← België

Arrest 146815 - - 27/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.815 Rolnummer: A. 117032/XIV-8653 Zaak: Arrest 146815 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 19:54 Fiche Arrest nr 146.815 van 27 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.815 van 27 juni 2005 in de zaak A. 117.032/XIV-

  1. In zake :XXX die woonplaats kiest bij advocaat B. VERHAEREN, kantoor houdende te 1820 STEENOKKERZEEL, Braambos
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kazachse nationaliteit, op 19 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 13 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-8653-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. GUL, die loco advocaat B. VERHAREN, verschijnt voor de verzoekende partij, en van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 10 augustus 2000 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 16 augustus 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 12 februari 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U, een staatsburger van Kazakstan, zou in uw land problemen hebben ondervonden als gevolg van de Koerdische afkomst van uw echtgenoot. Concreet zou uw echtgenoot een Syrisch staatsburger van Koerdische afkomst zijn geweest. Er zou hem tijdens een verblijf in Syrië door andere etnische Koerden zijn gevraagd om in Kazakstan zijn steun aan Ocalan te betuigen en actie te voeren voor een onafhankelijk Koerdistan. Uw echtgenoot zou zich steeds ver van de politiek hebben gehouden en zou daarom zijn medewerking hebben geweigerd. Na zijn terugkeer uit Syrië naar Kazakstan zou uw gezin telefonisch onder druk zijn gezet en bedreigd maar uw echtgenoot zou nog steeds zijn medewerking hebben geweigerd. U en uw echtgenoot zouden de politie op de hoogte hebben gesteld van de bedreigingen maar de politie zou hebben geantwoord dat ze niet konden optreden zolang er niet daadwerkelijk iets gebeurde. Uiteindelijk zou uw echtgenoot op 14 april 2000 naar zijn werk zijn vertrokken maar daarna - zonder op zijn werk te zijn toegekomen - spoorloos zijn verdwenen. U zou deze verdwijning eveneens bij de politie hebben aangeklaagd maar zou tot op heden niets over het lot of de verblijfplaats van uw echtgenoot hebben vernomen. Bovendien zou u nog steeds driegtelefoontjes hebben ontvangen en zou uw dochter op 15 mei 2000 zijn ontvoerd. Dezelfde avond zou de politie op de luchthaven een vrouw hebben gearresteerd die probeerde uw dochter uit Kazakstan naar Turkije te smokkelen. Uw dochter zou door de politie zijn thuisgebracht. U zou geen verdere informatie hebben gekregen over de opdrachtgever van de ontvoerder of over een mogelijke band met de verdwijning van uw echtgenoot. U zou wel nog steeds dreigtelefoontjes hebben ontvangen. Om deze reden zou u uw land hebben verlaten om op 10 augustus 2000 in België het statuut van vluchteling aan te vragen. Ter staving van uw asielaanvraag legt u een kopie van uw identiteitskaart, de geboorteakte van uw dochter en twee attesten van de politie voor. Er dient te worden vastgesteld dat tegenstrijdige opeenvolgende verklaringen de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig ondermijnen. Zo verklaarde u bij het commissariaat-generaal (p 6 en 17) dat uw dochter op 17 mei ‘s ochtends werd ontvoerd en ‘s avonds (‘enkele uren later’) werd teruggevonden op de luchthaven terwijl u bij de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat uw kind drie dagen na de ontvoering werd teruggevonden. Verder verklaarde u bij de dienst Vreemdelingenzaken dat uw man op 14 april naar zijn werk ging en die avond niet terugkeerde terwijl u bij het commissariaat-generaal verklaarde dat hij op 15 april nachtdienst had en pas de volgende ochtend niet naar huis terugkeerde. De twee attesten van de politie die u ter staving van uw asielaanvraag voorlegt kunnen uw geloofwaardigheid niet herstellen. Integendeel, gezien het tegenstrijdig karakter van uw verklaringen kan ook ernstig getwijfeld worden aan de authenticiteit van de voorgelegde politieattesten. Niet alleen is er de concrete vaststelling dat de attesten - alhoewel ze binnen een tijdspanne van enkele dagen door éénzelfde dienst zijn afgeleverd - niet eenvormig zijn (zo heeft één document een zwart/wit hoofding terwijl het andere een hoofding in kleur heeft) maar stemt de erin opgenomen informatie ook niet overeen met de verklaringen die door u werden afgelegd. In verband met de verdwijning van uw echtgenoot vermeldt het attest immers dat uw XIV-8653-2/5 echtgenoot op 14 april voor nachtdienst naar zijn werk vertrok en dat hij op 15 april niet is thuisgekomen. Verder kan nog worden opgemerkt dat u niet aannemelijk heeft gemaakt dat u wat betreft de bedreigingen die tegen u werden geuit in uw land niet op bescherming kan rekenen in de zin van de Vluchtelingenconventie. Integendeel, uit uw verklaringen blijkt dat de politie steeds opgetreden is wanneer u een klacht bent gaan indienen. In het kader van de verdwijning van uw echtgenoot werd een verdachte opgepakt en uw dochter werd door de politie teruggevonden en de dader werd gearresteerd. De kopie van uw identiteitskaart en de geboorteakte van uw dochter die u voorlegt, doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen zodat geen vermoeden van gegronde vrees door vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden vastgesteld.”; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Heeft de verzoekster de eer u de vernietiging te vragen van de beslissing van het commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen van 12/02/2002 met kenmerk 00/22130, en dit wegens schending van artikel 1 A 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951, schending van artikel 8 van het E.V.R.M., machtsafwending en gebrek aan motivatie. Middelen Overwegende dat de tegenpartij van oordeel is dat de asielaanvraag van de verzoekster ‘bedrieglijk’ is, en kennelijk ongegrond. Dat de tegenpartij van oordeel is dit te kunnen besluiten gelet op: - tegenstrijdigheden in de verklaringen van de verzoekster - twijfel aan de authenticiteit van de voorgelegde attesten - het feit dat het niet aannemelijk is dat zij in het land van herkomst niet zou kunnen rekenen op enige bescherming. Overwegende dat de verzoekster evenwel van oordeel is dat deze interpretatie een kennelijk onredelijke interpretatie is. Dat er hoegenaamd geen tegenstrijdigheid is tussen de verklaringen aan het commissariaat- generaal en de dienst Vreemdelingenzaken nopens de verdwijning van haar echtgenoot. Dat men stelt dat zij aan de dienst Vreemdelingenzaken zou hebben verklaard: ‘dat haar man op 14 april naar zijn werk ging en die avond niet terugkeerde’, terwijl zij aan het commissariaat-generaal zou hebben verklaard: ‘dat hij op 15 april nachtdienst had en pas de volgende ochtend niet naar huis terugkeerde’. Dat de man van de verzoekster inderdaad op 14 april naar zijn werk vertrok omstreeks 20 uur, waar hij de nacht van 14 op 15 april zou instaan voor de nachtdienst. Hij is dus inderdaad na zijn vertrek op 14 april niet terug naar huis gekomen, noch toegekomen op zijn werk en sindsdien spoorloos. Dit wordt trouwens bevestigd door het voorgebrachte attest van de plaatselijke politiediensten. Het loutere feit van de niet totale eenvormigheid van de voorgebrachte attesten is op zich niet voldoende om te stellend at deze attesten niet authentiek zouden zijn. Er is geen enkel element om te stellen dat het om vervalste stukken zou gaan. Dat nopens de verklaringen betrekking hebbende op de ontvoering van haar dochter zij zou hebben verklaard aan het commissariaat-generaal dat haar dochter nog dezelfde dag van de ontvoering zou zijn teruggevonden. Haar dochtertje werd in ieder geval slechts drie dagen later teruggevonden, conform haar eerste verklaring. Dit element is echter niet voldoende om te stellen da haar verzoek bedrieglijk zou zijn gelet op het geheel van de elementen van het dossier, en de moeilijke omstandigheden waarin de ondervragingen van de kandidaat vluchteling plaatsvinden. Dat tenslotte is er het feit dat men stelt dat het volgens de tegenpartij niet aannemelijk is dat de verzoekster in haar land van herkomst niet zou kunnen rekenen op enige bescherming, en dit vooral gelet op het feit dat na de ontvoering haar dochtertje werd teruggevonden. Dat voor de verzoekster het terugvinden van haar dochtertje een gelukkig toeval is geweest, en zeker niet het gevolg van een actieve zoektocht van de plaatselijke politiediensten. Dat ondanks de ernst van deze feiten zij enkel heeft moeten vaststellen dat zij, noch haar dochtertje op enige bescherming konden rekenen. Dat zij dan ook ernstig vreest voor haar persoon en vooral vreest voor het verlies van haar dochter indien zij terug naar haar land van herkomst zou worden teruggebracht. Dat gelet op haar opleiding en haar tewerkstelling als ‘manager advertising’ in haar land van herkomst, is het niet aannemelijk dat zij voor enige andere reden dan ernstige vrees voor haar persoon en het leven van haar dochter, en het feit dat zij niet kon rekenen op enige bescherming van de instanties van haar land, dit heeft verlaten. Dat de verzoekster dan ook de vernietiging vordert van de beslissing van de commissaris- generaal van 12/02/2002 met als kenmerk 00/22130.”; XIV-8653-3/5 2.
  5. Overwegende dat dient te worden herhaald dat art. 1, A, 2) van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) geen directe werking heeft en dat de schending ervan derhalve niet op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd; Overwegende, wat de aangevoerde schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden, dat de verzoekende partij nalaat uiteen te zetten op welke wijze haar privé- of gezinsleven door de bestreden beslissing zou zijn geschonden, zodat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing onder meer is gesteund op het feit dat de verzoekende partij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet op bescherming van de Kazachse politie kon rekenen; dat dit een determinerend motief vormt in de zin dat het de bestreden beslissing kan dragen; dat de verzoekende partij dit motief weliswaar betwist, doch zich beperkt tot het minimaliseren van het optreden van de Kazachse politie in haar voordeel en dat van haar gezin; dat nochtans uit het administratief dossier blijkt dat de Kazachse politie haar steeds welwillend heeft bejegend, namelijk dat de politie steeds heeft opgetreden wanneer de verzoekende partij klacht had ingediend, dat de politie haar dochtertje had gevonden en naar huis gebracht en dat na de verdwijning van haar echtgenoot een verdachte werd opgepakt; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat het voormeld determinerend motief is gesteund op onjuiste feitelijke gegevens, kennelijk onredelijk is of in strijd is met de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de commissaris-generaal beschikt; dat het middel in die mate ongegrond is, dat, in het licht van het voorgaande, de vaststelling van bepaalde tegenstrijdigheden een overtollig motief vormt; dat het middel niet-ontvankelijk is in de mate dat het tegen het overtollige motief is gericht omdat de eventuele gegrondheid van die kritiek niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat er slechts sprake kan zijn van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de bevoegdheid die haar door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel is van de XIV-8653-4/5 betrokken bestuurshandeling; dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe met de bestreden beslissing machtsafwending zou zijn gepleegd; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-8653-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.815 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.