← België

Arrest 146734 - - 27/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.734 Rolnummer: A. 161549/IX-4846 Zaak: Arrest 146734 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 19:32 Fiche Arrest nr 146.734 van 27 juni 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.734 van 27 juni 2005 in de zaak A. 161.549/IX-4846. In zake : Tom MARTENS, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Tom MARTENS op 7 april 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 8 februari 2005 van de directeur-generaal Personeel van de Federale Politie waarbij hem op 14 februari 2005 de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie wordt ontnomen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 juni 2005; IX-4846-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat verzoeker op 6 oktober 2003 de opleiding van aspirant-inspecteur van politie aangevangen heeft aan de Oost-Vlaamse politie- academie (OPAC); dat hij op het einde van zijn opleiding, in de eerste zittijd, de volgende punten behaalde: voor zijn dagelijks werk/studie 2432,41 punten op 4000 (60,81%), voor zijn dagelijks werk module A/fysieke en mentale training 302,75/400 (75,69%) en voor zijn dagelijks werk module B/geweldbeheersing 320/400 (80%); voor zijn “professioneel functioneren” -de eindevaluatie van de opleider en van de mentor- globaal 540/800 (67,5%) en voor zijn eindexamen globaal 578/1000 (57,8%), opgesplitst in 154/300 voor het schriftelijk examen, 240/400 voor het mondeling examen en 184/300 voor de praktische proef die bestond uit een “functioneel parcours” en een “rollenspel”; dat hij op basis van die uitslag naar de tweede zittijd verwezen is voor drie vakken (schriftelijk theorie, PV, en rollenspel praktijk); dat de examenjury op 16 november 2004 vastgesteld heeft wat volgt : “Op 16 november 2004 is de examenjury samengekomen om zich te beraden over de resultaten van de eindexamens na de 2de aanmelding van de aspiranten uit de 86e promotie AINP (opleiding gestart in oktober 2003). (...) De examenjury heeft geval per geval beraadslaagd over de dossiers van de aspiranten (...) en heeft beslist als volgt : Martens Tom (44-35372-47) Betrokkene mislukte voor de eerste zittijd, met minder dan 60% van de punten en met vier tekorten waaronder de vakken theorie en proces-verbaal. De tweede zittijd leverde geen vooruitgang op, in tegendeel, hij behaalt nog steeds vier tekorten en het resultaat voor de theorie was nog slechter. Beslissing: De jury stelt voor de aspirant definitief af te wijzen. Motivering: De aspirant is niet geslaagd voor het eindexamen. Zonder afbreuk te doen aan de inzet en de inspanning die deze aspirant heeft gedaan, zijn de examen- commissie en de pedagogische omkadering van oordeel dat hij zich op het maximum bevindt van wat hij op het vlak van theoretische assimilatie en kennisverwerving aankan.” IX-4846-2/12 Overwegende dat verzoeker op 18 december 2004 tegen de beslissing van de examenjury bij de directeur van OPAC een verweerschrift ingediend heeft; dat de directeur-generaal Personeel van de Federale Politie op 8 februari 2005 dan, na kennisgenomen te hebben van de uitslag van verzoeker, van het verweer- schrift en van het antwoord van “OPAC” daarop, besloten heeft zich bij de mening van de school aan te sluiten en “met toepassing van artikel IV.II.44.4/ van het (koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten) (RPPol) en van artikel 53 van (het koninklijk besluit van 20 november 2001 betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het operationeel kader) (aan verzoeker) de hoedanigheid van aspirant-inspecteur op datum van 14 februari 2005 te ontnemen”; dat deze beslissing, die het voorwerp vormt van de onderhavige vordering, luidt als volgt : “ONDERWERP Ontneming van de hoedanigheid van aspirant inspecteur MARTENS Tom na het mislukken voor het eindexamen. Referentie(

  1. s)1. KB van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. 2. Art. 53 van KB van 20 november 2001 betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het operationeel kader. 3. Brief OPAC dd. 16.11.2004. 4. Verweerschrift MARTENS Tom dd. 18.12.2004 5. Bijkomende advies op verweerschrift van OPAC dd. 04.01.2005 Dossierbeheerder: Adviseur Peter TIMBAL Tel (...) Deze nota richt zich tot: Aspirant inspecteur MARTENS Tom (44-35372-47) 1. AINP MARTENS Tom begon op 06-10-2003 aan de opleiding voor aspirant-inspecteur aan OPAC. 2. Betrokkene behaalde op zijn eindexamen 578/1000 in eerste zit en 575/1000 in tweede zit, daar waar er een minimum van 600/1000 vereist is om geslaagd te zijn. Na het afleggen van 4 herexamens bleek hij nog steeds een tekort te hebben voor ‘schriftelijke theorie’, ‘rollenspel mondelinge theorie’ en ‘rollenspel praktijk’. 3. In haar schrijven vermeld in ref 3 stelt de examenjury voor aan DGP om betrokkene zijn hoedanigheid van AINP definitief te ontnemen. Ze is van oordeel dat hij zich op zijn maximum bevindt op het vlak van theoretische assimilatie en kennisverwerving. 4. Met zijn verweerschrift vermeld in Ref 4 verklaart betrokkene niet akkoord te gaan met het voorstel van de examenjury, hij stelt dat: - de motivatie voor zijn ontslag niet in feite noch in rechte gebeurd is; - er geen materieel bewijs is van het feit dat hij zich op het maximum bevindt van theorie- en kennisverwerving; - een algemeen totaal van 642 op 1000 voldoende is om geslaagd te zijn; - dat er nooit ingegaan werd op zijn verzoek tot bijstand aan de peda- gogische coördinator; - dat hij de portfolio zinloos vindt; IX-4846-3/12 - zijn stagementor zeer tevreden van hem was; - dat hij nutteloos onder druk werd gezet tijdens bepaalde examens. 5. In haar bijkomend advies argumenteert de OPAC dat: - zijn resultaat voor het eindexamen onvoldoende was; - betrokkene wel degelijk ondersteuning heeft gekregen van de klas- begeleider; - het feit dat hij om hulp vroeg van de pedagogische cel, op zijn minst blijk geeft van problemen op het vlak kennisverwerving; - niet elke tekortkoming van een aspirant door begeleiding verholpen kan worden. 6. Na lezing van het dossier, het verweerschrift, de punten van 2de zit van betrokkene en de repliek van het OPAC en overwegende dat - betrokkene zijn score op het eindexamen eerste of 2de zit overeenkomstig punt 2 van het artikel vermeld in Ref 2 minstens 60 % dient te zijn om te kunnen slagen; - de portfolio in zijn geval een positieve invloed had op zijn punten totaal - de examenjury, gezien de behaalde punten, een terechte beslissing heeft genomen; - de commentaar van de stagementor maar een deel is van heel het evaluatiegebeuren; - het verkrijgen van een plaats via mobiliteit steeds onder voorbehoud van slagen is; sluit ik mij aan bij de mening van de school en wordt AINP MARTENS, met toepassing van artikel IV.II.44.4/ van het KB in Ref 1 vermeld en van artikel 53 van KB in Ref 2 vermeld, de hoedanigheid van aspirant inspecteur op datum van 14 februari 2005 ontnomen.” 2. Overwegende dat, in tegenstelling tot wat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet, het verzoekschrift tot schorsing en het annulatieberoep, wel degelijk ondertekend zijn, met name door de raadsman van verzoeker; dat de exceptie feitelijke grondslag mist; 3. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoer- legging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de formele motiveringsverplichting en van het “redelijkheidsbeginsel in relatie tot het gelijkheidsbeginsel”; dat hij betoogt dat het bestreden besluit steunt op de vaststelling dat verzoeker niet de vereiste 60% van de punten behaalde op zijn eindexamen en dat het verweerschrift van verzoeker geen argumenten bevat die de visie van de examenjury in vraag kunnen stellen; dat IX-4846-4/12 hij daar tegenover stelt dat artikel IV.II.44 RPPol voorschrijft dat de directeur- generaal Personeel beslist over het overdoen van de basisopleiding of over de definitieve afwijzing “overeenkomstig de nadere regels vervat in het algemeen studiereglement” en dat het algemeen studiereglement, het ministerieel besluit van 24 oktober 2002, in artikel 7 bepaalt dat de examenjury een gemotiveerd advies verstrekt over het overdoen van de opleiding dan wel de definitieve afwijzing; dat hij dan concreet betoogt dat in zijn geval noch het bestreden besluit noch het advies van de examenjury deugdelijk verantwoorden waarom hij geen herkansing kon krijgen; dat zulks naar zijn oordeel het geval is met het advies van de examenjury, aangezien de verwijzing naar de reden van zijn niet-slagen in het eindexamen geen motivatie vormt voor het weigeren van een herkansing en aangezien er niet wordt verantwoord waarom hij zich “op zijn maximumcapaciteiten” zou bevinden, als de examenjury die maximumcapaciteiten al zou kunnen vaststellen; in ieder geval ontkent hij met klem dat hij aan het maximum van zijn capaciteiten zou zitten en dat wordt ook tegeng- esproken door het verslag van de mentor, die hem als een uitstekende kracht beschouwt met de nodige capaciteiten om inspecteur te worden; overigens blijkt uit dat verslag dat verzoeker op de interventiedienst geconfronteerd werd met scheefgelopen situaties waarvoor men hem dan verantwoordelijk wil stellen; daarenboven is het zeer de vraag of de verwijzing naar zijn maximumcapaciteiten wel aan de examenjury -het enig reglementair bevoegd orgaan om advies te verlenen over de mogelijkheid tot herkansen- kan toegerekend worden, aangezien het proces- verbaal van de vergadering van de jury verwijst naar het oordeel van “de examen- commissie en de pedagogische omkadering”; dat hij ook in het bestreden besluit de noodzakelijke motieven voor zijn onmiddellijke definitieve afwijzing niet aantreft, in die zin dat de bestaande reglementering niet voorschrijft dat het behalen van onvoldoende punten in het eindexamen de stopzetting van de opleiding verplicht stelt, dat de verwijzing naar de gunstige invloed van portfolio op zijn punten geen verband heeft met het al dan niet herkansen en dat het eigenaardig is dat de commentaar van de stagemonitor wordt afgedaan als een deel van het evaluatiege- beuren terwijl de bedenkingen van de opleider worden aanvaard “als zijnde het evangelie” en dat het advies van de examenjury ook geen deugdelijke grondslag heeft; dat hij daar nog aan toevoegt dat uit het bestreden besluit blijkt dat, na zijn verweerschrift, er door OPAC nog een “bijkomend advies” gegeven is maar dat dit advies hem volledig onbekend is zodat, los van de vaststelling dat de desbetreffende overwegingen inhoudelijk niet deugdelijk zijn, er geen motivering in kan gevonden worden voor het bestreden besluit; IX-4846-5/12 4.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet wat volgt: uit het bestreden besluit en het administratief dossier blijkt duidelijk dat er een beslissing genomen is over de “definitieve mislukking, aangezien de examenjury van oordeel is dat verzoeker zich op zijn maximum bevindt op het vlak van theoretische assimilatie en kennisverwerving”; uit het dossier blijkt dat aan verzoeker herhaalde waarschuwingen werden gegeven -zie de tussentijdse evaluatie van zijn dagelijks werk en studie d.d. 5 maart 2004, het functioneringsgesprek d.d. 15 maart 2004, het verslag van professioneel functioneren d.d. 20 september 2004- maar dat zijn resultaten niet noemenswaardig verbeterden en dat zijn resultaat in de tweede zittijd nog slechter was dan dit in de eerste zittijd; 4.3.1. Overwegende dat de besluitvorming met betrekking tot de definitieve afwijzing van de politieambtenaar die de basisopleiding van het basiskader volgt, geregeld wordt door de volgende bepalingen: - artikel IV.II.44 RPPol : “De minister of de directeur-generaal door hem aangewezen beslist over : (...) 3/ het overdoen van de basisopleiding of een deel ervan, overeenkomstig de nadere regels vervat in het algemeen studiereglement; 4/ de definitieve afwijzing, tijdens of op het einde van de basisopleiding, overeenkomstig de nadere regels vervat in het algemeen studiereglement.” - artikel 56 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen : “In voorkomend geval verstrekt de jury op het einde van de basisopleiding een gemotiveerd advies met betrekking tot de in artikel IV.II.44, 3/ en 4/ bedoelde mogelijkheden, op basis van : 1/ het verslag van het professioneel functioneren op het ogenblik van het afleggen van het eindexamen; 2/ het verslag over het dagelijks werk op het ogenblik van het afleggen van het eindexamen en van het puntencijfer voor het eindexamen; 3/ het in artikel 52, vierde lid, bedoelde algemeen beoordelingscijfer.” IX-4846-6/12 - artikel 57 van hetzelfde besluit : “Wanneer nodig vraagt de jury een bijkomend advies aan het pedagogisch omkaderingspersoneel van de betrokken politieschool.” - artikel 7 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 houdende het algemeen studiereglement betreffende de basisopleidingen van het personeel van het operationeel kader van de politiediensten : “De jury verstrekt haar gemotiveerd advies met betrekking tot de in artikel IV.II.44, 3/ en 4/, RPPol bedoelde mogelijkheden aan de directeur-generaal en bezorgt een kopie van dit advies aan de betrokkene. Het in het eerste lid bedoelde advies omvat een individuele nota met de motivering van het mislukken en een advies over het eventueel overdoen van het geheel of een deel van de basisopleiding”. 4.3.2. Overwegende dat buiten betwisting staat dat verzoeker niet geslaagd is in de opleiding omdat hij, in strijd met artikel 53 van het koninklijk besluit van 20 november 2001, op het einde van zijn opleiding geen 60% behaalde voor het puntencijfer van het eindexamen; Overwegende dat het algemeen studiereglement, vastgesteld bij het ministerieel besluit van 24 oktober 2002, geen opsomming bevat van de gevallen waarin de minister of zijn aangestelde de aspiranten die door de jury niet geslaagd zijn bevonden definitief afwijst, dan wel toelaat de basisopleiding of een deel ervan over te doen; dat de betrokken overheid derhalve op dat vlak een zeer ruime discretionaire bevoegdheid bezit; dat zij voor het treffen van haar beslissing wel een aanknopingspunt zal vinden in het door artikel 7 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 voorgeschreven advies, dat specifiek betrekking moet hebben op het eventueel overdoen van het geheel of van een deel van de basisopleiding; 4.3.3.1. Overwegende dat in het kader van de vraag naar de schending van de formele motiveringswet, nagegaan moet worden of het bestreden besluit op afdoende wijze uiteenzet waarom de verwerende partij aan verzoeker de mogelijk- heid ontzegt om de opleiding geheel of gedeeltelijk over te doen; 4.3.3.2. Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar de beslissing van 16 november 2004 van de examenjury, waarin deze, na vastgesteld te hebben dat verzoeker in de tweede zittijd nog steeds vier tekorten heeft en dat zijn resultaat voor de theorie nog slechter dan in de eerste zittijd, adviseert hem definitief af te wijzen omdat “de examencommissie en de pedagogische omkadering van oordeel (zijn) dat IX-4846-7/12 hij zich op het maximum bevindt van wat hij op het vlak van theoretische assimilatie en kennisverwerving aankan”; dat het bestreden besluit ook verwijst naar een “bijkomend advies (...) van OPAC”, maar dat dergelijk advies, dat buiten het reglementair kader valt, evident de eventuele leemten van het advies van de examenjury niet kan goedmaken; Overwegende dat de examenjury in haar besluit van 16 november 2004 niet formeel uiteengezet heeft waarom zij van oordeel was dat verzoeker de opleiding niet kon overdoen; dat de formulering van haar advies er evenwel geen twijfel over laat bestaan dat zij een definitieve afwijzing voorstelt, wat impliceert dat, voor haar, het overdoen van de opleiding niet in overweging genomen kan worden; dat verzoeker, bij de kennisneming van dat advies, er niet heeft kunnen aan twijfelen dat de examenjury hem geen tweede kans gunde; dat in die omstandigheden, aan- genomen wordt dat het advies voldoet aan artikel 7 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002; 4.3.3.3. Overwegende aldus dat het middel, in zoverre het steunt op de schending van de formele motiveringswet, niet ernstig is; 4.3.4.1. Overwegende dat verzoeker ook van oordeel is dat noch het bestreden besluit, noch het advies van de examenjury, deugdelijk verantwoorden waarom hij geen herkansing kon krijgen; 4.3.4.2. Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar het advies van de examenjury; dat het proces-verbaal van 16 november 2004 van de examenjury verwijst naar de beoordeling van de “examencommissie en de pedagogische omkadering”, maar dat van dergelijke beslissing niet het minste bewijs wordt geleverd; Overwegende dat ook de omstandigheid dat de examencommissie na de tweede zittijd vastgesteld heeft dat er, in vergelijking met de eerste zittijd, “onvoldoende progressie” was gemaakt, op zich geen verantwoording vormt voor een definitieve afwijzing; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen verwijst naar een aantal vaststellingen van de klasbegeleider/opleider : IX-4846-8/12 - in de tussentijdse evaluatie, opgemaakt in maart 2004 stelt de klasbegeleider dat verzoeker “niet het niveau haalt dat van (hem) verwacht wordt in deze fase van de opleiding”; - het relaas van het functioneringsgesprek dat op 25 maart 2004 op die evaluatie gevolgd is vermeldt : “Naar aanleiding van de evaluatieperiode bespreken wij op 10/03/2004 de resultaten met MARTENS Tom die door hem werden behaald tot hiertoe. Hij scoorde een totaal van 46,7 % op de eigenlijke evaluatieproeven en een globaal puntencijfer voor het Luik I&II van 56,50 %. Hij zegt ons dat hij een black-out heeft gehad tijdens de evaluatieperiode en dat dit de reden is van zijn falen. Hij dient te beseffen dat hij zijn faalangst onder controle moet zien te krijgen anders komt hij in de problemen bij het eindexamen, waar de lat nog wat hoger ligt. Met een goede voorbereiding moet dat lukken, hij beschikt mijns inziens over voldoende potentieel. Probeer inzicht in de materie te krijgen en ze op een bevattelijke manier te verwoorden. Om hem de mogelijkheid te bieden om te bewijzen dat zijn falen inderdaad toe te schrijven is aan een zwak moment wordt hem een werk opgelegd over enkele items van LuikI&II welk dient te worden afgegeven op 29/03/2004. Nadien zal er een mondelinge toets worden afgenomen om zijn kennis en inzicht betreffende dit werk te laten bewijzen. De bespreking van zijn werk en toets zullen het onderwerp uitmaken van een bijkomend functioneringsgesprek.” Uit het administratief dossier blijkt evenwel niet welk inzicht die bijkomende taak de klasbegeleider heeft bijgebracht over de intrinsieke mogelijkheden van verzoeker om op studiegebied een voldoende peil te behalen. Met name bevat het geen spoor van de resultaten van de bijkomende proef, noch van het gesprek dat daarop zou volgen; - in de eindevaluatie professioneel functioneren van 20 september 2004 schrijft de opleider : “Door de kans voor promotie van hulpagent naar inspecteur aan te grijpen bewees u over voldoende motivatie te beschikken. Ik betwist geenszins het feit dat u zich op alle vlakken heeft ingespannen maar moet toch vaststellen dat u op het vlak van theoretische kennis heeft gefaald tot hiertoe. Op geen enkel moment heeft u enige progressie getoond en bleven uw resultaten onvoldoende. Wat de oorzaak daarvan is kan ik moeilijk inschatten, dat weet u wellicht zelf beter. Ik vermoed dat u het moeilijk hebt om inzicht in de aangeleerde theorie te krijgen. Naar mij toe was u steeds correct en beleefd, toch zocht u veel bevestiging, wat duidt op onzekerheid. U heeft goede bedoelingen en probeert het zo goed mogelijk te doen. U heeft zich op geen enkel moment laten betrappen op nonchalant gedrag. U was steeds stipt en gedisciplineerd. Naar uw collega’s toe heeft u zich af en toe bezondigd aan te impulsieve reacties wat bij hen wat wrevel opwekte en u niet altijd door hen werd aanvaard. Probeer in de toekomst eerst na te denken vooraleer te reageren. Ook eerst luisteren, nadenken en dan handelen of reageren. IX-4846-9/12 Voor wat betreft de eindexamens zult u zich goed moeten voorbereiden. Probeer de stress en de faalangst te onderdrukken en straal wat meer zelf- vertrouwen uit.” 4.3.4.3. Overwegende dat uit geen van de vermelde verslagen blijkt dat de klasbegeleider/opleider, die overigens van oordeel is dat verzoeker voldoende “potentieel” heeft -cijfermatig een resultaat van 65 op 100-, bij het neerschrijven van zijn opinie -die gebeurde met het oog op de vaststelling van het eindresultaat van verzoeker en vooraleer het eindexamen werd afgelegd- oog gehad heeft voor de vraag of volgens hem het toelaten van verzoeker tot een herkansing zinloos zou zijn; dat gewis aangenomen kan worden dat de klasbegeleider/opleider een sleutelrol bezet bij het uitspreken van een oordeel over de intellectuele mogelijkheden van de aspiranten, maar dat voor het treffen van de zwaarwichtige beslissing die het verbod om de opleiding geheel of gedeeltelijk over te doen vormt en die uiteraard een zekere graad van subjectiviteit bevat, van hem toch verwacht mag worden dat hij, gelet op de delicate afweging die gemaakt moet worden, zijn besluit dat een tweede kans niet verantwoord is, accuraat toelicht vanuit de ondervinding die hij gedurende de gehele opleidingsperiode heeft opgedaan; 4.3.4.4. Overwegende dat het middel in die zin ernstig is; 5.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker aanvoert dat hij een moreel en een materieel nadeel ondergaat; dat hij een moreel nadeel ziet in het feit dat hij overeenkomstig artikel IV.I.5, 2/ RPPol geen politie- ambtenaar meer kan worden, dat hij op het ogenblik dat het bestreden besluit vernietigd wordt reeds lang een andere betrekking gevonden zal hebben en dat alleen een schorsing hem de mogelijkheid biedt om zijn opleiding voort te zetten; dat hij voorts wijst op de flagrante onwettigheid van de beslissing en herinnert aan de arresten nr. 108.559 van 28 juni 2002 en 111.990 van 29 oktober 2002 waarin het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel werd onderkend in het uitsluiten van de betrokkene van een carrière bij de politie en in de onmogelijkheid om aan nieuwe selectieproeven deel te nemen; 5.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de wettigheidskritiek op zich geen reden mag zijn om het moeilijk te herstellen ernstig nadeel te aanvaarden en dat verzoeker overigens geen flagrante onwettigheid aantoont, dat verzoeker geen financieel nadeel aantoont, dat moreel nadeel hersteld wordt door een vernietigingsarrest, dat het risico op een mislukking inherent is aan IX-4846-10/12 het volgen van een opleiding en dat, aangezien het nadeel dat uit het bestreden besluit voortvloeit ook niet evident is, verzoeker met duidelijke en concrete gegevens zijn nadeel had moeten staven; 5.3. Overwegende dat de Raad van State onder meer in het arrest nr. 108.559 van 28 juni 2002 inzake FRANS aangenomen heeft dat de definitieve afwijzing van een aspirant-politieambtenaar betekent dat de betrokkene overeen- komstig artikel IV.I.5, 2/ RPPol niet meer tot selectieproeven toegelaten kan worden en dat dit een nadeel vormt dat voldoende ernstig is om de verzoeker er niet toe te verplichten te wachten op een uitspraak volgens de gewone rechtspleging; dat die redenering voor het onderhavige geval wordt aangehouden; dat ook de tweede schorsingsvoorwaarde vervuld is, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 8 februari 2005 van de directeur-generaal Personeel van de Federale Politie waarbij Tom MARTENS op 14 februari 2005 de hoedanigheid van aspirant- inspecteur van politie wordt ontnomen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-4846-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4846-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.734 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.449 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.