id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.809 Rolnummer: A. 139124/XIV-15936 Zaak: Arrest 146809 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-13 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-04 01:18 Fiche Arrest nr 146.809 van 27 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.809 van 27 juni 2005 in de zaak A. 139.124/XIV-15.
- In zake :XXX die woonplaats kiest bij advocaat J. PEETERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Justitiestraat 26 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Mongoolse nationaliteit, op 14 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 26 juni 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 16 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2005; XIV-15.936-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HALLEMANS, die loco advocaat J. PEETERS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 23 december 2002 en zich dezelfde dag vluchteling verklaart; dat op 20 februari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 24 juni 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas Begin februari 2002 sprak u in de vergaderzaal over uw christelijke religie met uw collega’s bij de politie. Een adjudant-overste raakte hiervan op de hoogte en hij zei u dat u als staatsambtenaar geen lid mocht zijn van een politieke partij of van een religieuze beweging. Bijgevolg werd drie maanden van uw salaris ingehouden. U diende hiertegen klacht in, maar er werd geen gevolg aan gegeven. De pesterijen omwille van uw religie bleven doorgaan, en dit vooral door uw oversten. U moest langere periodes werken zonder rust en u kreeg bijnamen. In augustus 2002 diende u nogmaals klacht in tegen de pesterijen, zonder gevolg. U vermoedde dat de overste die u pestte omwille van uw religie, een band had met de eigenaar van het goud, dat door uw toedoen in beslag werd genomen, p 1 mei van 2002 werd u telefonisch bedreigd door een mand die beweerde dat men, door uw ontdekking van de goudsmokkel, voor miljoenen turuk (Mongoolse munteenheid) schade had geleden. U bracht uw overste op de hoogte van het dreigement, doch die zei u dat politieambtenaren in het algemeen dergelijke bedreigingen ontvingen en u zich daar niets moest van aantrekken. Op 15 juni 2002, toen u verlof had, bent u op straat aangevallen door onbekenden waardoor uw verwondingen opliep. U werd opgenomen in het ziekenhuis. U diende tegen uw aanvallers een klacht in bij uw overste. U nam hiervoor een dag verlof in het ziekenhuis. Op 20 juni 2002 werd uw echtgenote door drie mannen ontvoerd, bestolen en mishandeld. Ten gevolge van de slagen kreeg ze een miskraam. Ze moest 14 dagen in het ziekenhuis blijven. U diende hiertegen klacht in op 21 juni
- Op 20 augustus 2002 werd uw huis in brand gestoken. Omdat u niet thuis was verwittigde een buur u telefonisch. De branddeskundigen constateerden dat de brand was aangestoken. Daarna ging u tot uw vertrek inwonen bij een vriend. In september van 2002 veranderde u vrijwillig van werkpost en ging u werken op de wachtdienstenafdeling
- Op 24 november 2002 was u samen met een collega van dienst. Tijdens uw ronde vroegen jullie de papieren van een verdachte man. Hij schoot uw collega neer. U kon de man oppakken zodat hij werd gearresteerd. U denkt dat de man het op u had gemunt, maar dat hij zich had vergist. p 13 december 2002 vertrok u, samen met uw vrouw, vanuit Mongolië, via Rusland naar België, waar u bent aangekomen op 22 december 2002 en waar u de volgende dag asiel hebt aangevraagd. B. Motivering Er dient vooreerst te worden gemeld dat er geen geloof kan worden gehecht aan uw bewering dat u een christen was en bijgevolg evenmin aan uw verklaring dat u hierdoor problemen had met uw oversten. Er werden u tijdens het gehoor op het commissariaat-generaal enkele vragen gesteld omtrent uw kennis van de christelijke godsdienst. U weigerde te antwoorden op deze vragen en kon hiervoor geen afdoende verklaring geven (verhoorverslag XIV-15.936-2/6 CGVS, p 12-16, p 20). Bijgevolg kan sterk getwijfeld worden aan uw bewering dat u christen was en dient te worden opgemerkt dat u hierbij weigerde mee te werken met de bevoegde asielinstanties. In deze context dient nog te worden vermeld dat u op de dienst Vreemdelingenzaken slechts melding maakte van een verwittiging door uw overste omwille van uw redevoering over het christelijk geloof (verhoorverslag DVZ, punt 42). Op het commissariaat-generaal sprak u echter over voortdurende pesterijen van uw overste omwille van uw religie en u legde een verband tussen hem en uw belagers (verhoorverslag CGVS, p 6-9, p 21). Dat u daarvan op de dienst Vreemdelingenzaken geen melding maakt, bevestigt het vermoeden dat er geen geloof kan worden gehecht aan uw christelijke overtuiging, noch aan de problemen die er het gevolg van waren. Daarnaast kan ook ernstig getwijfeld worden aan uw problemen met de onbekenden, aangezien u op het commissariaat-generaal een verklaring heeft afgelegd die in strijd is met uw verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken. Zo beweerde u op het commissariaat-generaal dat u een dag verlof nam uit het hospitaal om een klacht in te dienen bij uw collega’s van de politie tegen de mannen die u hadden aangevallen op 15 Juni
- U stelde dat u naar het politiebureau ging en bevestigde uitdrukkelijk dat de politie niet zelf naar het hospitaal was geweest (verhoorverslag CGVS, p 24-25). Op de dienst Vreemdelingenzaken had u echter verklaard dat u klacht indiende en een verkalring aflegde bij uw collega’s die u in het ziekenhuis kwamen opzoeken (verhoorverslag DVZ punt 42). Tijdens het gehoor op het commissariaat-generaal werd u gewezen op de eventuele tegenstrijdigheid tussen de door u afgelegde verklaringen. Hierop hebt u geantwoord dat u in het ziekenhuis inderdaad een verklaring had afgelegd, maar enkel voor de agent van het hospitaal (verhoorverslag CGVS, p 25). Dit antwoord kan echter niet als afdoende beschouwd worden omdat u op de dienst Vreemdelingenzaken had verteld dat u een verklaring aflegde voor uw collega’s van de spoorwegpolitie en u ook op het commissariaat-generaal aanvankelijk geen melding maakte over een klacht in het ziekenhuis. Deze bedrieglijke en sterk wijzigende verklaringen betreffende belangrijke elementen van uw asielrelaas, doen afbreuk aan de geloofwaardigheid ervan. Verder dient te worden opgemerkt dat u op het commissariaat-generaal vermeldde dat u naar België bent gekomen omdat u onder druk werd gezet door de eigenaars van het goud, omwille van de inbeslagname ervan (verhoorverslag CGVS, p 21, p 28-29, p 30). De aanranding van u en uw echtgenote, de brand in uw huis en de dood van uw collega, brengt u hiermee in verband. Gezien aan uw bewering, dat u omwille van uw christelijke religie geen bescherming kon genieten van uw oversten, geen geloof kan worden gehecht, blijkt dat u problemen had met privé-personen, omwille van de uitoefening van uw beroep. De door u ingeroepen feiten vallen dus niet te plaatsen onder de Vluchtelingenconventie. Evenmin kan nog worden gesteld dat u omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie geen bescherming kon krijgen van uw oversten. Dit wordt bevestigd door uw verklaringen op het commissariaat-generaal dat de moordenaar van uw collega werd opgepakt en hij tijdens uw vertrek nog steeds in de gevangenis verbleef (verhoorverslag CGVS, p 28). De door u neergelegde documenten, namelijk een bewijs van de huisbrand, een medisch attest, foto’s als bewijs beroep, röntgenfoto’s waarnaar wordt verwezen op medisch attest en een krantenartikel, zijn niet van die aard om de bovenstaande vaststellingen te wijzigen. Het bewijs van de brand toont aan dat er op dit adres een brand is geweest. Het medisch attest van u en de röntgenfoto’s vermelden dat u in het ziekenhuis hebt verbleven. U kreeg een behandeling voor een hersenschudding. Bovenstaande documenten vormen op zich geen bewijs van de door u vermelde oorzaken van de brand in het huis en de medische problemen. In het krantenartikel komt uw naam niet voor en wordt enkel vermeld dat een collega van u is vermoord tijdens zijn dienst met een andere collega. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; XIV-15.936-3/6 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur opwerpt; dat zij aanvoert dat de beslissing van de commissaris-generaal in rechte en in feite op voldoende concrete wijze moet zijn gemotiveerd, dat de bestreden beslissing is gesteund op het feit dat de onderzoeker niet gelooft dat de verzoekende partij een christen is, dat de verzoekende partij inderdaad heeft geweigerd te antwoorden op vragen daarover, dat de verzoekende partij in het kader van artikel 19 e.v. van de Grondwet en het E.V.R.M. daar niet toe kan worden gedwongen, dat uit het niet beantwoorden van de vragen niet kan worden afgeleid dat de verzoekende partij geen christen is, dat de bestreden beslissing derhalve niet afdoende is gemotiveerd, dat de asielaanvraag wordt afgewezen omdat de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij niet met elkaar zouden overeenstemmen, dat er slechts te verwaarlozen tegenstrijdigheden voorkomen die op communicatieproblemen met de ondervrager of feitelijke misverstanden berusten, dat de verzoekende partij waarheidsgetrouw heeft geantwoord, dat de commissaris-generaal niet motiveert dat de vluchtmotieven onvoldoende ernstig zouden zijn voor een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève, dat de beslissing is gestaafd met algemeenheden zonder dat is nagegaan of de toestand gevaarlijk is en of de feiten werkelijk zijn gebeurd en dat de bestreden beslissing derhalve niet naar genoegen in rechte en in feite is gemotiveerd; 2.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht, althans betwist dat zij de bestreden beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel enkel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij enerzijds zelf haar asielaanvraag steunt op haar voorgehouden christelijk geloof doch anderzijds weigert te antwoorden op vragen betreffende de christelijke godsdienst; dat de commissaris-generaal dit gegeven op wettige wijze in zijn beoordeling kon betrekken vermits de asielaanvrager zijn aanvraag moet kunnen staven met een geloofwaardig relaas en een gegronde vrees voor vervolging moet kunnen aantonen; dat XIV-15.936-4/6 dit geen omkering van de bewijslast betekent, maar een afwijzing als de aanvrager geen gegeven aanbrengt dat er wat hem betreft ernstige aanwijzingen zijn voor vervolging (Parl. St., Senaat, 1992-93, nr. 555-2, 83); dat het stellen van kennisvragen over de christelijke godsdienst geenszins moet worden beschouwd als een inbreuk op de vrijheid van godsdienst, a fortiori niet wanneer een asielaanvrager zich zelf op vervolging op grond van zijn voorgehouden godsdienst beroept; dat de verzoekende partij de vastgestelde tegenstrijdigheden slechts op zeer algemene wijze minimaliseert doch ze niet eens in concreto bespreekt, laat staan weerlegt of verklaart; dat de verzoekende partij niet nader ingaat op de vaststelling dat de problemen betreffende het goud met privé-personen en de uitoefening van een beroep hebben te maken en derhalve geen betrekking hebben op de criteria van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, XIV-15.936-5/6 M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.936-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.809 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.