← België

Arrest 146732 - - 27/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.732 Rolnummer: A. 110764/IX-3076 Zaak: Arrest 146732 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-14 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 19:31 Fiche Arrest nr 146.732 van 27 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.732 van 27 juni 2005 in de zaak A. 110.764/IX-

  1. In zake : Peter VOORTMANS, wonende te ZONHOVEN, Keltenstraat 12 tegen :
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken,
  3. de gemeente TESSENDERLO. tussenkomende partij : Monique VERDUYCKT, die woonplaats kiest bij advocaat C. FLAMEND, kantoor houdende te MEISE, Vilvoordsesteenweg
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Peter VOORTMANS op 26 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van - het koninklijk besluit van 20 juli 2001 waarbij Monique VERDUYCKT wordt benoemd tot commissaris van politie bij het gemeentelijk politiekorps van Tessenderlo en van - de uit die beslissing blijkende impliciete weigering om hem tot commissaris van politie te benoemen; Gelet op het arrest nr. 103.134 van 4 februari 2002 waarbij het verzoek tot tussenkomst van Monique VERDUYCKT in het administratief kort geding wordt ingewilligd, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van IX-3076-1/10 de bestreden beslissingen wordt verworpen en de uitspraak over de bijdrage van de betaling van de kosten wordt uitgesteld; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 16 maart 2002 door verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 8 mei 2002; Gelet op de beschikking van 14 mei 2002 die de tussenkomst van Monique VERDUYCKT toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 21 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. DE GREEF die, loco advocaat S. MOERMAN verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché I. DE PAEPE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat E. POOLS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat C. FLAMEND, die verschijnt voor de tussenkomende partij; IX-3076-2/10 Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de gegevens van de zaak uiteengezet zijn in het arrest nr. 103.134 van 4 februari 2002 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wegens het niet aangetoond zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel verworpen werd; 2.
  6. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij buiten de debatten gehouden moet worden, aangezien zij namens de minister van Binnenlandse Zaken en voor de directeur-generaal van de Algemene Directie van de Wetgeving en van de Nationale Instellingen ondertekend is door een adviseur-generaal, zonder dat het bewijs wordt voorgelegd dat laatstgenoemde daarvoor over een delegatie zou beschikken die tegenstelbaar is aan verzoeker; 2.
  7. Overwegende dat de exceptie ertoe strekt de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij als processtuk buiten het geding te houden; dat, aangezien het onderzoek van de onderhavige zaak beperkt is tot de ontvankelijk- heidsvoorwaarde van het actueel belang -probleem dat ambtshalve door de Raad van State onderzocht dient te worden en waarover de betrokken memorie overigens geen standpunt inneemt- de Raad van State geen uitspraak moet doen over de opgeworpen exceptie; 3.
  8. Overwegende dat de tussenkomende partij betoogt dat verzoeker, na met gunstig gevolg de selectieprocedure als kandidaat-officier te hebben afgelegd, op 26 november 2001 overgegaan is naar de federale politie in de graad van aspirant- commissaris, dat hij deze benoeming niet bestreden heeft en dat hij bijgevolg zijn belang verloren heeft bij de vernietiging van haar benoeming tot commissaris van politie te Tessenderlo; IX-3076-3/10 3.2.
  9. Overwegende dat uit het door de auditeur-verslaggever ingestelde onderzoek gebleken is dat verzoeker op eigen initiatief met het koninklijk besluit nr. 858 van 27 mei 2002 op datum van 26 november 2001 benoemd is in de graad van commissaris van politie bij de federale politie en dat hij vervolgens, in het kader van de mobiliteit, met succes gesolliciteerd heeft voor een functie van officier tewerkgesteld bij de technische en wetenschappelijke politie (DJT-GID) en hij die functie sinds 1 september 2002 ook uitoefent; dat verzoeker, in antwoord op een vraag van de auditeur-verslaggever betreffende zijn actueel belang, uiteengezet heeft dat hij zijn beroep gestand doet om reden dat de rechtsgevolgen van een benoeming tot commissaris van politie in de vroegere politiestructuur wezenlijk verschillen van de benoeming tot dezelfde graad binnen de eengemaakte politiestructuur; dat hij zijn standpunt als volgt verduidelijkt: in geval van vernietiging van de benoeming van Monique VERDUYCKT en van de weigering om hem te benoemen ontstaat de mogelijkheid -hij verwijst naar artikel 27 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en naar artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 maart 2001- om met terugwerkende kracht in de oude graad van commissaris van politie bij de gemeentepolitie van Tessenderlo benoemd te worden; in geval van benoeming in die graad zou hij de weddeschaal PB 33 verkrijgen, hetgeen hem bij de overgang naar het nieuwe politiestatuut een weddeschaal O4bis zou opleveren en die weddeschaal zal hij uit hoofde van de benoeming die hij bij de federale politie heeft gekregen “op geen enkele wijze ooit (...) kunnen genieten”; 3.2.
  10. Overwegende dat de auditeur-verslaggever na analyse van de toepasselijke reglementering tot het besluit gekomen is dat verzoeker inderdaad geen belang meer heeft bij het ingediende beroep; dat hij daarvoor wezenlijk steunt op de vaststelling dat verzoeker, wegens zijn overgang naar de federale politie, op grond van de overgangsbepalingen die hij inroept -en die de benoeming tot commissaris van politie bij de gemeentepolitie voorbehouden aan de titularissen van een graad binnen een gemeentelijk of lokaal politiekorps- geen benoeming tot officier binnen een gemeentelijk politiekorps en de bijhorende weddeschaal meer kan verkrijgen, terwijl het bestuur er krachtens het vernietigingsarrest niet toe verplicht zal zijn verzoeker IX-3076-4/10 alsnog met terugwerkende kracht te benoemen en de mogelijkheid die het bestuur heeft om hem retroactief te benoemen een onrechtstreeks en zelfs hypothetisch belang vormt; 3.2.
  11. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie het volgende betoogt: de herstructurering van de politiekorpsen en het tot stand brengen van één politiekorps heeft tot gevolg dat de lokale politie de jure niet beschouwd kan worden als de opvolger van de opgeheven gemeentepolitie, die afgescheiden is van de federale politie; in de mate dat zijn -financieel- belang afhangt van de loutere mogelijkheid van het bestuur om hem retroactief te benoemen, is het daarom nog niet hypothetisch; in ieder geval heeft hij het recht om zijn belang anders te formuleren en wenst hij onder de aandacht te brengen dat hij, als titularis van dezelfde graad als de tussenkomende partij bij de geïntegreerde politie, in het kader van de mobiliteitsrege- ling met haar in concurrentie kan komen; 3.2.
  12. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar laatste memorie nog benadrukt dat de bestreden benoemingsprocedure onder de toepassing valt van artikel 27 van de wet van 27 december 2000, dat verzoeker nog enkel verwijst naar een financieel belang dat evenwel zuiver hypothetisch is en dat verzoeker ten onrechte stelt dat er slechts één politiekorps bestaat, aangezien de federale politie en de lokale politie naast elkaar bestaan en enkel “geïntegreerd” zijn in die zin dat zij op sommige domeinen samenwerken; 3.
  13. Overwegende dat het tweede voorwerp van het beroep subsidiair is aan het beroep tot nietigverklaring van de verzoekende partij; dat de onont- vankelijkheid van het beroep tegen de hoofdvordering impliceert dat ook de bijkomende vordering verworpen moet worden; 3.3.
  14. Overwegende dat verzoeker niet betwist dat hij definitief benoemd is tot commissaris van politie bij de federale politie; dat het ook niet zijn bedoeling blijkt te zijn om, ingeval de benoeming van de tussenkomende partij vernietigd wordt, naar de lokale politie terug te keren; dat hij zijn actueel belang in essentie legt in het IX-3076-5/10 feit dat, mocht hij in de plaats van de tussenkomende partij tot commissaris van politie bij het gemeentelijk politiekorps van Tessenderlo benoemd zijn, hij bij zijn overgang naar de geïntegreerde politiedienst in een hogere weddeschaal ingeschaald zou zijn geworden; dat hij van oordeel is dat hij, na een vernietiging van de bestreden beslissingen, alsnog dat voordeel kan verkrijgen; 3.3.
  15. Overwegende dat buiten betwisting staat dat het gemeentelijk politiekorps van Tessenderlo niet meer bestaat en dat het opgegaan is in de lokale politiezone Beringen/Ham/Tessenderlo; dat blijkens artikel 3 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna : de WGP), de korpsen van de lokale politie en de federale politie wat hun structuur en organisatie betreft, autonome entiteiten vormen; dat verzoeker derhalve, door zich definitief te laten benoemen op het kader van de federale politie, vrijwillig buiten de structuur van de lokale politie getreden is; dat verzoeker voorts ook niet betwist dat het rechtsherstel waartoe een eventuele vernietiging van de bestreden beslissingen aanleiding zal moeten geven, niet zover reikt dat hij tot commissaris van politie -oud regime- moet worden benoemd en dat die benoeming uitwerking moet krijgen op de datum van het bestreden benoemings- besluit; 3.3.
  16. Overwegende dat verzoeker zich op het standpunt plaatst dat de verwerende partij na een vernietigingsarrest de mogelijkheid zal hebben om hem tot commissaris van politie in het gemeentelijk korps van Tessenderlo te benoemen en dat, indien die benoeming retroactief gebeurt, zulks hem een betere financiële basis oplevert bij zijn inschakeling in de nieuwe politiestructuur; 3.3.3.
  17. Overwegende dat verzoeker verwijst naar artikel 27 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 maart 2001 tot uitvoering van de artikelen 13, 27, tweede en vijfde lid en 53 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking IX-3076-6/10 tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en houdende diverse andere overgangsbepalingen; Overwegende dat het voornoemd artikel 27 van de wet van 27 december 2000, dat in werking getreden is op 1 januari 2001, luidt als volgt : “De selectieprocedures voor kandidaten alsmede de opleidingen, de stages en de benoemings- en bevorderingsprocedures in de rijkswacht, de gerechtelijke politie bij de parketten of in de gemeentelijke politiekorpsen die in uitvoering zijn op de datum van inwerkingtreding van deze wet worden voortgezet en afgehandeld overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen daags vóór de inwerkingtreding van deze wet. (...) Het benoemde of bevorderde personeelslid wordt van rechtswege benoemd of bevorderd in (...) het gemeentelijk politiekorps of de lokale politie waar de procedure loopt. De benoeming of bevordering die volgt uit de toepassing van het eerste lid, geschiedt, in voorkomend geval, van rechtswege in de nieuwe graad vastgesteld bij de rechtspositieregeling van het personeel van de politiediensten. (...).” Overwegende dat artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 maart 2001 bepaalt dat de benoemingsprocedure wordt “geacht in uitvoering te zijn voor het personeelslid van het operationeel korps (...) van de gemeentepolitie (...) dat vóór l juni 2001 een akte van kandidaatstelling tot benoeming heeft ingediend”; Overwegende dat de kandidaturen voor de vacante plaats van politiecommissaris in de gemeente Tessenderlo ingediend zijn vóór 1 juni 2001; dat artikel 27 van de wet van 27 december 2000 derhalve van toepassing is op die benoeming, ook wanneer de benoemingsprocedure na een vernietigingsarrest wordt voortgezet; 3.3.3.
  18. Overwegende dat, in de regeling zoals die op 31 december 2000 van toepassing was op de benoeming van een commissaris van politie in een gemeentelijk politiekorps, rekening gehouden moet worden met de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming IX-3076-7/10 in de graden van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie; dat krachtens artikel 1, tweede lid, van dat besluit niemand tot een graad van officier van de gemeentepolitie benoemd kan worden, tenzij hij bekleed is met één van de graden vermeld in de artikelen 1, 2 en 4 van het koninklijk besluit van 13 oktober 1986 tot vaststelling van de graden van het personeel van de gemeentepolitie; dat met andere woorden, in die regeling niemand tot commissaris van politie benoemd kan worden wanneer hij geen lid is van een operationeel korps van de gemeentepolitie; dat voorts, aangezien overeenkomstig artikel 235, eerste lid, van de WGP, de leden van de gemeentelijke politiekorpsen overgegaan zijn naar het operationeel kader van de lokale politie, sinds de inplaatsstelling van de lokale politiekorpsen de toegang tot de graad van commissaris van politie krachtens de overgangsregeling van artikel 27 van de wet van 27 december 2000 beperkt is tot de politieambtenaren die deel uitmaken van een lokaal politiekorps; Overwegende aldus dat, zo de verwerende partij na een vernieti- gingsarrest de bestreden benoeming heroverweegt, haar keuze in ieder geval beperkt zal zijn tot de kandidaten die tot het operationeel kader van een lokaal politiekorps behoren; dat verzoeker evenwel in de loop van het onderhavige geding, wegens zijn benoeming tot commissaris van politie bij de federale politie, vrijwillig het gemeente- lijk en lokaal politiekader definitief verlaten heeft; dat hij sindsdien niet meer in de voorwaarden verkeert om op grond van artikel 27 van de wet van 27 december 2000 nog tot commissaris van politie in een lokaal politiekorps benoemd te worden; 3.3.3.
  19. Overwegende dan weer dat verzoeker ervan uitgaat dat de verwerende partij alsnog de mogelijkheid heeft om, na een vernietigingsarrest, hem retroactief te benoemen op basis van zijn situatie vóór zijn overgang naar de federale politie, aangezien hij toen aan de benoemingsvoorwaarden voldeed; Overwegende dat verzoeker aldus zijn actueel belang afhankelijk maakt van beslissingen die de verwerende partij niet verplicht is te nemen; dat het rechtsherstel dat verzoeker op die wijze nastreeft niet rechtstreeks volgt uit het IX-3076-8/10 vernietigingsarrest, aangezien de verwerende partij daarvoor eerst nieuwe beslissing- en dient te nemen die bovendien gunstig moeten zijn voor verzoeker; dat de enkele mogelijkheid dat die beslissingen gunstig kunnen zijn voor verzoeker, zijn belang tot een onrechtstreeks en zelfs hypothetisch belang doen verworden; dat inzonderheid met betrekking tot een annulatieberoep tegen een benoeming in het openbaar ambt, waarin ook rekening gehouden moet worden met de belangen van de benoemde, dergelijk hypothetisch belang niet volstaat om het actueel belang bij het annulatie- beroep te verantwoorden; 3.3.
  20. Overwegende dat verzoeker ook nog verwijst naar de verzwakking van zijn positie doordat de tussenkomende partij, als commissaris van politie, in de toekomst met hem in concurrentie kan komen in het kader van de mobiliteitsregeling van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : RPPol); Overwegende dat het bestreden benoemingsbesluit dagtekent van 20 juli 2001 terwijl verzoeker zelf ook tot commissaris van politie bevorderd is vanaf 26 november 2001; dat verzoeker niet concreet aanduidt in welk geval die korte periode dat de tussenkomende partij graadanciënniteit heeft kunnen verwerven in de toekomst in zijn nadeel zal spelen, aangezien artikel VI.II.22 RPPol uitsluit dat de betrekkingen van officier in het kader van de mobiliteitsregeling toegewezen worden volgens anciënniteit; dat hij ook niet aannemelijk maakt dat het opnieuw samenkomen van zijn carrière met die van de tussenkomende partij meer is dan een theoretische mogelijkheid;
  21. Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat hij over het vereiste actueel belang beschikt; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: IX-3076-9/10 Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst in de vordering tot schorsing en in het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 248,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3076-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.732 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.103.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.