← België

Arrest 146903 - - 28/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.903 Rolnummer: A. 68078/X-10152 Zaak: Arrest 146903 - - 28/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-04 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 20:07 Fiche Arrest nr 146.903 van 28 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.903 van 28 juni 2005 in de zaak A. 68.078/X-10.

  1. In zake : Karel VANDER SANDE, die woonplaats kiest bij Advocaat H. VANDENBERGHE, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, August Reyerslaan 171 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Karel VANDER SANDE op 14 maart 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 december 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, waarbij hem de bouwvergunning wordt geweigerd voor het oprichten van een woning op een perceel gelegen aan de Wilgen te Haacht, kadastraal bekend Sectie G, nrs. 200/a en 200/b/deel; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 21 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-10.152-1/5 Gelet op de beschikking van 16 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 april 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VANDENBERGHE die, loco Advocaat H. VANDENBERGHE verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat K. VAN WIJNSBERGHE die, loco Advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 15 februari 1995 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haacht een bouwaanvraag heeft ingediend voor het oprichten van een eengezinswoning op een perceel gelegen aan de Wilgen te Haacht, kadastraal bekend Sectie G, nrs. 200/a en 200/b/deel; dat dit perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Leuven is gelegen in agrarisch gebied; dat het niet is gelegen binnnen het beheersingsgebied van een door de Koning -thans de Vlaamse regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant bij besluit van 3 februari 1994 een verkavelingsvergunning voor het bouwterrein in 3 loten heeft geweigerd; dat het inplantingsplan evenwel melding maakt van deze loten en de op te richten woning op het "lot 2" voorziet; dat de gemachtigde ambtenaar op 11 april 1995 een ongunstig advies heeft uitgebracht; dat dit advies luidt als volgt : "ONGUNSTIG. Het eigendom is volgens het gewestplan Leuven vastgesteld bij K.B. 7 april 1977 gelegen in agrarisch gebied. De voorgestelde bebouwing is aldus in strijd met artikel 11 van het K.B. 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. Tevens brengt het ontwerp de openheid van het landschap in het gedrang, heeft een verdere aantasting van de landbouwstructuren tot gevolg en verstoort het landelijk karakter van de plaats. De geplande op te richten woning is gelegen op een gedeelte van het eigendom waarvoor in toepassing van artikel 56 paragraaf 1 van de wet van 29 maart 1962 X-10.152-2/5 en latere wijzigingen, geen voorafgaande en uitdrukkelijke verkavelingsvergunning werd verleend (zie beslissing dd. 3 februari 1994 van de Bestendige Deputatie van de Provincie Brabant). Aldus besluit ik tot weigering van de vergunning."; dat de gemachtigde ambtenaar tevens aan het gemeentebestuur heeft meegedeeld dat, gelet op de toepassing van het decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 87 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: de stedenbouwwet), de aanvraag dient te worden gericht aan de Vlaamse regering; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haacht bij besluit van 18 april 1995 de gevraagde bouwvergunning heeft geweigerd; dat het gemeentebestuur de bouwaanvraag op 27 april 1995 aan de Vlaamse regering heeft gezonden; dat het College van Deskundigen op 21 november 1995 een unaniem ongunstig advies heeft verleend, dat is gemotiveerd als volgt : "Toepassing van het decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 87 van de Stedenbouwwet. Artikel 2 overgangspunt b - weigering ingevolge het decreet van 23 juni
  3. Er is een verkavelingsaanvraag voor een terrein dat ligt in het agrarisch gebied ingediend op 3 mei
  4. Dit is na de inwerkingtreding van het gewestplan en vóór 24 augustus
  5. De definitieve weigering is verleend op 3 februari 1994 -na de spildatum- door de Bestendige Deputatie op basis van het decreet van 23 juni
  6. De aanvraag is ontvankelijk. Het terrein ligt tussen 2 residentiële woongebouwen waarvan de tussenafstand, gemeten op de straatas en tussen de dichtst bij elkaar gelegen gevels van de woongebouwen ± 49 m bedraagt. De voorliggende weg is voldoende uitgerust. Het decreet stelt dat de bouwaanvraag voor een woning kan aanvaard worden. Dezelfde bouwheer vraagt hier evenwel een tweede woning aan, naast deze op 'lot 3'. Dit is strijdig met het decreet van 13 juli
  7. Het College van Deskundigen adviseert unaniem ongunstig."; dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening bij het bestreden besluit van 14 december 1995 de gevraagde bouwvergunning heeft geweigerd; dat dezelfde Vlaamse minister bij besluit van dezelfde datum de bouwvergunning heeft verleend voor het oprichten van een woning op het zgn. "lot 3" van het bouwterrein; Overwegende dat, desnoods ambtshalve, dient te worden onderzocht of een verzoeker doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang; dat dit niet het geval is onder meer indien de vergunningverlenende overheid in geval van vernietiging van het bestreden besluit, hoe dan ook verplicht is de gevraagde X-10.152-3/5 vergunning opnieuw te weigeren; dat de partijen ter terechtzitting hierop uitdrukkelijk is gewezen; Overwegende dat artikel 2, § 1, eerste en tweede lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, luidt als volgt : "De Vlaamse regering verleent bindende kracht aan de streek-, gewest- en gemeenteplannen. Alle voorschriften van de plannen van aanleg hebben dezelfde bindende kracht, ongeacht of zij grafisch zijn voorgesteld of niet. De plannen hebben verordenende kracht. Zij blijven gelden totdat zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening. Er mag alleen van worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald."; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het perceel dat het voorwerp uitmaakt van de bouwaanvraag volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Leuven is gelegen in "agrarisch gebied"; dat artikel 11.4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, bepaalt wat volgt : "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven."; dat dit bestemmingsvoorschrift niet toelaat dat voor het betrokken perceel een vergunning voor het bouwen van een woning wordt verleend; dat artikel 171, derde lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, de uitzonderingsregeling vervat in de bepaling van artikel 87 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, zoals gewijzigd bij het decreet van 13 juli 1994, die samen met andere wijzigings-, overgangs-, en opheffingsbepalingen, almede reeds voorbijgestreefde bepalingen als bijlage 2 was gevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 1996 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 24 september 1996 tot coördinatie van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw , heeft opgeheven met ingang van 1 mei 2000; dat thans geen enkele wettelijke bepaling toelaat voor het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning met een voorwerp als het voorliggende, van voormeld bestemmingsvoorschrift af te wijken; dat de X-10.152-4/5 vergunningverlenende overheid als orgaan van het actief bestuur ertoe gehouden is de regelgeving toe te passen die geldt op het ogenblik dat zij over de aanvraag uitspraak doet; dat zij, gelet op de planologische bestemming van het perceel, in geval van vernietiging van het bestreden besluit, in de huidige stand van de regelgeving, hoe dan ook verplicht is de gevraagde stedenbouwkundige vergunning opnieuw te weigeren; dat om de hiervoor uiteengezette reden ambtshalve moet worden vastgesteld dat verzoeker niet doet blijken van het rechtens vereiste belang; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.152-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.903 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.