← België

Arrest 146735 - - 27/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.735 Rolnummer: A. 161494/IX-4845 Zaak: Arrest 146735 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-14 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 19:33 Fiche Arrest nr 146.735 van 27 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.735 van 27 juni 2005 in de zaak A. 161.494/IX-

  1. In zake : Jacobus EERDEKENS, die woonplaats kiest bij advocaat I. EXELMANS, kantoor houdende te KALMTHOUT, Kapellaan 9/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jacobus EERDEKENS op 19 maart 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 14 januari 2005 waarbij hem met ingang van 1 juli 2004 de tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4845-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. EXELMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Op 25 augustus 2004 formuleert de directeur-generaal van de Algemene Directie Gerechtelijke Politie van de Federale Politie het voorstel om verzoeker, die sinds 1 april 2001 aangesteld is tot hoofdinspecteur van politie, bij tuchtmaatregel ambtshalve te ontslaan. 1.
  5. Verzoeker dient op 1 september 2004 een verzoek tot herover- weging in bij de tuchtraad. Deze adviseert op 13 december 2004 de tuchtsanctie van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. 1.
  6. Op 11 januari 2005 beslist de directeur-generaal van de Algemene Directie Gerechtelijke Politie van de Federale Politie de tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen vanaf 1 juli
  7. Deze beslissing, die het voorwerp van de onderhavige vordering uitmaakt, wordt aan verzoeker ter kennis gebracht op 18 januari 2005; 2.
  8. Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid ratione temporis van de vordering betwist; dat zij betoogt dat de bestreden beslissing aan verzoeker ter kennis gebracht is op 18 januari 2005 en dat verzoeker niet bewijst dat hij zijn vordering binnen de reglementair vastgestelde beroepstermijn ingediend heeft; 2.
  9. Overwegende dat de vordering is ingediend met een op 19 maart 2005 ter post aangetekend verzonden schrijven; dat de vordering tijdig ingediend is; dat de exceptie niet gegrond is; IX-4845-2/5
  10. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  11. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker betoogt wat volgt : “Door de bestreden beslissing wordt verzoeker voorlopig geschorst, met alle financiële en morele gevolgen van dien; Dat verzoeker hierdoor psychisch gekraakt werd, zeker nu het ganse dossier gebaseerd is op leugens en als enige doel heeft verzoeker definitief te raken; Dat verzoeker reeds een behandeling diende te doorstaan, teneinde het hoofd te kunnen bieden aan zulk een psychologisch trauma; Dat het blijven voortduren van deze toestand voor verzoeker ondraaglijk is; Het hoeft geen betoog dat dit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt in hoofde van verzoeker. Dat bovendien de opgelegde tuchtsanctie eveneens een ingrijpend gevolg heeft voor de pensioenberekening van verzoeker, die reeds een jarenlange loopbaan achter de rug heeft;” 4.
  12. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt dat de uiteenzetting van het nadeel allesbehalve concreet is en dat verzoeker bovendien niet aantoont waarom het nadeel niet hersteld zal kunnen worden na een vernietigingsarrest; dat zij er ook op wijst dat met het bestreden besluit verzoeker niet voorlopig geschorst wordt, dat de ernst en het moeilijk herstelbaar karakter van het nadeel niet wordt toegelicht, dat er geen bijzondere gegevens worden aangebracht die kunnen rechtvaardigen dat in dit geval toch acht geslagen wordt op een financieel nadeel, dat de psychische behandeling naar dewelke verzoeker verwijst met geen concreet gegeven onderbouwd wordt en dat de verwijzing naar de impact van het bestreden besluit op de gezondheidstoestand van verzoeker het gevolg is van een subjectieve benadering van de situatie door verzoeker; dat zij besluit dat het bestreden besluit geen enkel gevolg zal hebben voor de pensioenberekening van verzoeker, aangezien hij niet eerder dan op 1 januari 2012 met pensioen kan gaan, voor het pensioen de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar als referentiewedde geldt en de bestreden beslissing uitwerking heeft van 1 juli 2004 tot 1 juli 2006; IX-4845-3/5 4.
  13. Overwegende dat, met uitzondering van de verwijzing naar de berekening van zijn pensioenbedrag, verzoeker zijn nadeel op dezelfde wijze adstrueert als in zijn vordering tot schorsing van het besluit waarbij hij preventief werd geschorst in het kader van de onderhavige tuchtprocedure; dat, betrokken op de onderhavige tuchtstrafbeslissing, vastgesteld wordt dat verzoeker ook nu niet concreet toelicht waarom het herstel van het financieel nadeel dat hij ondergaat niet kan wachten tot na de vernietiging van het tuchtstrafbesluit; dat, waar verzoeker ook nu nog verwijst naar de psychische toestand waarin hij zich bevindt en hij daarvoor een geneeskundig attest van de aangenomen geneesheer van de geïntegreerde politie voorlegt waarin deze verklaart dat verzoeker wegens een tuchtprocedure een ernstig depressief toestandsbeeld vertoont die intense medische therapie vereist, de vraag rijst naar het actueel karakter van dat getuigschrift, in die zin dat het afgeleverd is kort nadat verzoeker door de verwerende partij in kennis was gesteld van het voorstel om hem ambtshalve te ontslaan, terwijl hem uiteindelijk slechts een veel lichtere straf opgelegd is; dat, aangezien in redelijkheid aangenomen kan worden dat de psychische belasting heel wat verminderd moet zijn op het ogenblik dat verzoeker de zekerheid verwierf dat hij niet uit het politiekorps verwijderd zou worden, dan ook alleen maar vastgesteld kan worden dat er geen verband bestaat tussen de depressieve gezondheidstoestand van verzoeker en de bestreden tuchtstraf; dat ten slotte, daargelaten de vaststelling dat verzoeker ter terechtzitting de uiteenzetting van de verwerende partij betreffende de impact van de tuchtstraf op de berekening van zijn pensioen niet betwist heeft, dat nadeel na een vernietigingsarrest perfect berekend en volledig hersteld kan worden; dat verzoeker het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aantoont, BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-4845-4/5 Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4845-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.735 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.263 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.