id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.971 Rolnummer: A. 132613/VII-28903 Zaak: Arrest 146971 - - 29/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-04 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 20:19 Fiche Arrest nr 146.971 van 29 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 146.971 van 29 juni 2005 in de zaak A. 132.613/VII-28.903 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat C. PEETROONS, kantoor houdende te 6821 LACUISINE-FLORENVILLE, rue de la Forêt 67 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oezbeekse nationaliteit, op 3 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 3 januari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 11 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 10 mei 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 juni 2005; VII-28.903-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. PEETROONS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 26 oktober 2000 en verklaarde zich op 12 juni 2001 vluchteling. 1.
- Op 3 juli 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 3 januari 2003 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U, een staatsburger van Oezbekistan verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat u Oezbekistan verlaten hebt omwille van uw vader, V. M.. In september 2000 liet uw vader u van en naar huis begeleiden door een veiligheidsagent. Ongeveer begin oktober 2000 ging u alleen naar de markt en werd u door een onbekende man aan de arm gegrepen. Hij trok u in de richting van een auto en u begon hard te roepen. Veel mensen kwamen rondom u en de man liet u los en vertrok. Vanaf toen begon u een beetje te stotteren. Nog rond oktober 2000 raakte uw vader betrokken in een auto-ongeval. Uw vader zei dat hij het gevoel had dat dit ongeval geen toeval was. U weet immers niet met wie uw vader problemen had. In oktober 2000 verliet u, samen met uw vader, Oezbekistan. Hij diende op 26 oktober 2000 een asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten. Uw broer, Voroshchuk Pavel diende samen met zijn gezin reeds op 19 mei 2000 een asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten. Op 7 juni 2001 overleed uw vader in België. Op 12 juni 2001 diende u zelf een asielaanvraag in in België. U bent niet in het bezit van enig document. Er dient te worden opgemerkt dat u voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat u Oezbekistan hebt verlaten omwille van uw vader (CGVS, p.2). U stelde ook dat u niet weet met wie uw vader problemen kende (CGVS, p.6). Bijgevolg kan gesteld worden dat u zich volledig baseert op de motieven die uw vader tot staving van zijn VII-28.903-2/4 asielaanvraag heeft ingeroepen. In het kader van de asielaanvraag van deze laatste werd op 9 april 2001 een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen wegens het vreemde karakter van zijn aanvraag. Bijgevolg kan er in het kader van uw asielaanvraag evenmin besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie.". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de formele motiveringsplicht zoals vervat in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij stelt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die de weigering baseert op de beslissing welke t.a.v. haar vader was genomen, in de bestreden beslissing de motieven van deze weigering had moeten verduidelijken; Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de weigeringsbeslissing die werd genomen t.o.v. van de vader van de verzoekende partij, op wiens asielaanvraag zij zich had gesteund; dat niet wordt aangetoond dat deze beslissing ter kennis werd gebracht van de verzoekende partij of haar bekend was; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 3 januari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-28.903-3/4 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vijf, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-28.903-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.971 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div