← België

Arrest 146910 - - 28/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.910 Rolnummer: A. 147458/XII-4049 Zaak: Arrest 146910 - - 28/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-22 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 20:10 Fiche Arrest nr 146.910 van 28 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.910 van 28 juni 2005 in de zaak A. 147.458/XII-

  1. In zake : Joseph BOETS, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt, gevestigd te Brussel, Lang Levenstraat 27-29 tegen : de HOGESCHOOL LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaat E. Bral, kantoor houdende te Gent, Henleykaai 3 R. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Joseph Boets op 20 januari 2003 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “ de beslissing van het College van Beroep inzake Tucht van de Hogeschool Limburg van 18 november 2003 waarbij het College, enerzijds, de vraag van verzoeker tot heropening van de debatten onontvankelijk verklaart, en, anderzijds, op de vraag tot intrekking van de beslissing van het College van Beroep inzake Tucht van 15 september 2003 [niet] wordt ingegaan zodat die beslissing wordt bevestigd”, en van “ de beslissing van het College van Beroep inzake Tucht van de Hogeschool Limburg van 15 september 2003 waarbij het College van Beroep waarbij de beslissing van het departemenshoofd IWT van de Hogeschool Limburg van 21 mei 2003 waarbij aan de heer Boets de tuchtstraf van de blaam werd opgelegd, wordt bevestigd”; Gelet op het arrest nr. 132.389 van 15 juni 2004, waarbij de debatten worden heropend en aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag wordt gesteld; XII-4049-1\4 Gezien het arrest nr. 74/2005 van het Arbitragehof, van 20 april 2005; Gelet op de beschikking van 11 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat J. Van Laethem, die loco advocaat E. Bral verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift opmerkt “dat hij op de hoogte is van de rechtspraak van de afdeling administratie van de Raad van State volgens dewelke het nadeel volgend uit een tuchtstraf zonder pecuniaire consequenties [te dezen een blaam] in beginsel [niet] ernstig [is] noch moeilijk te herstellen valt”; dat hij vervolgens stelt te zullen aantonen “dat hij in casu door de bestreden beslissingen een moreel nadeel [ondervindt] dat -in tegenstelling tot die rechtspraak- niet alleen moeilijk te herstellen is maar ook ernstig”; XII-4049-2\4 Overwegende dat verzoeker, die niet door een raadsman is vertegenwoordigd en persoonlijk ter terechtzitting verschijnt en er het woord voert, op de terechtzitting van 25 mei 2004 vraagt om bijgestaan te mogen worden door de juridisch adviseur bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt; dat hij in geval van een eventuele verwerping van dat verzoek om bijstand op grond van het bepaalde in artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State verzoekt om over die bepaling aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen; dat zijn verzoek wordt ingewilligd bij het arrest nr. 132.389 van 15 juni 2004, waarin de Raad de door hem geformuleerde vraag aan het Arbitragehof voorlegt; dat die vraag overigens een ontkennend antwoord heeft gekregen van het Arbitragehof bij het arrest nr. 74/2005 van 20 april 2005; Overwegende dat de snelheid waarmee de Raad van State in de fase van het kort geding moet optreden in principe niet te verenigen is met het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof; dat verzoeker door de Raad van State hier ter terechtzitting van 25 mei 2004 op gewezen is; dat verzoeker niettemin uitdrukkelijk stelde te volharden in zijn verzoek dat de prejudiciële vraag zou worden gesteld, omdat hij het noodzakelijk achtte ter terechtzitting ondersteuning te krijgen, en dat overigens niet van een advocaat, “maar alleen van de heer Eric Roos, juridisch adviseur bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt”; dat verzoeker nochtans in staat is gebleken om zelf en zonder ondersteuning een pleitnota van meer dan twintig bladzijden ter terechtzitting naar voren te brengen; dat voorts de procedure voor de Raad van State een schriftelijke procedure is; dat al hetgeen dienstig kan worden aangevoerd in die procedure, gelet op artikel 17, § 3, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, in principe reeds in het inleidend verzoekschrift, en enkel daarin, aangevoerd mag worden; dat, gelet op dit substantieel vormvoorschrift, verzoeker dan ook, door niettemin te eisen dat de behandeling van de zaak zou worden uitgesteld voor de tijd nodig om een antwoord te krijgen op de prejudiciële vraag aan het Arbitragehof, enkel in de hoop de gevraagde bijstand voor de mondelinge debatten ter terechtzitting te kunnen afdwingen, door zijn eigen houding ontkent dat het door hem aangevoerde nadeel zo ernstig is dat het enkel door een onmiddellijke schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden geweerd, en dat hij niet zou kunnen verdragen te moeten wachten op de afloop van de gewone annulatieprocedure; XII-4049-3\4 Overwegende dat niet voldaan is aan minstens één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2005, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4049-4\4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.910 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.389 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.383 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.