id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.814 Rolnummer: A. 144028/XIV-17576 Zaak: Arrest 146814 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-12 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 19:54 Fiche Arrest nr 146.814 van 27 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.814 van 27 juni 2005 in de zaak A. 144.028/XIV-17.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat S. JONCHEERE, kantoor houdende te 8630 VEURNE, Boterweegschaalstraat 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Liberiaanse nationaliteit, op 17 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 september 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 23 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-17.576-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat R. MOONEN, die loco S. JONCHEERE verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 17 augustus 2003 en zich vluchteling verklaart op 18 augustus 2003; dat op 9 september 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 27 oktober 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt, dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “U verklaarde de Liberiaanse nationaliteit te bezitten, tot de Vai-etnie te behoren en geboren en getogen te zijn in Monrovia. U woonde er in Via town. Op 1 januari 1989 trad u in het huwelijk met M. M. . Samen hebben jullie vier kinderen. In hetzelfde jaar vatte u uw studies 'management and accounting aan, aan de Universiteit van Liberia. In 1997 werd u lid van de ALCOP (All Liberian Coalition Party). Uw activiteiten bestonden erin om leden te ronselen. Na de verkiezingen legde u al uw politieke activiteiten stil omwille van uw ziekelijke toestand. In de mate van het mogelijke zette u uw studies verder en hield u zich ook bezig met uw handel in tweedehandskledij. in januari 2001 kwamen enkele personen in burger van de veiligheidsdiensten u opzoeken. Uw vrouw vertelde hen echter dat u niet thuis was. Toen ze aandrongen en toch wilden binnenkomen, kwamen buren uw echtgenote te hulp waarna de veiligheidsagenten af dropen. Daags nadien ging u naar aanleiding van deze gebeurtenissen klacht indienen bij het lokale politiekantoor. Op 21 maart 2001 was u aanwezig op een bijeenkomst aan de universiteit van de studentenpartij die geld wou inzamelen voor haar organisatie. Het hoofd van de universiteit had de rally echter verboden. De politie en twee andere veiligheidsdiensten verstoorden de bijeenkomst. Heel wat studenten werden opgepakt. U werd meegenomen naar het hoofdkwartier van de politie. Omdat uw naam gelijkenissen vertoonde met die van de rebellenleider van de LURD en omdat u gekend was als aanhanger van de ALCOP werd u apart gezet. U werd ernstig mishandeld. Op 24 maart 2001 werd iedereen in vrijheid gesteld. In februari 2002 rukten de rebellen verder op. De situatie raakte meer gespannen, iedereen die enigszins in verband kon worden gebracht met de LURD (omwille van hun afkomst, religie, politieke activiteiten) werd opgepakt. Zo ook werd u in februari 2002 op klaarlichte dag door de politie opgepakt en twee dagen opgesloten in hun hoofdkwartier. U werd ervan beschuldigd deel uit te maken van de LURD omdat u lid was van de ALCOP. U werd ernstig ziek tijdens uw verblijf in de cel. Een van de commandanten merkte dit op waarna u in vrijheid werd gesteld. Op 15 oktober 2002 was u thuis met uw vrouw en kinderen. Rond één uur's nachts merkte uw vrouw dat de politie en leden van de ATU (Anti Terrorist Unit) naar uw woning kwamen. Uw vrouw maande u aan om via het gat waar de airconditioning binnen kwam te ontsnappen. U vluchtte naar Finda, de buurvrouw en daags nadien gaven zij en uw vrouw u de raad om het land te verlaten. U ging naar Conakry (Guinee) en meldde u er bij de vertegenwoordiging van het UNHCR. U werd doorverwezen naar het subkantoor waar de vluchtelingenattesten worden uitgereikt. U diende er een asielaanvraag in en een interview was voorzien op 8 januari
- Die dag verscheen u voor een comité van vijf Guinezen en twee vertegenwoordigers van het UNHCR. Kort na de start van het interview zei de Guinese man die aan het hoofd stond van het comité dat u een rebel was. Hij riep de politie op met zijn mobiele telefoon en die namen u zonder meer in hechtenis. Na een onderzoek van twee weken werd u in vrijheid gesteld. Het bleek om loze beschuldigingen te gaan. U wachtte het verdere verloop van uw asielprocedure af maar er kwam geen schot in de zaak. Op 16 augustus 2003, toen u zich op de luchthaven bevond, ontmoette u een man die net als u tot de XIV-17.576-2/7 studentenorganisatie AIESEC behoorde. U deed hem uw problemen uit de doeken en hij hielp u dezelfde dag nog aan boord van een SNBA-vlucht richting België. Op 18 augustus 2003 wendde u zich tot de gebouwen van de Belgische asielinstanties en startte er uw asielprocedure. B. Motivering Wat betreft het verband tussen uw (voormalige) politieke activiteiten en de vervolgingsfeiten die u inroept dient het volgende te worden opgemerkt. In het algemeen kan worden gesteld dat het weinig aannemelijk is dat u vier jaar nadat u al uw politieke activiteiten stop zette, problemen zou hebben gehad omwille van deze activiteiten. U brengt geen enkel element aan waaruit blijkt dat u omwille van uw politieke activiteiten het bezoek zou hebben gekregen van enkele personen van de veiligheidsdiensten in januari
- Uw ‘gegronde vrees voor vervolging’ wordt daarenboven in ernstige mate gerelativeerd doordat u zich daags nadat personen van de veiligheidsdiensten zich naar uw woning begaven op zoek naar u, zelf tot de autoriteiten wendde om klacht in te dienen tegen deze praktijk (Cg p.7). Dat u daarenboven zonder enig bijkomend onderzoek van de politie opnieuw huiswaarts kon keren, roept ernstige vragen op omtrent de u ten laste gelegde beschuldigingen, zo deze er al waren. Op simpel aandringen van de buren, na protest van uw vrouw, besloten de onbekende personen immers weer te vertrekken (CG p.7). Uit uw relaas blijkt verder duidelijk dat het bezoek van de autoriteiten in 2001 als een geïsoleerd incident kan worden beschouwd. U bleef immers op hetzelfde adres wonen en kende in de daaropvolgende periode (meer bepaald tot februari 2002) geen persoonlijke problemen met de autoriteiten. U verklaarde immers zelf dat u op 21 maart 2001 werd opgepakt omdat u toevallig aanwezig was op de campus toen het hoofd van de universiteit de opdracht had gegeven om de bijeenkomst op te breken (Cg. pp.8-9). Ook al zouden de autoriteiten u gezegd hebben dat ze wisten dat u een 'ALCOP-man' was, dan nog toont uw vrijlating samen met alle andere gearresteerden aan dat u hierom niet specifiek werd geviseerd. Evenmin werden u vragen gesteld over uw politieke verleden naar aanleiding van deze arrestatie (Cg. p.8). Betreffende uw derde arrestatie in februari 2002 dient ook te worden vastgesteld dat u reeds twee dagen later opnieuw in vrijheid werd gesteld, niettegenstaande de zware beschuldigingen -als zou u tot de LURD behoren- die tegen u werden geuit. Betreffende dit incident kan bovendien worden opgemerkt dat u stelde dat iedereen die verdacht was (iemand met een moslimnaam, een opposant, een naam gelijkend op Conneh of een etnische origine verwant met de mandingo's) het risico liep te worden opgepakt. Ook omtrent de achterliggende reden voor de inval van de veiligheidsdiensten in uw woning op 15 oktober 2002 verschafte u geen duidelijkheid (Cg. p.9). Samenvattend kan worden gesteld dat er geenszins sprake is van een systematische vervolging gericht tegen uw persoon maar dat u eerder het toevallige slachtoffer bent geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden (incident aan de universiteit, uw arrestatie in februari 2002) en twee keer het bezoek hebt gekregen van onbekende personen terwijl de achterliggende reden van hun komst u niet duidelijk was. In die zin is het tevens vermeldenswaardig dat u zelf verklaarde niet te weten waarom de veiligheidsdiensten -in het licht van de gewijzigde situatie in Liberia- u nu nog zouden zoeken. Er dient voorts te worden vastgesteld dat er niet in het minst geloof kan worden gehecht aan de door u beschreven reisweg. U beweerde op de luchthaven te Conakry een man ontmoet te hebben die net als u lid is van de AIESEC (een internationale studentenorganisatie), hem uw problemen uit de doeken te hebben gedaan, waarna deze man dezelfde dag nog samen met u het vliegtuig tot in Brussel nam. Vooreerst is het weinig aannemelijk dat u louter en alleen omwille van uw lidmaatschap van deze studentenorganisatie (uw huidige lidmaatschap kan trouwens ernstig in vraag worden gesteld aangezien u enkel een lidkaart kon voorleggen die verlopen is in augustus 1992) hulp zou hebben gekregen van een u totaal onbekende heer. Voorts kon u geen aannemelijke verklaring geven over hoe deze man in dergelijke korte tijdspanne aan de nodige documenten zou zijn geraakt zodat u zonder enig probleem de controles op de luchthaven van Conakry en Zaventem kon passeren. Redelijkerwijze kan er van u worden verwacht dat u enige concrete toelichting kan verschaffen omtrent de nodige stappen die zijn ondernomen opdat u uw reis kon aanvatten. Aangaande de door u ingeroepen problemen in Guinee dient het volgende te worden vastgesteld. Het is niet aannemelijk dat u ervan beschuldigd zou worden een rebel te zijn door vertegenwoordigers van een regering en de internationale gemeenschap wiens taak erin bestaat na te gaan of u al dan niet op bescherming kan rekenen zonder dat u er zelf maar ook enig idee van hebt waarom u van dergelijke zwaarwichtige feiten zou worden beschuldigd. Daarenboven dient te worden gewezen op de tegenstrijdigheden in uw verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken (dd. 9 september 2003) en het commissariaat-generaal met betrekking tot de door u aangehaalde problemen met de autoriteiten. U stelde met name voor de dienst Vreemdelingenzaken dat de 'Government Security' drie keer bij u thuis kwam om u op te pakken. De eerste twee keer kon uw vrouw hen ervan overtuigen dat u niet thuis was en de derde keer (15 oktober 2002) kon u ontkomen. U maakte in het geheel geen melding voor de dienst Vreemdelingenzaken van uw arrestaties in maart 2001 en februari 2002 (zie verslag dienst Vreemdelingenzaken punten 42, 44). De geloofwaardigheid van uw verklaringen wordt hierdoor in ernstige mate ondermijnd. Uw verantwoording voor deze tegenstrijdigheden -met XIV-17.576-3/7 name uw bewering als zou het interview bij de dienst Vreemdelingenzaken slechts 45 minuten geduurd hebben en uw verdenking als zou de interviewer aldaar u niet begrepen hebben- is niet toereikend te noemen. Uit het verslag van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt immers dat het interview drie uur geduurd heeft en dat uw verklaringen op gedetailleerde wijze werden opgetekend door de interviewer van de dienst Vreemdelingenzaken en dat u zich -nadat het gehoor u werd voorgelezen- uitdrukkelijk akkoord verklaarde met de inhoud (zie verslag dienst Vreemdelingenzaken p. 15). Uw Liberiaanse geboorteakte (uitgegeven op 5 april 2001), studentenkaart (met nummer 19866) en lidkaart van de ALCOP (met nummer 001349) brengt geen wijzigingen aan voorgaande bemerkingen aangezien uw identiteit, studies en lidmaatschap van een politieke partij niet meteen in vraag worden gesteld. De door u en uw advocaat neergelegde informatie (artikel uit The Inquirer en The News, informatie van Human Rights Watch, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, Vluchtelingenwerk Nederland, allAfrica.com en irinnews.org) brengt geen wijzigingen aan voorgaande bemerkingen aangezien deze informatie van algemene aard is. De adressenlijst van personen en organisaties die u hebt aangeschreven terwijl u in Guinee verbleef, wijzigt niets aan het voorgaande aangezien deze geen elementen aanbrengt met betrekking tot uw asielrelaas (zie kopies van deze documenten in administratief dossier). De e-mail van uw vriend Muhamed Massaquoi wijzigt evenmin iets aan deze vaststellingen aangezien persoonlijke correspondentie bezwaarlijk als objectief bewijsmateriaal in overweging worden genomen. Tot slot brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel element aan dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen evenwel dat, gezien de toestand in uw land van oorsprong, het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is, dat u naar Liberia zou worden teruggeleid. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993, artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van art.149 van de Grondwet (gecoörd. 17/02/94), de materiële motiveringsplicht en de wet van 29 juli 1191 op de formele motiveringsplicht Het commissariaat-generaal (stuk 1) beperkt er zich toe de opeenvolgende vervolgingen en arrestaties van verzoeker in twijfel te trekken; de door verzoeker gegeven reisweg af te doen als niet geloofwaardig; te stellen dat de gebeurtenissen in Guinee niet aannemelijk zijn en te stellen dat er tegenstrijdigheden zouden zijn in de verklaringen aan dienst Vreemdelingenzaken en commissariaat-generaal. De realiteit van de systematische vervolgingen en verdwijningen in Liberia worden door de Belgische overheid dus genegeerd door louter en alleen te gaan stellen dat het verhaal van verzoeker ongeloofwaardig zou zijn en dat zijn relaas weinig aannemelijk zou zijn. Dit is een totaal gebrekkige en onjuiste motivering, gezien verzoeker onder stukken 3, 4 en 5 een krantenartikel en een aantal verslagen neerlegt die het verhaal van verzoeker bevestigen. Verzoeker heeft herhaaldelijk benadrukt dat hij diverse keren door overheids- , politie- en veiligheidsdiensten werd opgemaakt en in hechtenis genomen. Betrokken objectieve verslagen (Amnesty International- Human Rights Watch) bevestigen uitdrukkelijk de algemeen heersende situatie in Liberia waar tal van mensen worden gedood, verdreven en opgepakt; en waarbij het vaak moeilijk is uit te maken of deze het werk zijn van regeringstroepen of van het LURD. In betrokken verslagen worden ook expliciet de vervolgingen van vermeende LURD-leden verwoord en de diverse mensenrechtenschendingen door ATU en andere regeringsgezinde milities ! Betrokken verslagen bevestigen overigens evenzeer dat deze situatie inderdaad oversloeg naar buurlanden Guinee en Sierra Leone. De beslissing van het commissariaat-generaal is derhalve totaal onvoldoende, onjuist en gebrekkig gemotiveerd. Het middel is gegrond.”; XIV-17.576-4/7 2.1.
- Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet betrekking heeft op de motivering doch niet van toepassing is op administratieve beslissingen zoals in casu; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is. Overwegende dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht; dat zij aldus niet de schending van de formele doch van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij de vastgestelde tegenstrijdigheden niet eens tracht te verklaren; dat de verzoekende partij met een algemene bevestiging van haar standpunt dat zij wel vervolgd werd en met de verwijzing naar een internationaal rapport betreffende de algemene toestand in Liberia, zonder dit rapport op haar eigen concrete toestand te betrekken, niet aannemelijk maakt dat de commissaris- generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging Verzoeker werd slechts zeer kort ondervraagd omtrent de redenen van zijn vlucht. De ingeroepen feiten werden hoegenaamd niet onderzocht noch aan de werkelijkheid getoetst. Het commissariaát-generaal maakte er zich vanaf met de éénvoudige melding dat verzoeker bepaalde essentiële gegevens niet zou vermelden en tegenstrijdigheden zou verkondigen (stuk 1). Rekening dient evenwel gehouden te worden dat verzoeker soms moeite heeft om zaken te verwoorden . Verzoeker kreeg gewoon geen kans één en ander toe te lichten, gezien er bij voorbaat geen geloof aan werd gehecht. Bovendien kan de Belgische overheid niet voorbij de realiteit van de heersende toestand in Liberia, zoals die blijkt uit de voorgelegde verslagen 4 &
- Hierbij dient benadrukt te worden dat verzoeker uiteraard slechts kan meedelen wat hij weet en meegemaakt heeft. Uit de verslag blijkt duidelijk dat men er in Liberia zomaar lukraak burgers uitneemt, dewelke dan om totaal onduidelijke redenen opgepakt worden. Doordat verwerende partijen zich op het algemene standpunt stelden dat verzoeker ongeloofwaardig zou zijn, zonder aan de individuele asielaanvrager zélfs maar de kans te geven verder verduidelijking te brengen en zélf één en ander na te gaan, werden de rechten van verdediging op grove wijze geschonden. XIV-17.576-5/7 Bovendien heeft de overheid, door het niet in acht nemen van de vaststaande werkelijkheid in Liberia, zeker niet met volledige kennis van zaken en in het licht van alle omstandigheden geoordeeld. Dit strookt geenszins met de beginselen van behoorlijk bestuur. De administratieve overheid overschreed op die manier manifest de grens van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Dat derhalve ook dit middel als gegrond voorkomt. Verzoeker bevindt zich buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit. Hij kan de bescherming van dit land niet inroepen uit vrees er te worden vervolgd. Verzoeker komt dus wel degelijk in aanmerking om als politiek vluchteling erkend te worden.”; 2.2.
- Overwegende dat uit het advies dat de commissaris-generaal aangaande de verwijderingsmaatregel geeft, blijkt dat hij rekening heeft gehouden met de toestand in Liberia, aangezien hij adviseert dat het niet aangewezen is om de verzoekende partij naar Liberia terug te leiden; dat de kritiek van de verzoekende partij dat zij niet de kans kreeg “één en ander toe te lichten” niet opgaat; dat uit het administratief dossier blijkt dat het interview bij de dienst Vreemdelingenzaken drie uur duurde en op het commissariaat- generaal drie en een half uur; dat de verzoekende partij de mogelijkheid kreeg om in het dringend beroepsschrift haar standpunt uiteen te zetten; dat zij bovendien niet toelicht op welke punten van het asielrelaas zij verder wenst in te gaan; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-17.576-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-17.576-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.814 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.