id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.940 Rolnummer: A. 107057/V-1620 Zaak: Arrêt / Arrest 146940 - / - 28/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-29 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-07-02 22:12 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 146.940 van 28 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 146.940 van 28 juni 2005 A. 107.057/V-1620 In zake: SENOL Ersan, Vlamingenlaan 37 3550 Heusden-Zolder, tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. Tussenkomende partijen:
- DOOMS Philippe, Herendal 138, bus 25 1150 Brussel
- LEYENS Jacques, rue du Viaduc 13 7030 's Gravenbrakel,
- AUDENAERT Wernher, Stationsstraat 291 1700 Dilbeek,
- NOEL Philippe, Fort-Jacolaan 22 1180 Brussel,
- DORY Patrick, rue du Quinque 10 5100 Namen,
- WILLEMS Walter, Zonneboslaan 33 1820 Steenokkerzeel, V - 1620 - 1/7
- DE SOETE Alain, Kouterstraat 87 9070 Destelbergen,
- GILLET Jacques, Barbeellaan 27 1160 Brussel,
- VANDEVYVERE Philippe, Generaal-Jacqueslaan 202/6 1050 Brussel,
- MOITROUX Grégory, Breughelstraat 3 1800 Vilvoorde. ----------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het op 6 juli 2001 ingediende verzoekschrift, waarbij Ersan SENOL, inspecteur van politie aangesteld als hoofdinspecteur, de nietigverklaring vordert van: - de beslissing tot toewijzing van de 43 betrekkingen die in bijlage D bij de nota van 14 september 2000 vacant zijn verklaard onder reeksnummer 061-0121, met de vermelding BRUSSEL-BIL en 20; - de uit de bestreden toewijzingsbeslissing blijkende impliciete weigering om die betrekking toe te wijzen aan verzoeker; Gezien de op 24, 26 en 27 september 2001 ingediende verzoekschriften, waarbij Philippe DOOMS, Jacques LEYENS, Wernher AUDENAERT, Philippe NOEL, Patrick DORY, Walter WILLEMS, Alain DE SOETE, Jacques GILLET, Philippe VANDEVYVERE en Grégory MOITROUX vragen als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 8 november 2001, die de tussenkomende partijen tot de debatten toelaat; Gezien de regelmatig uitgewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door de heer M. LEFEVER, eerste auditeur bij de Raad van State, op grond van artikel 12 van het algemeen procedurereglement; V - 1620 - 2/7 Gelet op de beschikking van 3 november 2003, die de neerlegging ter griffie van het verslag en het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 maart 2005, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij bepaald wordt dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 21 april 2005om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Mevr. S. GEHLEN, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van de heer Peter VERHEYDEN, adviseur, die voor de verwerende partij verschijnt, en van Mr. Carine FLAMAND, advocaat, die voor de laatste negen tussenkomende partijen verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van de heer M. LEFEVER, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de volgende voor het onderzoek van het beroep dienstige feiten aan de zaak ten grondslag liggen:
- Op 14 september 2000 worden betrekkingen van lid R4 (keuronderofficier) en R5 (lager onderofficier) bij verschillende BOB-brigades vacant verklaard, waaronder 43 betrekkingen (35 F en 8 N) bij de brigade Brussel. Deze betrekkingen zijn volgens dat bericht organiek bestemd voor tweetaligen en de officieel tweetaligen hebben voorrang op de eentaligen die hebben doen blijken van de praktische kennis van de tweede taal. Volgens het bericht bestaan er voor de toewijzing van de betrekkingen ook drie prioriteitscategorieën, die te maken hebben met de omvang van de ervaring die reeds in een BOB-functie werd verworven. Kandidaten van de lagere prioriteitscategorieën komen alleen in aanmerking bij ontstentenis van voldoende waardevolle kandidaten uit de hogere categorieën. Het wordt niet betwist dat verzoeker behoort tot de eerste prioriteitscategorie. V - 1620 - 3/7
- Verzoeker kandideert voor de BOB-brigade Brussel, maar wordt niet aangewezen. Volgens de stukken van het administratief dossier zou hij hiervan individueel op de hoogte zijn gesteld, maar het dossier bevat geen stuk waaruit dit laatste blijkt.
- Op 19 december 2000 verneemt verzoeker dat er onder de kandidaten die zijn aangewezen voor de brigade Brussel vijf Nederlandstaligen van de tweede prioriteitscategorie zijn en dat ze voorrang op hem zouden hebben gekregen omdat ze tweetalig zijn. Op het daartoe bestemde formulier "Model B" verklaart hij dat hij daarmee niet akkoord gaat omdat hij tot de eerste prioriteitscategorie behoort en omdat hem was meegedeeld dat de tweetaligheid enkel een bepalend element is binnen dezelfde prioriteitscategorie. Hij besluit als volgt: "Bijgevolg vraag ik aan uw diensten of er geen andere mogelijkheid bestaat dan deze van de Raad van State".
- In een interne nota d.d. 29 december 2000 wordt uiteengezet dat voor de toekenning van de betrekkingen met betrekking tot verzoeker rekening is gehouden met: - de uitslag die hij behaald heeft in de kennistest en zijn indeling in categorie 1, - de voorrang die wordt gegeven aan de tweetaligen, - de anciënniteit van de kandidaten, - de voorkeur van de kandidaten, en met het feit dat verzoeker niet voor onmiddellijke benoeming in aanmerking kwam. Verzoeker heeft op 8 februari 2001 een exemplaar van deze interne nota voor ontvangst ondertekend.
- Op 14 maart 2001 antwoordt de verwerende partij in een rechtstreeks aan verzoeker gerichte nota uitgebreider op zijn bezwaarschrift. Er wordt nu bijkomend het volgende meegedeeld: "
- In de PA, in Ref 1 vermeld, wordt in Bijl E gesteld dat de bedieningen bij de GGD BRUSSEL organiek bestemd zijn voor tweetaligen.
- Er werd voor de BOB BRUSSEL in de PA ook in een verdeling van het aantal bedieningen voorzien per taalstelsel. Alle bedieningen bestemd voor nederlandstaligen werden toegekend aan tweetaligen NNF of NNN met een beter resultaat dan WM SENOL. Aangezien er evenwel niet voldoende geslaagde kandidaten waren voor de franstalige bedieningen bij de BOB BRUSSEL werden die resterende bedieningen voor franstaligen, bij ontstentenis van tweetaligen van categorie 1 en ééntalig franstaligen van categorie 1 en 2, toegekend aan officieel tweetaligen (NNF) van categorie
- Gelet op wat voorafgaat kwam u, als ééntalige NNN, dan ook niet in aanmerking voor aanwijzing voor inzetting bij de GGD". V - 1620 - 4/7
- Op 15 april 2001 reageert verzoeker in een nieuw "Model B" op de hem verstrekte uitleg en vraagt hij dat de beslissing om hem niet aan te stellen zou worden herbekeken; Overwegende dat het inleidend verzoekschrift is ingediend op 6 juli 2001 en de nietigverklaring beoogt van handelingen waarvan verzoeker kennis heeft gekregen op 19 december 2000 of uiterlijk 29 maart 2001, de datum waarop hij de nota van 14 maart 2001 heeft ontvangen; dat derhalve de vraag rijst of het verzoekschrift ratione temporis ontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker, die zich ervan bewust is dat dat bezwaar kon worden geopperd, van meet af aan in zijn verzoekschrift poogt aan te tonen dat het niet te laat is ingediend; dat hij in hoofdzaak uiteenzet dat, bij ontstentenis van de vermeldingen bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wie voornemens is beroep in te stellen, over de noodzakelijke redelijke termijn beschikt om uit te zoeken welke verweermiddelen hij kan aanwenden tegen de beslissing die hij wenst aan te vechten; dat hij betoogt dat wat hem betreft die termijn niet is overschreden; dat hij aanvoert dat het recht van de voormalige rijkswachters en van de huidige leden van de federale politie om een "Model B" in te dienen -dat wil zeggen een bezwaarschrift- gebaseerd is op een jarenlang gebruik en dat het dus om een soort van georganiseerd beroep gaat waarop de overheid moet antwoorden, maar dat hij daarbij preciseert dat hij geen rechtsgrond daarvan heeft kunnen terugvinden in een tekst; dat hij stelt dat hij op 15 april 2001 een verzoek tot herziening heeft ingediend en dat de termijn om een annulatieberoep in te stellen op zijn vroegst op die datum is beginnen lopen; dat hij uiteenzet dat hij de nodige stappen heeft gezet om te komen tot een herziening van de voor hem negatieve toewijzingsbeslissingen en van de daaruit voortvloeiende impliciete beslissingen houdende weigering om hem aan te wijzen; dat volgens hem dus niet kan worden gesteld dat hij te lang zou hebben gewacht om zijn annulatieberoep in te stellen; dat hij die stelling verder ontwikkelt in zijn laatste memorie; dat hij, inzonderheid steunend op arrest nr. 20.686 van 4 november 1980 in zake Eeckman en Valcke, dat hij omstandig analyseert, betoogt dat de beroepsinstantie bevoegd is om de beslissing te herzien binnen een termijn van zestig dagen indien ernstige feiten en argumenten op regelmatige wijze worden aangebracht; dat hij van oordeel is dat zulks in dezen het geval is, wat volgens hem de overheid ertoe had moeten bewegen haar eerste beslissing te herzien; dat hij voorts uitvoerig argumenteert in verband met artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en deze V - 1620 - 5/7 laatste verzoekt aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen omtrent de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 92 en 93 van de voornoemde gecoördineerde wetten; Overwegende dat om te kunnen beslissen of het annulatieberoep al dan niet te laat is ingesteld, onderzocht moet worden met welke handelingen verzoeker, voordat hij zich tot de Raad van State heeft gewend, verzet heeft gedaan tegen de bestreden handelingen, en inzonderheid of betrokkene een georganiseerd dan wel een willig beroep heeft uitgeoefend; dat in het eerste geval de termijn van beroep bij de Raad van State geschorst of gestuit wordt tot het tijdstip waarop uitspraak wordt gedaan over het voorafgaande georganiseerd beroep, terwijl in het tweede geval het zogenaamd willig beroep de termijn schorst noch stuit; Overwegende dat in het onderhavige geval het bezwaarschrift bij wege van een formulier "Model B" genaamd bij geen enkele regelgevende tekst wordt geregeld; dat een gebruik in dezen niet kan worden gelijkgesteld met een wets- of verordeningsbepaling; dat het "Model B" dat verzoeker op 19 december 2000 heeft ingediend, derhalve een willig beroep oplevert waarop de overheid niet verplicht was te antwoorden en dat geen enkele weerslag gehad heeft op de berekening van de termijn van beroep vóór de Raad van State; dat vaststaat dat verzoeker op 19 december 2000 kennis heeft gehad van de door hem betwiste aanwijzingen, en bij wijze van gevolg van de impliciete weigering, vervat in de bestreden aanwijzingen, om hem aan te stellen; dat verzoeker geen enkele tekst aanvoert waaruit zou blijken dat die aanwijzingen hem moesten worden ter kennis gebracht en dat de Raad van State geen kennis heeft gehad van een zodanige tekst; dat artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat alleen de persoonsgerichte beslissingen betreft die aan de adressaten moeten worden ter kennis gebracht, derhalve in dezen niet van toepassing is; Overwegende dat de beroepstermijn is beginnen lopen de dag volgend op die waarop verzoeker kennis heeft gekregen van de aangevochten aanwijzingen; dat die termijn, die is beginnen lopen op 20 december 2000, verstreken is op 18 februari 2001; dat het op 6 juli 2001 ingediende verzoekschrift te laat komt; dat er geen grond bestaat om het Arbitragehof de prejudiciële vraag te stellen die verzoeker in zijn laatste memorie heeft geformuleerd, daar de vordering niet- ontvankelijk is op een proceduregrond ontleend aan een rechtsregel die op zich niet het onderwerp van de vraag vormt, V - 1620 - 6/7 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 1239,50 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ten belope van 123,95 euro elk. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op achtentwintig juni tweeduizend en vijf, door: de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Voorzitter, M.-Chr. MALCORPS. J. DE BRABANDERE. V - 1620 - 7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.940 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div