ontoelaatbare wijze verzwaard worden en dat artikel 373 van het Strafwetboek niet aan de orde is; dat verzoeker voorts de feiten ontkent en dat hoewel de klaagster zijn gedragingen misschien niet gepast vond het wel blijkt dat zij “zich niet bedreigd of geïntimideerd gevoeld heeft noch dat zij de feiten op het eerste zicht zwaarwichtig vond”; dat zij tenslotte “pas klacht heeft ingediend na ruggespraak met bepaalde andere personen die misschien niet zo objectief tegenover verzoeker stonden”; dat de opgelegde straf, gelet op de omstandigheden, te zwaar is en dient te worden herzien; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing geen enkele verwijzing inhoudt naar artikel 373 van het Strafwetboek noch dat de aangeklaagde feiten er als een misdrijf omschreven worden en dat zij daarentegen enkel een dringende reden vormen die in toepassing van artikel 113bis, § 3, 7/, van het administratief personeelsstatuut van BELGACOM bestraft worden met het ontslag; dat de ten laste gelegde feiten, in de bestreden beslissing omschreven als “ongewenste intimiteiten”, in de eerste plaats een inbreuk uitmaken van de gedragscode van BELGACOM en bijgevolg tot de tuchtrechtelijke sfeer behoren en dat alleen daarvoor verzoeker gestraft werd met ontslag; dat verzoeker niet aan zijn proefstuk was; dat de Raad van State reeds diverse malen geoordeeld heeft dat het gebruik van termen die gelijklopend zijn met bepalingen uit het Strafwetboek niet de conclusie kunnen wettigen dat de tuchtoverheid de betrokkene schuldig heeft bevonden aan een misdrijf en dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de straf IX-1532-6/13 rekening mag houden met het al dan niet bestaan van tuchtrechtelijke antecedenten, waarbij een lange onberispelijke staat van dienst overigens niet er aan in de weg staat dat een strenge straf wordt uitgesproken als de feiten voldoende zwaarwichtig zijn; dat de tuchtoverheid over een zeer ruime appreciatiebevoegdheid beschikt, die onder meer betrekking kan hebben op de aard en de ernst van de fout, de persoon die ze beging, de omstandigheden waarin de feiten werden gepleegd, de weerslag van de fout op andere personeelsleden; dat bovendien enkel een kennelijk volkomen onevenredige straf als onwettig kan beschouwd worden, met andere woorden als het gaat om een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen; dat de verwerende partij van oordeel is dat, gelet op de ernst van de feiten en het herhaald karakter ervan, geen sprake kan zijn van enige onevenredigheid van de oplegde straf en dat het ontslag in deze omstandigheden zelfs ongetwijfeld de enige mogelijke straf was; 3.1.3. Overwegende dat verzoeker repliceert dat in het aanvankelijk verslag van 3 augustus 1998 onder de rubriek “Aard der feiten” er wel degelijk verwezen wordt naar “Aanranding der eerbaarheid (373, 1/ SWB)” en dat in het eindverslag van 18 maart 1998 onder dezelfde rubriek nog enkel sprake is van “ongewenste intimiteiten”; dat de kwalificatie van de feiten als “aanranding der eerbaarheid” dan toch behouden wordt in de bestreden beslissing; dat de verwerende partij minstens de schijn heeft willen wekken dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf en daardoor de feiten ten onrechte heeft verzwaard; dat zijn gedrag weliswaar ongepast was maar dat het niet de zwaarste tuchtstraf recht- vaardigt; dat de bewering van de verwerende partij als zou verzoeker zijn gedrag niet willen aanpassen en daarom het ontslag de enige mogelijke sanctie kan zijn niet juist is aangezien verzoeker beloofde geen alcohol meer te zullen gebruiken; dat hij ten slotte een vrij behoorlijke staat van dienst heeft en dat daarmee geen rekening is gehouden bij het bepalen van de strafmaat; 3.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nogmaals benadrukt dat de feiten die hem ten laste werden gelegd “onnoemelijk verzwaard” werden; 3.1.5. Overwegende dat artikel 113bis van het administratief personeels- statuut van BELGACOM als volgt luidt : “Art. 113bis - § 1. Onverminderd de mogelijkheid om het ontslag ook voor andere feiten uit te spreken, wordt de tekortkoming die een dringende reden vormt, bestraft met het ontslag. IX-1532-7/13 § 2. Worden beschouwd als tekortkomingen die een dringende reden vormen, de handelingen vermeld in § 3, zodra deze handelingen werden begaan door een personeelslid van BELGACOM : 1/ hetzij ten nadele van de gehele Belgacomgroep of van een gedeelte ervan; 2/ hetzij ten nadele van derden, op voorwaarde dat het personeelslid dat wordt beschuldigd, op het ogenblik van de feiten :

  1. a)hetzij onder het gezag van BELGACOM of van een dochteronderneming van de Belgacomgroep stond;
  2. b)hetzij zich in een eigendom van BELGACOM of van een dochteronder- neming van de Belgacomgroep bevond. § 3. de in § 2 bedoelde handelingen zijn de volgende : (...) 7/ ongewenste intimiteiten, verkrachting, aanslag op de eerbaarheid; (...)”; dat luidens artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 maart 1995 ter bescherming van de personeelsleden tegen ongewenst seksueel gedrag op het werk bij de besturen en andere diensten van de federale ministeries, evenals in sommige instellingen van openbaar nut, “onder ongewenst seksueel gedrag wordt verstaan elke vorm van verbaal, niet-verbaal of lichamelijk gedrag van seksuele aard waarvan degene die zich er schuldig aan maakt, weet of zou moeten weten, dat het afbreuk doet aan de waardigheid van vrouwen en mannen op het werk”; dat dergelijk gedrag geenszins vereist dat dit gepaard gaat met enigerlei vorm van dreiging en/of dwang, hetzij fysiek, hetzij psychisch; dat het volstaat dat het gedrag een vorm is van verbaal, niet- verbaal of lichamelijk gedrag van seksuele aard waarvan degene die zich er schuldig aan maakt, weet of zou moeten weten, dat het afbreuk doet aan de waardigheid van vrouwen en mannen op het werk; dat de “aanslag op de eerbaarheid” een meer ernstige vorm is van ongewenste intimiteiten en het gebruik van enige vorm van dwang, geweld, list of onverhoeds optreden tegen de zin van het slachtoffer veronderstelt; 3.1.6. Overwegende dat in de brief van 20 augustus 1998, waarbij verzoeker wordt opgeroepen om een eventuele verklaring of rechtvaardiging af te leggen, wordt vermeld dat het onderzoeksverslag dat ten laste van verzoeker werd opgesteld gewag maakt van ongewenste intimiteiten en van aanranding van de eerbaarheid; dat voorts in de bestreden beslissing wordt overwogen dat verzoeker ongewenste intimiteiten en aanranding van de eerbaarheid pleegde op een externe medewerkster van BELGACOM, met name op een personeelslid van de arbeidsgeneeskundige dienst “Gezondheid en Arbeid”, dat hij reeds op 6 maart 1998 werd bestraft voor het plegen van ongewenste intimiteiten waardoor er sprake is van recidive, dat de aangehaalde feiten in toepassing van artikel 113bis, § 3, 7/, van het administratief personeelsstatuut van BELGACOM beschouwd worden als tekortkomingen die een dringende reden vormen, en dat tekortkomingen die een IX-1532-8/13 dringende reden vormen in toepassing van artikel 113bis, § 1, van voornoemd statuut bestraft worden met ontslag; 3.1.7. Overwegende dat het slachtoffer omtrent de feiten een volgende verklaring heeft afgelegd : “... Dan wou ik de juiste plaats van de voetkwetsuur bekijken. Ik stond aan zijn linkerzijde ter hoogte van zijn beide voeten. Gezien het ziekenbed nogal laag is diende ik mij lichtjes voorover te buigen. Ik had de rechtervoet wat omhoog- geheven om de kwetsuur goed te kunnen bekijken waarop hij steeds zijn voet (tot vijfmaal toe) verder omhoogbracht duidelijk met de bedoeling mijn borsten te raken. Ik heb telkens tijdig zijn voet kunnen terugduwen. (...) Terwijl ik aan het bellen was zat ik aan mijn bureel en lag hij in feite op het ziekenbed schuin achter mij. Vanuit mijn positie zag ik dat de persoon met zijn rechterhand bewegingen uitvoerde in zijn broek ter hoogte van de geslachts- delen. Op het ogenblik dat ik in zijn richting keek gaf hij tijdens het uitvoeren van de bewegingen een veelbetekende glimlach. (.) Toen is de heer EGERICKX achter mij komen staan. Eerst begon hij met beide handen mijn schouders aan te raken en mijn rug te strelen waarbij de aanrakingen alsmaar verder gingen in de richting van mijn lenden. Verder is hij niet gegaan omdat ik hem weggeduwd heb. (...)“; 3.1.8. Overwegende dat die verklaring door de verwerende partij als waarheidsgetrouw is aanvaard, dat verzoeker deze tijdens het onderzoek niet heeft kunnen ontkrachten en dat de manier waarop verzoeker de aangeklaagde feiten klaarblijkelijk subjectief percipieert en interpreteert volledig voor zijn rekening gelaten wordt; dat ook vaststaat dat de verwerende partij in het geheel van de voorbereidende handelingen die geleid hebben tot de bestreden beslissing de nodige zorgvuldigheid en redelijkheid aan de dag heeft gelegd om tot een overtuiging te komen nopens de aangeklaagde feiten, die zij omschrijft als aanranding van de eerbaarheid en ongewenste seksuele intimiteiten, dat, al komt het de Raad van State niet toe om uit te maken wat, naar zijn oordeel, de juiste toedracht van de aan de tuchtstraf ten grondslag liggende feiten is, hij wel vermag na te gaan of de tuchtover- heid, gelet op de gegevens van het administratief dossier, rechtmatig tot haar vaststelling betreffende de toedracht van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten is gekomen en in redelijkheid heeft kunnen vaststellen dat dit feit als tuchtfeit kan worden aangemerkt; dat de lectuur van de verklaring van het slachtoffer noopt tot de conclusie dat de verwerende partij terecht hieruit heeft kunnen afleiden dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste intimiteiten en aanslag op de eerbaarheid en dat zij, gelet op het recidiverend gedrag van verzoeker, in redelijkheid kon besluiten tot de tuchtstraf van het ontslag en geen rekening diende te houden met zijn belofte geen alcohol meer te gebruiken en met de door hem ingeroepen “redelijke staat van dienst”; dat het middel niet gegrond is; IX-1532-9/13 3.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert dat de bestreden beslissing niet steunt niet op objectief aanvaardbare en deugdelijke motieven; dat hij hierbij laat gelden dat hij voor de raad van beroep een aantal argumenten naar voren heeft gebracht en dat de raad van beroep klaarblijkelijk met die argumenten rekening heeft gehouden en niet tot het formuleren van een advies is kunnen overgaan; dat minstens in de definitieve beslissing met dit aspect rekening diende gehouden te worden; dat, immers, het ontbreken van een advies van de raad van beroep de tuchtrechtelijke overheid noopt tot omzichtigheid en dat “minstens dient gesteld dat - met aangeven van de redenen - er geen rekening mee kan gehouden worden”; dat verzoeker de mening toegedaan is dat er met de beroeps- procedure geen rekening werd gehouden; dat dit volgens hem niet de bedoeling kan zijn aangezien het ontbreken van het advies omwille van staking van stemmen “minstens dezelfde waarde heeft als een verdeeld advies, positief of negatief”; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat uit het ontbreken van een advies wegens staking van stemmen geenszins kan worden afgeleid dat de raad van beroep niet ongevoelig zou geweest zijn voor de argumenten van verzoeker en dat de uitspraak van de raad van beroep overeenkomstig artikel 119, § 1, 2/, van het Algemeen Personeelsstatuut slechts de waarde van een gemotiveerd advies heeft, waarvan door de raad van bestuur of zijn gemachtigde steeds kan afgeweken worden, tenzij de raad van beroep zich aansluit bij de aanvankelijk geformuleerde tuchtmaatregel, in welk geval de bestreden beslissing gehandhaafd wordt; dat het besluit van de raad van bestuur terzake afdoende gemotiveerd is aangezien uitdrukkelijk verwezen wordt naar de feiten die zich hebben voorgedaan op 22 juli 1998; dat verder in de bestreden beslissing uitdrukkelijk gewezen wordt op het recidiverend gedrag van verzoeker die voor soortgelijke feiten reeds eerder, met name op 6 maart 1998, een tuchtstraf had opgelopen; dat derhalve de feiten met toepassing van artikel 113bis, § 3, 7/, van het administratief personeels- statuut van BELGACOM moeten beschouwd worden als tekortkomingen die een dringende reden vormen, welke overeenkomstig artikel 113bis, § 1, van het genoemde personeelsstatuut worden bestraft met het ontslag; dat verzoeker voor de raad van beroep zelf uitdrukkelijk heeft erkend dat zijn gedrag wellicht “als ongepast werd ervaren”, waarmee hij de feiten toegaf, ondanks het feit dat hij de feiten verder heeft geminimaliseerd en zelfs zo ver is gegaan te stellen dat die slechts als “seksuele aandacht” en niet als “seksuele intimidatie” moeten worden beschouwd; 3.2.3. Overwegende dat verzoeker hierop repliceert, samengevat, dat de verwerende partij het beroep dat verzoeker instelde bij de raad van beroep beschouwt IX-1532-10/13 als een minimaliseren of bagatelliseren van de zaak, maar blijkbaar zelfs niet de mogelijkheid overweegt dat het verweer van verzoeker bepaalde redelijke elementen zou kunnen inhouden; dat de bewering van de verwerende partij dat de raad van beroep ingevolge een staking van stemmen geen advies heeft kunnen uitbrengen niet terecht is, aangezien de staking van stemmen het gevolg is van het feit dat minstens de helft van de leden van de Raad oor had voor de argumenten van verzoeker; dat verzoekers beroep niet aldus mag worden geïnterpreteerd als zou hij de feiten, zoals ze ten laste worden gelegd, hebben toegegeven, maar dat hij ze in de juiste context heeft geplaatst en gesteld heeft niet meer te zullen drinken en meer aandacht te zullen schenken aan het feit dat bepaald gedrag bij anderen als storend kan overkomen; dat hij ook in zijn bezwaarschrift nuttige rechtspraak heeft geciteerd die blijkbaar in de besluitvorming door de verwerende partij niet in overweging werd genomen, waaruit blijkt dat een onderscheid wordt gemaakt tussen seksuele aandacht en seksuele intimidatie, onderscheid dat zich situeert op het vlak van al dan niet aanwezige fysieke dwang of morele dwang; dat hij in zijn laatste memorie ook nog stelt dat staking van stemmen impliceert dat minstens de helft van de leden van de raad van beroep de voorgestelde sanctie onterecht vond en zijn argumenten aannam en dat in deze de beslissing van de raad van beroep als onbestaande wordt beschouwd; 3.2.4. Overwegende dat artikel 132 van het administratief personeels- statuut van BELGACOM als volgt luidt : “Art. 132. Indien de raad van beroep, als gevolg van een staking van stemmen, geen advies heeft kunnen uitbrengen of indien het advies van de raad van beroep gunstig is voor verzoeker, wordt de zaak voorgelegd aan de raad van bestuur of zijn gemachtigde die een beslissing neemt en hiervan kennis geeft aan de raad van beroep. Indien de beslissing van de raad van bestuur of zijn gemachtigde afwijkt van het advies van de raad van beroep, dan wordt de beslissing afdoende gemotiveerd. De beslissing van de raad van bestuur of zijn gemachtigde mag niet ongunstiger zijn voor de verzoeker dan de bestreden beslissing. Wanneer het advies van de raad van beroep ongunstig is voor de verzoeker, wordt de bestreden beslissing gehandhaafd”; dat die bepaling de verwerende partij noopte om, indien haar beslissing afweek van het advies van de raad van beroep, die beslissing op een afdoende wijze te motiveren; dat evenwel om op gemotiveerde wijze af te wijken van een advies vereist is dat er een advies is; dat het gevolg van een staking van stemmen er evenwel in bestaat dat de raad van beroep “geen advies heeft kunnen uitbrengen”; dat van een beslissing die wordt genomen nadat de raad van beroep, als gevolg van een staking van stemmen, geen advies heeft kunnen uitbrengen, dan ook niet kan worden verwacht dat die beslissing op een afdoende wijze motiveert waarom geen rekening werd gehouden IX-1532-11/13 met een niet bestaand advies; dat in zoverre verzoeker doelt op de verplichting voor de verwerende partij om in de bestreden beslissing de argumenten te weerleggen die hij in zijn bezwaarschrift voor de raad van beroep had aangevoerd, die argumenten louter betrekking hadden op de kwalificatie van verzoekers gedrag als “aanranding op de eerbaarheid”, gedrag dat volgens verzoeker “weliswaar niet passend is, doch niet bedreigend en intimiderend”, en dat “inderdaad dient beteugeld, doch niet met de sanctie ontslag”; dat in het eerste middel reeds voor recht is gezegd dat de aangeklaagde feiten gecombineerd met het recidiverend gedrag van verzoeker op zich een objectief en deugdelijk motief opleveren voor de bestreden beslissing; dat ten slotte de omstandigheid dat de raad van beroep geen advies heeft uitgebracht wegens staking van stemmen bezwaarlijk kan aantonen dat minstens de helft van de leden van de raad van beroep al zijn argumenten heeft aangenomen, ook die met betrekking tot de wijze waarop hij de feiten heeft geïnterpreteerd en geminimaliseerd; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, IX-1532-12/13 V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1532-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.730 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.78.739 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.