id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.889 Rolnummer: A. 151427/AGAV-84 Zaak: Arrêt / Arrest 146889 - / - 28/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-30 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-07-02 20:14 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 146.889 van 28 juni 2005 - Beslissing : prejudiciële vraag In beraad Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 146.889 van 28 juni 2005 A. 151.427/g-84 In zake: DE CAESTECKER Philippe, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Jean BOURTEMBOURG, advocaat, Zwitserlandstraat 24 1060 Brussel, tegen: de Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Monique KESTEMONT-SOUMERYN, advocaat, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus 1 1060 Brussel. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING ADMINISTRATIE, Gezien het op 3 mei 2004 ingediende verzoekschrift, waarbij Philippe DE CAESTECKER de nietigverklaring vordert van "de beslissing van onbekende datum waarbij de examencommissie voor het tweede gedeelte van het examen voor het verkrijgen van het brevet van studieprefect besloten heeft verzoeker voor dat gedeelte af te wijzen, en hem bijgevolg niet toe te laten tot de derde opleidingscyclus en het derde examengedeelte voor het verkrijgen van dat brevet"; Gelet op arrest nr. 134.720 van 8 september 2004, waarbij de vordering tot schorsing wordt afgewezen; Gelet op de kennisgeving van het arrest aan de partijen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure dat de verzoekende partij op 20 oktober 2004 heeft ingediend; g - 84 - 1/6 Gezien de vraag d.d. 27 oktober 2004 van de heer P. ERNOTTE, eerste auditeur bij de Raad van State, om de procedure toe te passen waarin artikel 15ter van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State voorziet; Gezien de brief d.d. 17 november 2004 waarbij de verzoekende partij ervan in kennis wordt gesteld dat de kamer in haar uitspraak de afstand van geding zal toewijzen tenzij de verzoekende partij vraagt om gehoord te worden; Gezien de brief d.d. 30 november 2004 waarbij de verzoekende partij aan de Raad van State vraagt om gehoord te worden; Gelet op de beschikking van 18 januari 2005, waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 18 februari 2005 om 11.00 uur, op welk tijdstip de zaak voor onbepaalde tijd is uitgesteld; Gelet op de beschikking van 9 maart 2005, waarbij de zaak naar de algemene vergadering van de afdeling Administratie wordt verwezen; Gelet op de beschikking van 25 mei 2005, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van de algemene vergadering van de afdeling Administratie van 31 mei 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van de heer J.-Cl. GEUS, kamervoorzitter; Gehoord de opmerkingen van Mr. J. BOURTEMBOURG en van Mr. Fr. BELLEFLAMME, advocaten, die voor verzoeker verschijnen, en van Mr. V. PAUWELS en Mr. E. GONTHIER, loco Mr. M. KESTEMONT-SOUMERYN, advocaten, die voor de verwerende partij verschijnen; Gehoord het advies van de heer P. ERNOTTE, eerste auditeur; Gelet op de artikelen 17 en 18 en op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de volgende gegevens dienstig zijn voor het onderzoek van het beroep: g - 84 - 2/6
- Verzoeker is in vast verband benoemd als leraar algemene vakken in het hoger secundair onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd. Sedert januari 1997 oefent hij tijdelijk de functie van studieprefect uit aan het koninklijk atheneum van Péruwelz.
- Verzoeker heeft de eerste twee opleidingscycli met het oog op het verkrijgen van het brevet van studieprefect gevolgd. Op 25 november 2003 heeft hij voor de examencommissie die ermee belast is dat brevet te verlenen, het examen afgelegd ter afsluiting van de tijdens de tweede cyclus gevolgde opleiding. Na afloop van dat examen heeft de examencommissie besloten hem niet tot de derde opleidingscyclus toe te laten.
- Bij op 3 mei 2004 ingediende verzoekschriften heeft verzoeker de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing van de examencommissie gevorderd.
- Bij arrest nr. 134.720 van 8 september 2004 is de vordering tot schorsing afgewezen omdat de voorwaarde betreffende het gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet vervuld was. Dat arrest is op 18 september 2004 ter kennis van verzoeker gebracht.
- Op 15 oktober 2004 heeft verzoeker de voortzetting van de procedure tot nietigverklaring gevraagd. De fiscale zegels ter waarde van 175 euro zijn niet eerder dan op 20 oktober 2004 naar de griffie gezonden, dat is op een ogenblik dat de termijn van dertig dagen, bepaald in artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, verstreken was, hetgeen verzoeker niet ontkent; Overwegende dat verzoeker uiteenzet dat zijn beroep tot nietigverklaring dreigt verworpen te worden omdat de fiscale zegels die moesten worden aangebracht op het verzoek tot voortzetting van de procedure op de griffie van de Raad van State zijn aangekomen twee dagen na het verstrijken van de termijn gesteld voor het formuleren van dat verzoek; dat hij in die omstandigheden van mening is dat aan het Arbitragehof de volgende vraag moet worden voorgelegd: " Houdt artikel 30, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, een schending in van de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in onderlinge samenhang gelezen, doordat bij die bepaling aan de Koning de bevoegdheid wordt opgedragen om de essentiële gegevens te bepalen van het recht verschuldigd voor een beroep bij de Raad van State, inzonderheid het bedrag van dat recht, de grondslag ervan, de vorm waarin het moet worden betaald alsook het ogenblik waarop het g - 84 - 3/6 verschuldigd is, terwijl aan niemand een belasting mag worden opgelegd en niemand van die belasting mag worden vrijgesteld dan bij een beslissing van een democratisch verkozen beraadslagende vergadering?"; Overwegende dat met toepassing van de artikelen 26 en 27, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de prejudiciële vraag aan het Arbitragehof moet worden voorgelegd zoals ze door verzoeker is gesteld; Overwegende dat verzoeker uiteenzet dat "niemand eraan twijfelt dat de omstandigheden waarin het vermoeden van afstand van geding toepassing zal vinden een essentiële regel vormen van de procedure voor de Raad van State" en dat "de wet duidelijk het beginsel huldigt van het vermoeden van afstand van geding wanneer de verzoekende partij de verplichting niet nakomt om binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van het arrest houdende afwijzing van de vordering tot schorsing te kennen te geven dat zij de procedure tot nietigverklaring wenst voort te zetten"; dat hij evenwel van mening is dat de wet het beginsel niet huldigt dat wanneer een verzoek tot voortzetting van de procedure eerst na het verstrijken van de termijn van dertig dagen van zegels wordt voorzien, zulks een schending van een substantieel vormvereiste zou opleveren die de regelmatigheid van dat verzoek zou aantasten; dat hij bijgevolg vraagt dat aan het Arbitragehof de volgende prejudiciële vraag wordt voorgelegd: " Houden de artikelen 17, § 4ter, en 30, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in de uitlegging ervan dat de wet aan de Koning de bevoegdheid heeft opgedragen om te beslissen dat een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend binnen een termijn van 30 dagen vanaf de kennisgeving van een arrest houdende afwijzing van een vordering tot schorsing waarop niet binnen die termijn fiscale zegels zijn aangebracht (...), een schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in onderlinge samenhang gelezen met artikel 160, eerste lid, van de Grondwet, doordat aan de Koning de bevoegdheid zou worden gelaten om een substantieel vormvereiste te bepalen van de procedure voor de Raad van State, terwijl de partijen bij een geding voor de Raad van State beschikken over de waarborg dat de principes van de procedure door de wetgever worden bepaald?"; Overwegende dat het antwoord dat op deze vraag zou worden gegeven geen enkel nut zou hebben voor het beslechten van het geschil dat bij de Raad van State aanhangig is en dus niet relevant is; dat het immers niet de Koning is die, bij een uitdrukkelijke bepaling, heeft vastgesteld welke sanctie verbonden is aan het niet aanbrengen van de fiscale zegels op het verzoek tot voorzetting van de procedure binnen de termijn gesteld voor het indienen ervan, maar de rechtspraak van de Raad van State, en inzonderheid arrest NV STEVAN, nr. 129.110, arrest-VAN DE VIJVER, nr. 129.111, en arrest-NUYENS, nr. 129.112, uitgesproken door de algemene vergadering van de afdeling administratie op 10 maart 2004; dat het Arbitragehof, zoals het heeft aangegeven in zijn arrest nr. 117/99 van 10 november 1999, niet bevoegd is om zich g - 84 - 4/6 over de rechtspraak van de Raad van State uit te spreken; dat de Raad van State ten slotte niet inziet ten aanzien van welke categorie rechtssubjecten verzoeker gediscrimineerd zou worden, terwijl het Arbitragehof niet bevoegd is om de naleving van het op zichzelf beschouwde artikel 160 van de Grondwet te toetsen, maar alleen als het in samenhang gelezen wordt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ; dat er om deze redenen geen grond bestaat om de tweede voorgestelde vraag aan het Arbitragehof voor te leggen, BESLUIT: Artikel
- De uitspraak wordt uitgesteld. Artikel
- Aan het Arbitragehof wordt de volgende prejudiciële vraag voorgelegd: " Houdt artikel 30, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, een schending in van de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in onderlinge samenhang gelezen, doordat bij die bepaling aan de Koning de bevoegdheid wordt opgedragen om de essentiële gegevens te bepalen van het recht verschuldigd voor een beroep bij de Raad van State, inzonderheid het bedrag van dat recht, de grondslag ervan, de vorm waarin het moet worden betaald alsook het ogenblik waarop het verschuldigd is, terwijl aan niemand een belasting mag worden opgelegd en niemand van die belasting mag worden vrijgesteld dan bij een beslissing van een democratisch verkozen beraadslagende vergadering?". Artikel
- De beslissing over de kosten wordt in beraad gehouden. g - 84 - 5/6 Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni tweeduizend vijf, in algemene vergadering van de afdeling Administratie van de Raad van State, door : de HH. R. ANDERSEN, Voorzitter van de Raad van State, J.-Cl. GEUS, kamervoorzitter, M. HANOTIAU, kamervoorzitter, D. VERBIEST, kamervoorzitter, M. LEROY, kamervoorzitter, J. MESSINNE, kamervoorzitter, R. STEVENS, staatsraad, L. HELLIN, staatsraad, J. BOVIN, staatsraad, P. LEWALLE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, J. VANHAEVERBEEK, staatsraad, J. LUST, staatsraad, G. VANHAEGENDOREN, staatsraad, F. DAOUT, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. D. LANGBEEN, hoofdgriffier. De Hoofdgriffier, De Voorzitter van de Raad van State, D. LANGBEEN R. ANDERSEN g - 84 - 6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.889 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.720 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.476 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div