← België

Arrêt / Arrest 146936 - / - 28/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.936 Rolnummer: Zaak: Arrêt / Arrest 146936 - / - 28/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-01 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-07-02 22:12 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 146.936 van 28 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE Nr. 146.936 van 28 juni 2005 A. 52.819/V-1458 A. 52.821/V-1375 In zake: de Vereniging zonder winstoogmerk KOOPERATIEVE VERBRUIKERSBEWEGING, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Rudy LOOS, advocaat, Xavier Buissetstraat 24 1800 Vilvoorde, tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Economie, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Benoît CAMBIER en Mr. Luc CAMBIER, advocaten, Winston Churchilllaan 253 1180 Brussel. Tussenkomende partijen:

  1. PIRAUX Maurice,
  2. COENE Geert, die woonplaats hebben gekozen bij Mr. Benoît CAMBIER en Mr. Luc CAMBIER, advocaten, Winston Churchilllaan 253 1180 Brussel. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het op 12 juli 1993 in de Franse taal ingediende verzoekschrift, waarbij de vereniging zonder winstoogmerk KOOPERATIEVE VERBRUIKERSBEWEGING de nietigverklaring vordert van: - artikel 1, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 april 1993 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor de Mededinging; - het koninklijk besluit van 17 mei 1993 houdende de benoeming van de leden van de Commissie voor de Mededinging (zaak A. 52.819/V-1458); V - 1458-1375 - 1/14 Gezien de op 29 december 1993 ingediende verzoekschriften, waarbij Maurice PIRAUX en Geert COENE vragen als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikkingen van 14 januari en 8 februari 1994, die de tussenkomsten toelaten; Gezien de regelmatig uitgewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien de memorie van de eerste tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van de voorzitter van de IIIde kamer van 14 januari 1994, waarbij de zaak wordt verwezen naar de algemene rol voor toewijzing aan de tweetalige kamer; Gelet op de beschikking van de voorzitter van de Vde kamer van 30 januari 1995, waarbij de zaak wordt afgevoerd van de rol van de Vde kamer en wordt verwezen naar de algemene rol; Gelet op het verslag van de heer J. FORTPIED, eerste auditeur bij de Raad van State; Gelet op de beschikking van 3 maart 1995, die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 april 1996, waarvan aan de paartijen kennis is gegeven en waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van de IIIde kamer van 24 mei 1996; Gelet op het arrest nr. 59.829 van 31 mei 1996, waarbij de uitspraak wordt uitgesteld, de zaak wordt afgevoerd van de rol van de IIIde kamer en wordt verwezen naar de algemene rol; Gelet op de beschikking van de Eerste Voorzitter van de Raad van State van 11 juni 1996, waarbij de zaak wordt toegewezen aan de Vde kamer; V - 1458-1375 - 2/14 Gezien het op 12 juli 1993 in de Nederlandse taal ingediende verzoekschrift, waarbij de vereniging zonder winst oogmerk KOOPERATIEVE VERBRUIKERSBEWEGING de nietigverklaring vordert van dezelfde akten (zaak A.52.821/V-1375); Gezien het verzoekschrift tot schorsing ingediend in de Nederlandse taal op dezelfde datum door dezelfde verzoekster omtrent dezelfde akten; Gelet op het arrest nr. 44.367 van 5 oktober 1993, waarbij de vordering tot schorsing wordt verworpen; Gezien de op 29 december 1993 ingediende verzoekschriften, waarbij Maurice PIRAUX en Geert COENE vragen als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 23 februari 1994, die de tussenkomsten toelaat; Gezien de regelmatig uitgewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gelet op de beschikking van de voorzitter van de IVde kamer van 13 januari 1994, waarbij de zaak wordt afgevoerd van de rol van de IVde kamer en wordt verwezen naar de algemene rol; Gelet op de beschikking van de Eerste Voorzitter van 28 januari 1994, waarbij de zaak wordt toegewezen aan de Vde kamer; Gezien het verslag van de heer E. HAESBROUCK, eerste auditeur bij de Raad van State; Gelet op de beschikking van 6 juni 2000, die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 21 maart 2005, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij de zaken op de terechtzitting van 21 april 2005 om 14.00 uur worden vastgesteld; V - 1458-1375 - 3/14 Gehoord het verslag van de heer J. JAUMOTTE, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van Mr. Rudy LOOS, advocaat, die voor de verzoekende partij verschijnt, en van Mr. Luc CAMBIER, advocaat, die voor de verwerende partij en voor beide tussenkomende partijen verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van de heer E. HAESBROUCK, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij artikel 21 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging in de Centrale raad voor het Bedrijfsleven een paritaire commissie wordt opgericht die Commissie voor de Mededinging wordt genoemd en die tot taak heeft om in het kader van de toepassing van de voormelde wet van 5 augustus 1991 adviezen uit te brengen; dat bij artikel 22, eerste lid, van dezelfde wet aan de Koning de bevoegdheid wordt opgedragen om de samenstelling en de werking van de Commissie voor de Mededinging alsook van haar secretariaat te bepalen; Overwegende dat de Koning van deze opgedragen bevoegdheid gebruik heeft gemaakt toen hij het koninklijk besluit van 30 april 1993 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor de Mededinging heeft uitgevaardigd; dat de Commissie voor de Mededinging krachtens artikel 1, § 1, van dat besluit uit vierentwintig werkende leden bestaat van wie er twee de consumenten vertegenwoordigen; dat de leden die de consumenten vertegenwoordigen krachtens artikel 1, § 2, derde lid, eerste zin, van dat besluit door de Koning worden aangewezen op voordracht van de Minister van Economische Zaken en dat die beide leden krachtens de tweede zin van diezelfde bepaling worden gekozen uit organisaties die als wezenlijk doel hebben de bevordering en de verdediging van de algemene belangen van de consumenten op alle gebieden die hen aanbelangen, die deze doelstelling realiseren door middel van een effectieve werking en die onafhankelijk zijn van de overheid en de beroepskringen; dat deze tweede zin de eerste bepaling is waarvan de nietigverklaring in de annulatieberoepen wordt gevorderd; Overwegende dat de Koning bij besluit van 17 mei 1993 de leden van de Commissie voor de Mededinging heeft benoemd; dat als werkende leden ter V - 1458-1375 - 4/14 vertegenwoordiging van de consumenten zijn benoemd M. PIRAUX en G. COENE, en als plaatsvervangende leden ter vertegenwoordiging van de consumenten S. MAUCQ en B. DEHANDSCHUTTER, alle vier leden van Test-Aankoop; dat dit koninklijk besluit de tweede handeling is die in de beroepen tot nietigverklaring wordt bestreden; Overwegende dat de beroepen tot nietigverklaring tegen dezelfde handeling gericht zijn, dat ze door dezelfde verzoekende vereniging ingesteld zijn en dat ze dezelfde middelen aanvoeren; dat ze bijgevolg samengevoegd moeten worden; Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat de beroepen tot nietigverklaring niet-ontvankelijk moeten worden verklaard voorzover ze op de tweede bestreden handeling betrekking hebben; dat ze erop wijst dat één beroep met meer dan een onderwerp slechts voor alle daarin vermelde rechtshandelingen ontvankelijk kan worden verklaard als er tussen die onderscheiden handelingen een band van verknochtheid bestaat; dat ze ervan uitgaat dat er in casu niet zulk een band bestaat; Overwegende dat het tweede onderdeel van het tweede annulatiemiddel dat in de verzoekschriften tegen de tweede bestreden handeling wordt aangevoerd nauw verband houdt met de grieven die elders in de verzoekschriften tegen de eerste bestreden handeling worden aangevoerd; dat de verzoekende partij inzonderheid aanvoert dat beide bestreden handelingen inzonderheid met schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn gesteld doordat ze tot gevolg hebben dat de vertegenwoordiging van de consumenten, zowel bij het bepalen van de nieuwe criteria betreffende de representativiteit van de consumentenverenigingen als bij de eigenlijke aanwijzing van de vier vertegenwoordigers van de consumenten in de Commissie voor de Mededinging, uitsluitend en op willekeurige wijze aan één enkele organisatie wordt toegekend; Overwegende dat voor de onderscheiden onderwerpen van de beroepen tot nietigverklaring dezelfde regeling geldt en dat daarvoor een gezamenlijk onderzoek en gezamenlijke debatten vereist zijn; dat de beide bestreden handelingen dermate nauw met elkaar verbonden zijn dat, gesteld dat ze het onderwerp van twee verschillende beroepen zouden uitmaken, er in het belang van een goede rechtsbedeling grond zou bestaan om ze in eenzelfde geding te behandelen; dat de nietigverklaring van de eerste bestreden handeling overigens bij wijze van consequentie kan leiden tot de nietigverklaring van de tweede bestreden handeling, voorzover het tegen die handeling gerichte beroep ontvankelijk is; dat het bijgevolg V - 1458-1375 - 5/14 raadzaam is de beroepen als een geheel te behandelen en daarover met een enkele beslissing uitspraak te doen; dat de eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid die door de verwerende partij is opgeworpen bijgevolg moet worden afgewezen; Overwegende dat de verwerende partij eveneens aanvoert dat de beroepen tot nietigverklaring niet-ontvankelijk zijn voorzover zij tegen de tweede bestreden handeling zijn gericht, aangezien de verzoekende vereniging op elk verzoekschrift slechts een maal fiscale zegels ter waarde van vierduizend frank heeft aangebracht; Overwegende dat, gelet op de nauwe verknochtheid tussen de beide handelingen vermeld in elk verzoekschrift, het recht van vierduizend frank slechts een maal per verzoekschrift behoefde te worden gekweten, hetgeen in casu wel degelijk het geval is geweest; dat de tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid die door de verwerende partij is opgeworpen, eveneens moet worden afgewezen; Overwegende dat de verwerende partij ten slotte aanvoert dat de beroepen tot nietigverklaring doelloos zijn voorzover ze gericht zijn tegen het koninklijk besluit van 17 mei 1993 houdende de benoeming van de leden van de Commissie voor de Mededinging; dat ze in dit verband verwijst naar de onderscheiden wijzigingen die zich in de samenstelling van die Commissie hebben voorgedaan ten gevolge van het vaststellen van verscheidene besluiten die in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zijn en die door de verzoekende partij niet bestreden zijn; Overwegende dat het koninklijk besluit van 5 september 2001 houdende de benoeming van de leden van de Commissie voor de Mededinging inzonderheid de benoeming of de aanwijzing inhoudt van de vierentwintig werkende leden van de Commissie voor de Mededinging, waarvan twee werkende leden de consumenten vertegenwoordigen; dat daaruit volgt dat het koninklijk besluit van 17 mei 1993 houdende de benoeming van de leden van de Commissie voor de Mededinging, de tweede handeling waarvan in de verzoekschriften sprake is, stilzwijgend maar zeker opgeheven is; dat de beroepen tot nietigverklaring dan ook doelloos zijn geworden voorzover ze op dat koninklijk besluit van 17 mei 1993 betrekking hebben; dat de beroepen bijgevolg verworpen dienen te worden voorzover ze op de tweede bestreden handeling betrekking hebben; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel, dat in beide verzoekschriften op dezelfde wijze uiteengezet wordt, de schending aanvoert van de artikelen 29, 66, tweede lid, en 78 (lees: 37, 107, tweede lid, en 105) van de Grondwet, van artikel 22 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de V - 1458-1375 - 6/14 economische mededinging, alsook machtsoverschrijding, doordat in de bestreden bepaling van het koninklijk besluit van 30 april 1993 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor de Mededinging wordt voorgeschreven dat de Koning de criteria inzake representativiteit bepaalt, terwijl die bevoegdheid betreffende de "samenstelling" in geen enkele wetsbepaling vervat is, zodat daarvoor een bijzondere opdracht van bevoegdheid door de wetgevende macht vereist was; dat ze opmerkt dat uit geen enkele bepaling van de Grondwet volgt dat de reglementaire uitvoeringsbevoegdheid die aan de Koning is opgedragen, meebrengt dat Hij bevoegd is om de criteria te bepalen inzake de representativiteit van de werkende leden van de Commissie voor de Mededinging die de consumenten vertegenwoordigen, aangezien het noodzakelijk was dat de wetgevende macht daartoe een bijzondere opdracht van bevoegdheid zou verlenen; dat bij artikel 22 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging evenwel niet zulk een opdracht van bevoegdheid wordt verleend, hetgeen tot gevolg heeft dat de Koning de criteria inzake de representativiteit van de consumentenorganisaties niet mocht bepalen; dat daaruit volgt dat de Koning niet mocht voorzien in nieuwe criteria, die verschilden van de tot dan toe aanvaarde criteria, maar dat Hij daarentegen alleen mocht verwijzen naar de gebruikelijke criteria inzake representativiteit die gewoonlijk in de andere wetsbepalingen worden gehanteerd; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opmerkt dat artikel 22 van de wet van 5 augustus 1991 wel degelijk de opdracht van bevoegdheid aan de Koning inhoudt welke vereist was opdat Hij de objectieve criteria inzake representativiteit kon bepalen die vervat zijn in de bestreden bepaling van het koninklijk besluit van 30 april 1993 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor de Mededinging, en dat uit de Grondwet voortvloeit dat de Koning, die de draagwijdte van de wet weliswaar niet mag beperken, vrij de middelen mag kiezen om het doel te bereiken dat door de wetgever is vastgesteld; dat ze er voorts op wijst dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State, in haar advies over het ontwerpbesluit dat het koninklijk besluit van 30 april 1993 is geworden, geen enkele opmerking heeft gemaakt over de omstandigheid dat de Koning zijn macht en zijn uitvoeringsbevoegdheid zou hebben overschreden door het bepalen van de criteria inzake representativiteit die door de verzoekende partij worden bestreden; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt dat de Grondwet het de Koning juist ook al niet mogelijk maakt de draagwijdte van de wet uit te breiden, ze aan te vullen, ze te wijzigen of de leemten ervan op te vullen; dat ze voor het overige volhoudt dat artikel 22 van de wet van 5 augustus 1991 geenszins impliceert dat de Koning ertoe gemachtigd zou V - 1458-1375 - 7/14 zijn de criteria inzake de representativiteit van de consumentenorganisaties te bepalen; dat de Koning, die dat in het voormelde koninklijk besluit van 30 april 1993 wel heeft gedaan, wel degelijk, zonder enige uitdrukkelijke machtiging terzake, de leemten van een lacuneuze wet heeft opgevuld en wel op zulk een wijze dat Hij de draagwijdte ervan heeft beperkt; dat de verzoekende partij voorts stelt dat het vaste rechtspraak is dat de afdeling Administratie van de Raad van State geenszins gebonden is door het feit dat de afdeling Wetgeving zich van elke kritiek onthouden heeft wat de ontworpen bepaling van het koninklijk besluit van 30 april 1993 betreft; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie volhoudt dat de Koning zijn bevoegdheid wel degelijk heeft overtreden door iets toe te voegen aan de wet van 5 augustus 1991 door er een ruimere strekking aan te geven en door de leemten ervan op te vullen; Overwegende dat de verwerende partij daarop in haar laatste memorie antwoordt dat het prerogatief van de Koning om de samenstelling van de Commissie voor de Mededinging te bepalen niet beperkt is tot de aanwijzing van de leden ervan maar ook het bepalen van de criteria inzake representativiteit kan omvatten; dat de wet van 5 augustus 1991, waarbij aan de Koning de bevoegdheid wordt opgedragen om de samenstelling van de Commissie voor de Mededinging te bepalen, Hem noodzakelijkerwijze ook bevoegd gemaakt heeft om eventuele criteria te bepalen voor het vaststellen van die samenstelling en dat die bevoegdheid noodzakelijkerwijze de bevoegdheid tot het vaststellen van selectie- of representativiteitscriteria omvat; Overwegende dat bij artikel 22 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging aan de Koning uitdrukkelijk de bevoegdheid wordt opgedragen om de samenstelling en de werking van de Commissie voor de Mededinging te bepalen; dat zulk een opdracht van bevoegdheid aan de Koning geen enkele draagwijdte zou hebben als daarbij aan de Koning geen grotere bevoegdheid tot het uitvoeren van de wet van 5 augustus 1991 zou worden verleend dan die welke Hij hoe dan ook krachtens artikel 108 van de Grondwet heeft; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 augustus 1991 uitdrukkelijk blijkt dat het wel degelijk de bedoeling van de wetgever is geweest de Koning ertoe te machtigen de samenstelling van de Commissie voor de Mededinging aldus vast te stellen dat die Commissie, gelet op de taken die aan haar worden opgedragen, bestaat uit vertegenwoordigers van organisaties die representatief zijn voor de onderscheiden betrokken sectoren; dat, aangezien er geen juridische voorschriften bestaan waarbij de representativiteit van de consumentenverenigingen op algemene wijze wordt geregeld, de Koning bijgevolg binnen de perken is gebleven van de bevoegdheid die V - 1458-1375 - 8/14 aan Hem bij artikel 22 van de wet van 5 augustus 1991 wordt opgedragen, door ervan uit te gaan dat de bevoegdheid om de samenstelling van de Commissie voor de Mededinging te bepalen eveneens de bevoegdheid meebrengt om te bepalen aan welke criteria inzake representativiteit de organisaties, en inzonderheid de consumentenorganisaties, moeten voldoen opdat bepaalde van hun leden als werkend of plaatsvervangend lid van de Commissie benoemd of aangewezen kunnen worden; dat het eerste middel van de verzoekschriften bijgevolg ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste onderdeel van het tweede middel van de verzoekschriften de schending aanvoert van de artikelen 6 en 6bis (lees: 10 en 11) van de Grondwet, alsook schending van het proportionaliteitsbeginsel en machtsoverschrijding, doordat bij de bestreden bepaling van het koninklijk besluit van 30 april 1993 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor de Mededinging nieuwe criteria worden bepaald inzake de representativiteit van de consumentenorganisaties, terwijl die criteria alleen gelden voor de samenstelling van de Commissie voor de Mededinging, zodat een verschillende behandeling waarvoor geen enkele rechtsgrond bestaat, wordt ingevoerd tussen de consumentenorganisaties die tot dan toe als representatief werden beschouwd; dat ze erop wijst dat krachtens de bestreden bepaling voortaan vereist is dat de consumentenorganisaties de belangen van de consumenten vertegenwoordigen op alle gebieden die de consumenten aanbelangen en dat het vereiste van het criterium van onafhankelijkheid ten aanzien van de overheid niet lijkt te kunnen samengaan met het feit dat bepaalde consumentenorganisaties overheidssubsidies hebben gekregen voor het uitvoeren van welbepaalde enquêtes; dat zulke criteria buitensporig lijken in het licht van het nagestreefde doel maar ook ten aanzien van de gevolgen van de maatregel; dat deze opvatting van de uitvoerende macht des te meer verbaast daar ze indruist tegen de geest van het koninklijk besluit van 9 december 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 februari 1964 houdende instelling van de Raad voor het Verbruik, waarvan artikel 2 bepaalt dat de Raad is samengesteld uit "achttien leden ter vertegenwoordiging van de consumentenorganisaties", hetgeen voor een ruime en evenwichtige representativiteit zorgt; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opmerkt dat zij niet inziet in welke mate het feit criteria op te leggen, zoals het daadwerkelijk uitoefenen van een activiteit die erop gericht is de belangen van de consumenten te verdedigen op alle gebieden die hen aanbelangen en de onafhankelijkheid ten aanzien van de overheid, een discriminatie oplevert of niet in verhouding zou staan tot het nagestreefde doel; dat ze er tevens op wijst dat de V - 1458-1375 - 9/14 uitgebreidheid van de doelstellingen die nagestreefd moeten worden door de consumentenorganisaties waaruit de vertegenwoordigers worden gekozen, kan worden verklaard door de uitgebreidheid van de taken van de Commissie voor de Mededinging en dat de zorg van de Commissie voor de Mededinging om zich in haar beleid onafhankelijk van de politiek op te stellen volkomen in de lijn ligt van de adviesopdracht die aan dat gespecialiseerd orgaan is opgedragen; dat ze daarop laat volgen dat het de Raad van State uiteraard niet toekomt om zich in de plaats van de bestuursoverheid te stellen door een oordeel te vellen over de opportuniteit van het gevolgde beleid en dat het bestreden besluit aansluit bij een tendens in de wetgeving en de rechtspraak die zich in verschillende lidstaten van de Europese Unie voordoet; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord opmerkt dat zij, afgezien van de vereniging Test-Aankoop, de enige belangrijke vereniging is die de consumenten vertegenwoordigt en dat het duidelijk is dat de gekozen criteria opzettelijk aldus zijn verdraaid dat het in feite mogelijk werd om het monopolie van de representativiteit aan Test-Aankoop te verlenen; dat ze ervan uitgaat dat deze dermate beperkende opvatting van de representativiteit van de consumenten kennelijk alleen gehanteerd is om haar uit te sluiten en Test- Aankoop te bevoordelen en dat het bewijs van deze bevoordeling te vinden is in het feit dat de Koning het niet nodig heeft geacht een even strikt representativiteitscriterium te hanteren voor de leden van de Commissie voor de Mededinging die andere betrokkenen dan de consumenten vertegenwoordigen; dat ze daarop laat volgen dat de bestreden bepaling totaal niet in verhouding staat tot het nagestreefde doel, aangezien ze duidelijk tot gevolg heeft dat de meerderheid van de organisaties die de informatie en de bescherming van de consumenten tot doel hebben, uitgesloten worden en aangezien in het koninklijk besluit van 9 december 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 februari 1964 houdende instelling van de Raad voor het Verbruik daarentegen gekozen is voor een ruime en evenwichtige vertegenwoordiging van de consumentenorganisaties; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie volhoudt dat zij het slachtoffer is van een discriminatie doordat het averechts gevolg van de representativiteitscriteria die door de Koning zijn uitgevaardigd erin bestaat dat zij uit de Commissie voor de Mededinging wordt gesloten en dat daardoor gezorgd wordt voor een representativiteitsmonopolie van de consumentenorganisatie Test- Aankoop; dat ze daarop laat volgen dat deze discriminatie niet kan worden aanvaard, ten eerste, omdat de categorieën van personen waartussen in casu een ongelijkheid wordt aangevoerd perfect vergelijkbaar zijn, aangezien het om twee verenigingen ter verdediging van de consumenten gaat, en, ten tweede, omdat het voorbeeld van de V - 1458-1375 - 10/14 Raad voor het Verbruik bewijst dat het perfect mogelijk is minder strikte criteria te hanteren om ervoor te zorgen dat de onderscheiden verenigingen ter verdediging van de consumenten overeenkomstig de wens van de wetgever daaraan meewerken; dat ze ten slotte opmerkt dat het feit dat er in de tweede bestreden handeling vanuit is gegaan dat de omstandigheid overheidssubsidies te hebben genoten, voor een organisatie die de consumenten vertegenwoordigt tot gevolg heeft dat ze van die overheid afhankelijk wordt, eveneens een kennelijke dwaling omtrent de beoordeling vormt en bijgevolg een discriminatie in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; Overwegende dat de verwerende partij daarop in haar laatste memorie antwoordt dat het feit dat als criteria inzake representativiteit wordt geëist dat de organisatie daadwerkelijk een activiteit uitoefent die erop gericht is de belangen van de consumenten te verdedigen op alle gebieden die hen aanbelangen en dat ze onafhankelijk is ten aanzien van de overheid en van de beroepskringen, pertinente criteria oplevert die volkomen gerechtvaardigd zijn in het licht van de bevoegdheden van de Commissie voor de Mededinging; dat ze daarop laat volgen dat de verzoekende vereniging, waarvan sommige leden rechtspersonen zijn die de beroepskringen vertegenwoordigen, niet voldoet aan de wettelijke criteria inzake representativiteit binnen de Commissie voor de Mededinging en dat het feit dat Test- Aankoop voor het ogenblik in België de enige representatieve consumentenorganisatie is die aan die criteria voldoet, er in generlei opzicht kan toe leiden dat de wettigheid kan worden betwijfeld van die criteria, die overigens aansluiten bij de wetgeving in onze buurlanden; dat het immers volkomen gewettigd is erop toe te zien dat de vertegenwoordigers van de consumenten een bepaalde eigenheid bezitten en bijgevolg onafhankelijk zijn ten aanzien van de politiek en de beroepskringen; Overwegende dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet uitsluiten dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is; dat het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel; Overwegende dat artikel 22 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging de Koning heeft gemachtigd om de V - 1458-1375 - 11/14 samenstelling van de Commissie voor de Mededinging te bepalen; dat uit het onderzoek van het eerste middel blijkt dat deze opdracht van bevoegdheid aldus dient te worden geïnterpreteerd dat de Koning gemachtigd wordt de criteria vast te stellen waaraan de consumentenorganisaties moeten voldoen om vertegenwoordigd te kunnen worden in de Commissie voor de Mededinging; dat, in het kader van de aldus aan de Koning toegekende beoordelingsvrijheid, het vanzelfsprekend niet aan de Raad van State toekomt om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die welke de Koning heeft gegeven; dat de Raad van State daarentegen alleen een eventuele kennelijke beoordelingsfout kan veroordelen, die als consequentie een discriminatie oplevert in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; Overwegende dat artikel 21 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging aan de Commissie voor de Mededinging uitdrukkelijk de bevoegdheid heeft verleend om een advies uit te brengen over bepaalde ontwerpen van besluit genomen in uitvoering van deze wet, en, meer algemeen, over alle vraagstukken van algemeen mededingingsbeleid; dat, gelet op het aldus nagestreefde doel, op de algemene adviesbevoegdheid die aldus aan de Commissie is toevertrouwd, alsook op de wil die uitdrukkelijk te kennen is gegeven tijdens de parlementaire voorbereiding, namelijk dat deze Commissie haar adviezen volledig onafhankelijk zou uitbrengen en samengesteld zou zijn uit representatieve organisaties van de verschillende betrokken sectoren, de Koning er redelijkerwijs van uit is kunnen gaan, met toepassing van de Hem bij artikel 22 van dezelfde wet verleende machtiging, zonder een kennelijke beoordelingsfout te begaan, of zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden, dat alleen kunnen worden vertegenwoordigd in de Commissie voor de Mededinging consumentenorganisaties die als wezenlijk doel hebben de bevordering en de verdediging van de algemene belangen van de consumenten op alle gebieden die hen aanbelangen, die deze doelstelling realiseren door middel van een effectieve werking en die onafhankelijk zijn van de overheid en de beroepsmiddens; dat de Raad van State in dit opzicht niet inziet, en de verzoekende partij trouwens niet concreet aantoont, dat de aldus vastgestelde criteria niet objectief zijn of dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel; dat de loutere omstandigheid dat een enkele consumentenorganisatie effectief beantwoordt aan deze criteria evenmin volstaat om aan te tonen dat er effectief schending is van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en dat de verzoekende partij evenmin beweert dat de Koning in werkelijkheid een daad van machtsafwending heeft gesteld door welbewust alleen criteria vast te stellen waaraan inderdaad slechts één organisatie beantwoordt; dat bovendien niets belet dat andere consumentenorganisaties ook aanspraak kunnen maken op vertegenwoordiging in de V - 1458-1375 - 12/14 Commissie voor de Mededinging, zodra zij zouden aantonen dat ze eveneens beantwoorden aan de representativiteitscriteria die geldig bepaald zijn door de Koning; dat ten slotte, het loutere verwijzen naar de nadere regels voor de samenstelling van de Raad voor het verbruik vanzelfsprekend evenmin volstaat om een eventuele schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet of van het evenredigheidsbeginsel aan te tonen in deze specifieke aangelegenheid van het oprichten van een Commissie voor de Mededinging in het kader van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging; dat het immers gaat om twee afzonderlijke gebieden die dienen voor verschillende doeleinden; dat het eerste onderdeel van het tweede middel bijgevolg niet gegrond is; Overwegende dat het tweede onderdeel van het tweede middel van elk van de verzoekschriften uitdrukkelijk gericht is tegen de artikelen 1, 2/, b), en 2, 2/, b), van het koninklijk besluit van 17 mei 1993 houdende de benoeming van de leden van de Commissie voor de Mededinging; dat hieruit volgt dat dit onderdeel onontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de beroepen, om de redenen die hierboven uiteengezet zijn, zelf niet meer ontvankelijk zijn in zoverre ze gericht zijn tegen dit koninklijk besluit van 17 mei 1993, BESLUIT: Artikel
  3. De zaken met de nummers A.52.819/V-1458 en A.52.821/V-1375 worden samengevoegd. Artikel
  4. De beroepen worden verworpen. Artikel
  5. De kosten van de beroepen, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 297,48 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ten belope van 148,74 euro elk. V - 1458-1375 - 13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op achtentwintig juni tweeduizend en vijf, door: de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, J. JAUMOTTE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Voorzitter, M.-Chr. MALCORPS J. DE BRABANDERE V - 1458-1375 - 14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.936 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.