← België

Arrest 146976 - - 29/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.976 Rolnummer: A. 140540/XIV-16425 Zaak: Arrest 146976 - - 29/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-11 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 20:19 Fiche Arrest nr 146.976 van 29 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.976 van 29 juni 2005 in de zaak A. 140.540/XIV-16.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 12 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 mei 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 11 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-16.425-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Russische nationaliteit, komt een eerste maal in België binnen op 19 november 1996, waar hij zich op 22 november 1996 een eerste maal vluchteling verklaart. 1.
  4. Op 5 december 1996 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 20 maart 1997 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken en wordt de eerste asielaanvraag van verzoeker definitief afgesloten. 1.
  6. Na naar zijn land van herkomst te zijn teruggekeerd, komt verzoeker op 23 januari 1999 een tweede maal in België binnen waar hij zich op 27 januari 1999 een tweede maal vluchteling verklaart. 1.
  7. Op 6 mei 1999 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 9 juli 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. XIV-16.425-2/8 U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u werd verstuurd op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
  9. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  10. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “
  11. Eerste middel: Schending van het artikel 63/3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het redelijkheidsbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel en van het algemene rechtsbeginsel tot waarborg van de rechten van verdediging. Dat verzoekers' asielaanvraag niet binnen een redelijke termijn door het Commissariaat- generaal behandeld werd, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Immers verzoeker vroeg in België op 27 januari 1999 de status van vluchteling aan. Op 6 mei 1999 werd door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten genomen. Op 11 mei 1999 werd door verzoeker tegen deze beslissing een dringend beroep ingediend bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Op 9 juli 2003, derhalve meer dan vier jaar na het indienen van zijn asielaanvraag en van zijn dringend beroep, werd een beslissing door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen genomen ten aanzien van verzoeker. Dat derhalve kan gesteld worden dat elke redelijke termijn overschreden werd. Dat daarenboven de betreden beslissing het artikel 63/3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, (Titel III, Hoofdstuk Ibis) schendt. Dat dit artikel duidelijk het volgende stelt: “de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of een van zijn adjuncten bevestigt de aangevochten beslissing of beslist dat een verder onderzoek noodzakelijk is en dat de betrokkene voorlopig toegelaten wordt tot binnenkomst, verblijf of vestiging in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling in afwachting van een beslissing in de zin van artikel 57/6 eerste lid, 1, binnen dertig werkdagen na de indiening van het beroep.” Dat deze termijn door de Commissaris-generaal ruim overschreden werd. Dat bovendien het algemene rechtsbeginsel tot waarborg van de rechten van verdediging geschonden wordt doordat alleen de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft volgens het artikel 57/11 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan optreden indien binnen de termijn bepaald in artikel 63/3, eerste lid geen beslissing na indiening van het dringend beroep door de Commissaris- generaal genomen werd. Dat het Arbitragehof in zijn arrest van 13 november 1996 stelde dat het artikel 57/11 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het bepaalt dat de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft, de Vaste Beroepscommissie kan adiëren indien de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over een dringend beroep geen XIV-16.425-3/8 uitspraak heeft gedaan binnen de termijn bepaald in artikel 63/3, eerste lid, van de genoemde wet, maar aan de asielzoeker niet hetzelfde recht toekent.”; 2.1.2.
  12. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel tot waarborg van de rechten van verdediging; dat verzoeker aanvoert dat zijn asielaanvraag niet binnen een redelijke termijn werd behandeld; 2.1.2.
  13. Overwegende dat verzoeker niet kan worden gevolgd; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat hij zijn asielaanvraag indiende op 27 januari 1999 en dat de bestreden beslissing dateert van 9 juli 2003; dat bijgevolg de gehele procedure iets meer dan 4 jaar en 5 maanden in beslag nam; dat, hoewel zulks weliswaar een lange termijn is, deze termijn niet als onredelijk kan worden beschouwd, gezien de immense toevloed aan asielaanvragen gedurende die periode en gezien het feit dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen elke asielaanvraag aan een gedetailleerd individueel onderzoek onderwerpt; dat waar verzoeker vervolgens verwijst naar de termijn van 30 werkdagen van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet om tot een beslissing te komen in het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, erop dient te worden gewezen dat hieraan geen sanctie is verbonden; dat de vraag rijst welk belang verzoeker heeft bij het inroepen van een eventuele schending van deze bepaling, aangezien hij, zolang er geen uitspraak was gedaan over zijn dringend beroep, gerechtigd was op het grondgebied van het Rijk te verblijven; dat verzoeker verder aanvoert dat zijn rechten van verdediging werden geschonden en daarbij verwijst naar het arrest van het Arbitragehof van 13 november 1996 waarin werd gesteld dat artikel 57/11, § 2 van de Vreemdelingenwet een schending inhield van de artikelen 10 en 11 van de grondwet; dat verzoeker er op dient te worden gewezen dat artikel 57/11, § 2 van de Vreemdelingenwet ingevolge dit arrest van het Arbitragehof achteraf door de federale wetgever werd opgeheven; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.
  14. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “
  15. Tweede middel : schending van de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de hoorplicht en de rechten van verdediging. Dat verzoeker dd. 6 mei 1999 bij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een dringend beroep indiende tegen de beslissing van weigering van verblijf hem door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken betekend. Dat verzoeker bij de behandeling van zijn dringend beroep door de Commissaris- generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet mondeling werd gehoord. Dat door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen de hoorplicht en de rechten van verdediging van verzoeker geschonden worden, wanneer hij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf neemt ten aanzien van verzoeker XIV-16.425-4/8 zonder hem uit te nodigen voor een verhoor waarin hij zijn relaas en standpunt kan doen kennen. Dat nochtans de Raad van State van oordeel is dan tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die steunt op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Dat de bevestigende beslissing tot gevolg heeft dat verzoeker België dient te verlaten. Dat niet kan ontkend worden dat door voormelde beslissing, gesteund op verzoekers persoonlijke gedragingen en dito motieven, verzoekers belangen, meer zelfs verzoekers vrijheid en leven, zwaar bedreigd en/of aangetast worden. Dat ook VAN HEULE in “Vluchtelingen. Een overzicht van de wet van 6 mei 1953" meent dat gezien de bijzonderde persoonlijke aard van de (on)ontvankelijkheidsbeslissingen een mondeling interview door de Commissaris- generaal zich opdringt. Dat de Commissaris-generaal bij de behandeling van het dringend beroep moet nagaan of verzoeker naar zijn land van herkomst kan worden teruggeleid. Dat enkel in een mondeling verhoor verzoekers uitgedrukte persoonlijke vrees kan worden geëvalueerd. Dat verzoeker derhalve bij de behandeling van zijn dringend beroep door de Commissaris-generaal mondeling dient te worden geïnterviewd. Dat dit in casu niet het geval was, waardoor de hoorplicht geschonden werd. Dat verzoekers rechten van verdediging geschonden werden doordat hij niet de kans kreeg tijdens een mondeling verhoor op het Commissariaat-generaal zijn relaas uiteen te zetten.”; 2.2.2.
  16. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de hoorplicht en de rechten van verdediging”; dat verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt hem niet te hebben verhoord; 2.2.2.
  17. Overwegende dat verzoeker erop dient te worden gewezen dat het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratief beroep is en geen jurisdictioneel beroep; dat het beginsel van de rechten van verdediging niet van toepassing is op deze administratieve beslissing; dat er geen enkele wettelijke bepaling is die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verplicht een kandidaat-vluchteling mondeling te horen; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  18. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “
  19. Derde middel: Schending van de artikelen 52, § 2, 4/ en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen Machtsmisbruik. Dat de bestreden beslissing, welke aan verzoeker werd betekend, aangetast is door machtsmisbruik en de artikelen 52, §2, 4/ en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schendt, wanneer deze stelt dat verzoeker binnen de maand geen gevolg gaf aan het verzoek om inlichtingen. Dat door de Commissaris-generaal aan verzoeker een aangetekend schrijven van verweerder werd overgemaakt met het verzoek "schriftelijk mee te delen of hij de XIV-16.425-5/8 procedure tot het bekomen van de status van vluchteling wenste voort te zetten en of er zich andere familieleden van verzoeker in België bevinden". Omdat verzoeker dit "verzoek om inlichtingen" niet heeft beantwoord, werd door de Commissaris-generaal een bevestigende beslissing dd. 9.07.2003 genomen, steunend op het art. 52 van de Vreemdelingenwet. Dat verweerder zijn macht misbruikte door onterecht toepassing te maken van art. 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet. Dat verzoeker vaststelt dat het verzoek "schriftelijk mee te delen of hij de procedure tot het bekomen van de status van vluchteling wenst voort te zetten en of er zich andere familieleden van verzoeker in België bevinden" van de Commissaris-generaal niet kan gelijkgesteld worden met de "vraag om inlichtingen" zoals gesteld in het artikel 52 §2, 4/ van de Vreemdelingenwet , zodat verweerder onterecht toepassing maakte van voormeld artikel. Dat immers dergelijk verzoek geen enkele verdere of gedetailleerde precisering en uitleg aangaande verzoekers asielprocedure vordert, doch enkel de bevestiging vraagt van de voortzetting van de procedure, welke nochtans evident is gezien verzoeker zelf nog geen afstand van zijn ingeleide procedure deed, en de opsomming vordert van in België aanwezige familieleden van verzoeker, over wiens bestaan hij nochtans in het verhoor op het Commissariaat-generaal, als gevolg van het door verzoeker ingediende dringende beroep, verzoeker uitgebreid kan ondervragen. Dat derhalve het verzoek "schriftelijk mee te delen of hij de procedure tot het bekomen van de status van vluchteling wenst voort te zetten en of er zich andere familieleden van verzoeker in België bevinden" van verweerder niet kan gelijkgesteld worden met de "vraag om inlichtingen" zoals gesteld in het (het) artikel 52 §2, 4/ van de Vreemdelingenwet Dat de bevestigende beslissing, dd. 9.07.2003, genomen ten aanzien van verzoeker, niet afdoende gemotiveerd is. Dat verzoeker wil verwijzen naar het arrest van de Raad van State dd. 22 juni 2001 (niet gepubliceerd) waarin de Raad van State stelde dat de oproepingsbrief die van de kandidaat-vluchteling geen verdere precisering of bijkomende uitleg verder en alleen tot doel heeft elementen van de kandidaatvluchteling te eisen welke hij reeds aan het Commissariaat-generaal overmaakte, niet met de "vraag om inlichtingen" zoals gesteld in het artikel 52 §2, 4/ van de Vreemdelingenwet, kan gelijkgesteld worden (cf. stuk 2). Dat de bestreden beslissing, welke aan verzoeker werd betekend, aangetast is door machtsmisbruik en de artikelen 52, §2, 4/ en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schendt, wanneer deze stelt dat verzoeker binnen de maand geen gevolg gaf aan het verzoek om inlichtingen.”; 2.3.2.
  20. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “de artikelen 52, §2, 4/ en 62 van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”; dat verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verder nog machtsmisbruik verwijt; dat verzoeker stelt dat “het verzoek ‘schriftelijk mee te delen of hij de procedure tot het bekomen van de status van vluchteling wenst voort te zetten en of er zich andere familieleden van verzoeker in België bevinden’”, vervat in de hem aangetekend verzonden brief, niet kan worden gelijkgesteld met de “vraag om inlichtingen” zoals bedoeld in artikel 52, §2, 4/ van de Vreemdelingenwet; 2.3.2.
  21. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij bij ter post aangetekende brief verzoeker om inlichtingen verzocht; dat deze brief met name de vraag bevatte of verzoeker de procedure tot het bekomen van de status van vluchteling in België wenste voort te zetten alsook de vraag of er zich familieleden van hem XIV-16.425-6/8 in België bevonden die eveneens een asielaanvraag hadden ingediend; dat bovendien de brief uitdrukkelijk vermeldde dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gerechtigd was een weigeringsbeslissing te nemen indien verzoeker binnen een maand na de verzending niet had geantwoord op het verzoek om inlichtingen; dat bijgevolg de stelling van verzoeker dat de brief “alleen tot doel (had) elementen van de kandidaat-vluchteling te eisen welke hij reeds aan het Commissariaat-generaal overmaakte”, niet kan worden aangenomen; dat, gelet op de bewoordingen van artikel 52, §2, lid 4 van de Vreemdelingenwet en gelet op het feit dat in de brief expliciet de aandacht van verzoeker werd gevestigd op dit artikel dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een weigeringsbeslissing te nemen, het niet kennelijk onredelijk is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de asielaanvraag van verzoeker onontvankelijk verklaarde, zonder uitspraak te doen over de zaak zelf; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen derhalve zijn bevoegdheid niet overschrijdt door zijn beslissing te funderen op de in artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet bepaalde grond; dat het derde middel niet gegrond is;
  22. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  23. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  24. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.425-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vijf, door: de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.425-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.976 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.