← België

Arrest 146817 - - 27/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.817 Rolnummer: A. 100336/XIV-1919 Zaak: Arrest 146817 - - 27/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-12 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 19:55 Fiche Arrest nr 146.817 van 27 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 146.817 van 27 juni 2005 in de zaak A. 100.336/XIV-1919. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaten F. COEL en R. COEL, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Mercierplein 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : 1. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 9 februari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 januari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 11 januari 2001; Gelet op het arrest nr. 124.814 van 29 oktober 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 21 maart 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; XIV-1919-1/5 Gelet op de beschikking van 24 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die loco advocaten F. COEL en R. COEL verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 23 februari 2000 en zich vluchteling verklaart op 24 februari 2000; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 29 mei 2000 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 9 januari 2001 deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Aan betrokkene werd op 13 november 2000 op zijn gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor zijn asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen, bevestigt de commissaris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 29 mei 2000. De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2. De ontvankelijkheid. 2.1. Overwegende dat de eerste verwerende partij in een exceptie opwerpt dat uit de stukken bij de memorie van antwoord blijkt dat de verzoekende partij op 26 februari 2002 werd teruggeleid naar het land van herkomst, dat zich de vraag stelt welk belang de verzoekende partij nog heeft bij de voortzetting van het beroep tot nietigverklaring, dat de Raad van State in soortgelijke zaken reeds tot de afwezigheid van het belang heeft besloten en dat het beroep tot nietigverklaring thans moet worden verworpen bij gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partij; XIV-1919-2/5 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord betreffende deze exceptie stelt dat zij “op regelmatige wijze en in alle openbaarheid te M., G.straat 137 bus 201" leeft; 2.3. Overwegende dat een gedwongen terugleiding naar het land van herkomst niet leidt tot het verlies van belang bij het beroep tot nietigverklaring dat een asielaanvrager heeft ingesteld tegen een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat bovendien, anders dan de eerste verwerende partij voorhoudt, uit het administratief dossier niet eens blijkt dat de verzoekende partij inderdaad is teruggeleid; dat de exceptie wordt afgewezen; 3. Ten gronde. 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van de zorgvuldigheidsplicht aanvoert en dit als volgt toelicht: “Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur Overwegende dat het eerste ernstig middel van vertoger de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft, meer bepaald de verplichting tot zorgvuldigheid. Dat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen een bestuurlijke overheid is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. (zie I. Opdebeek, ‘Het Recht op verdediging en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen’ in Opdebeek. (

  1. ed)Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer, rechtswetenschappen, 1993, 51). Dat de commissaris-generaal meent een negatieve beslissing te moeten nemen op loutere basis van het feit dat vertoger zonder geldige reden binnen de maand na verzending geen gevolg zou hebben gegeven aan de vraag om inlichtingen, quod non. Dat vertoger wil laten gelden dat hij per 13 november 2000 de vragenlijst ontving en invulde en deze wou meebrengen voor het verhoor op 23 november 2000. Dat hij evenwel gehospitaliseerd was op die datum en hiervan de verwerende partij in kennis stelde middels medisch attst de dato 21 november 2000 via de fax op 22 november 2000 en aangetekend schrijven op dezelfde datum. Dat de commissaris-generaal volkomen voorbij gaat aan deze stukken en een beslissing treft zonder vertoger te horen. Dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen bijzonder onzorgvuldig is tewerk gegaan daar waar hij op het ogenblik dat hij een kandidaat-vluchteling heeft uitgenodigd voor een gesprek en deze laatste te kennen heeft gegeven dat hij hierop wil ingaan door overmacht (medische redenen), verhinders is, de C.G. geen weigeringsbeslissing kan nemen alvorens de betrokkene effectief werd verhoord. (zie D. Vanheule, Vluchtelingen, een overzicht, tweede uitgave, Mys & Breesch, 1997, nr 400) Dat bovendien vertoger laat gelden dat ijn uitnodiging expliciet mededeelde dat hij ofwel de vragenlijst kon terugsturen ofwel kon meebrengen bij zijn verhoor.”; 3.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord niet op het middel ingaat; 3.3. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar het verweer van de eerste verwerende partij; XIV-1919-3/5 3.4. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord niet meer ingaat op het middel; 3.5. Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: “De Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: (...) “4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan geven.”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de commissaris- generaal op 13 november 2000 een oproeping voor een verhoor op 23 november 2000 om 09.00u aan de verzoekende partij heeft gestuurd, die deze oproeping op 17 november 2000 heeft ontvangen; dat onderaan de oproeping wordt vermeld: “Indien een geval van overmacht U belet gevolg te geven aan deze oproeping, wordt u dringend verzocht enerzijds het bewijs van de ingeroepen overmacht en anderzijds de elementen die u ter ondersteuning van uw asielaanvraag wil inroepen, binnen de maand die volgt op de datum van deze oproeping per aangetekend schrijven over te maken aan het commissariaat-generaal.”; Overwegende dat de voormelde brief een “oproeping” vormt in de zin van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij op 22 november 2000 via het O.C.M.W. van N. per telefax een medisch attest van dr. De Bruyn van 21 november 2000 naar het commissariaat-generaal heeft gestuurd; dat dit medisch attest de vermelding draagt “ziek zich voor het interview aan te bieden op 23 november 2000" en een verbod om de woonst te verlaten; dat het stuk zich in het administratief dossier bevindt en dat de commissaris-generaal er derhalve kennis van had of moest hebben; dat de verzoekende partij daarmee een geldige reden in de zin van datzelfde artikel heeft laten gelden om niet op het voorziene verhoor te verschijnen; Overwegende dat de kwestieuze oproeping door de commissaris- generaal geen “verzoek om inlichtingen” vormt maar dat de vraag naar inlichtingen die erin vervat zit slechts een bijkomende voorwaarde vormt waaraan zou moeten worden voldaan in geval van overmacht om op het verhoor te verschijnen; dat dergelijke bijkomende voorwaarde niet in de wet is voorzien, nu daarin slechts sprake is van het aanvoeren van “een geldige reden”; dat derhalve in het ontbreken van een aangetekend schrijven met de elementen ter staving van de asielaanvraag in dit geval geen grond kan worden gevonden voor een afwijzing van de asielaanvraag op grond van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat de bestreden beslissing niet op zorgvuldige wijze is genomen nu geen XIV-1919-4/5 rekening is gehouden met het tijdig opgestuurd medisch attest; dat het enige middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 januari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-1919-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.817 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.124.814 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.