id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.977 Rolnummer: A. 140453/XIV-16392 Zaak: Arrest 146977 - - 29/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-11 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 20:19 Fiche Arrest nr 146.977 van 29 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.977 van 29 juni 2005 in de zaak A. 140.453/XIV-16.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 14 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 25 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 11 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-16.392-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Iraanse nationaliteit, komt in België binnen op 10 december 2000 waar hij zich op 12 december 2000 vluchteling verklaart. 1.
- Op 12 december 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 17 juli 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing: “(...) A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger verklaarde problemen te hebben gekregen met de autoriteiten omwille van uw nakende bekering tot het Christendom. In de 9de maand van 1379 (volgens de Perzische kalender, stemt overeen met November/ december 2000 volgens de Gregoriaanse kalender) verliet u uw land. Op 12/12/2000 vroeg u asiel in België. U bent in het bezit van uw boekje van burgerlijke stand. U ging voor het eerst naar een samenkomst voor Christenen in opleiding in aban 1999 (midden november 1999). Deze samenkomst ging niet door in een Kerk, maar op een privé adres. Broeder R. kwam de geïnteresseerde moslims onderrichten. U weet niet tot welke protestantse tak deze broeder behoorde of aan welke Kerk hij verbonden was. Ongeveer 1 maand voor u het land verliet werd u gearresteerd omdat u een dergelijke samenkomst had bijgewoond. U werd aangehouden en twee dagen vastgehouden. U werd gedurende uw opsluiting geslagen. U werd ervan beschuldigd zich bekeerd te hebben. U kwam vrij door tussenkomst van een vriend en mits u zich zou aanbieden voor de rechtbank wanneer u dat gevraagd werd. Nadien werd regelmatig door de autoriteiten nagegaan of u nog in het land verbleef. U zocht en vond een mensensmokkelaar die u het land kon uithelpen. Sinds uw verblijf in België frequenteert u het Christian Center in Brussel en werd u officieel lid van die geloofsgemeenschap. U vreest bij een eventuele terugkeer naar Iran met de dood bestraft te worden vanwege deze bekering. Tijdens uw verblijf hier in België ontving u van uw vrouw een convocatie van het Iraanse gerecht. B. Motivering XIV-16.392-2/7 Vooreerst blijkt dat de door u voorgelegde convocatie geen originele kopie betreft, zoals u verklaarde. Uit het onderzoek naar de authenticiteit van het document, waarvan een kopie aan het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat de convocatie vals is , daar zij niet aan een aantal vormelijke en inhoudelijke vormvereisten voldoet, en kan er dus geen bewijskracht van uitgaan. Gezien u het Commissariaat-Generaal probeerde te misleiden met het voorleggen van dit document, komen uw verklaringen ernstig in het gedrang (fraus omnia corrumpit). Verder is het toch wel zeer merkwaardig dat u niet weet tot welke Kerk de broeder behoorde die u onderrichtte noch weet tot welke tak van het Protestantisme hij de aanwezigen zou bekeren (gehoorverslag CGVS, p.6). Ook de waarachtigheid van uw eigenlijke interesse voor het bijbelonderricht, kan bijgevolg in twijfel worden getrokken. Uw verklaringen stemmen bovendien niet overeen met de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd. Uit de informatie blijkt dat vele moslims Kerken bezoeken, zonder problemen te ondervinden. Het is dus helemaal niet zo dat moslims geen vieringen kunnen bijwonen, zoals u beweerde (gehoorverslag CGVS, p.6). Het is ook weinig geloofwaardig dat u aangehouden werd voor een samenkomst van Moslims met interesse voor een andere religie (gehoorverslag CGVS, p.7), gezien uit de informatie blijkt dat de Iraanse autoriteiten perfect op de hoogte zijn van het feit dat Islamieten de Kerken frequenteren, maar zij hier niet tegen optreden. Bovendien was u op dat moment nog helemaal niet bekeerd. Ook uw bekering in België kan een actuele vrees niet verantwoorden. Uit de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt, blijkt dat alhoewel apostasie in principe streng zou moeten worden bestraft, geen actief vervolgingsbeleid wordt gevoerd tegenover bekeerlingen zolang het geloof niet te openlijk wordt beleden. Dus zelfs indien de autoriteiten op de hoogte zouden zijn van uw bekering hier in België, heeft u bij een eventuele terugkeer weinig te vrezen. De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard dat zij bovenstaande vaststellingen kunnen wijzigen. Uw boekje van burgerlijke stand en de kopieën van deze van uw echtgenote en kinderen geven een aanwijzing betreffende uw identiteit en burgerlijke stand. Uw rijbewijs bevestigt dat u de toestemming kreeg in Iran om een voertuig te besturen. De twee legerkaarten bevestigen dat u uw legerdienst deed en reservist was. Het doopcertificaat van het Christian Center betreft uw eigenlijke bekering in België. De door u voorgelegde convocatie werd reeds hierboven besproken. De twee attesten van de door u gevolgde lessen in België bevestigen uw interesse voor het Nederlands. Geen van bovenstaande documenten kan echter de manifest bedrieglijke aard van uw asielaanvraag wijzigen. Gelet op het voorgaande kan voor u geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals voorzien in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: XIV-16.392-3/7 “Schending van artikel
- A van het verdrag van Genève van 28 juli 1951, artikel 52 -62 van de Vreemdelingenwet, de materiële uitdrukkelijke motiveringsplicht in bestuurszaken (art.2 en 3 van de wet van 29 juli 1991), de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging Aangezien de Commissaris-generaal de asielaanvraag onontvankelijk heeft verklaard op twee gronden: - valsheid van de voorgebrachte oproep door de Rechtbank - geen kennis over het feit tot welke Kerk broeder Rassoul behoort en tot welke tak hij wil bekeren - informatie van het CGVS waaruit blijkt dat de facto niet wordt opgetreden tegen apostasie. A. Valsheid van de voorgebrachte oproep door de Rechtbank Aangezien het CGVS als bewijs van de voorgehouden valsheid van het document twee anonieme en vooral NIET ONDERTEKENDEN verklaringen van advocaten in Teheran voorbrengt dd 24 juni 2003 en dd 25 juni
- Dat evenwel onze wetgeving toepasselijk is met name de geijkte valsheidsprocedure waarbij de partij die het stuk voorbrengt de kans moet krijgen om het tegendeel te bewijzen; Dat zolang de valsheidsprocedure niet heeft aangetoond dat het document vals is dient het als waar te worden beschouwd; Dat een anonieme verklaring de rechten van verdediging en vooral de beginselen van bestuur miskend; Dat verzoeker overigens een kopij (origineel in bezit van advocaat) voorbrengt van de briefomslag waarmee de oproep werd verzonden; B. Geen kennis van verzoeker over tot welke Kerk Broeder Rassoul behoort Aangezien de motiveringplicht wordt miskend nu het CGVS zelf niet aangeeft tot welke kerk Broeder Rassoul behoort daar verzoeker verwonderd was over het feit dat op zijn antwoord "Protestant" ontkennend werd geantwoord. Dat broeder Rassoul de aanwezigheden ook uitleg gaf over het Protestantisme. Dat om verduidelijking werd gevraagd door verzoeker dewelke NIET werd bekomen zodat het kennelijk onredelijk is de asielaanvraag om dergelijk detail onontvankelijk te verklaren; Dat immers uit het gehoorverslag blijkt dat verzoeker elk detail wist, zelfs hoe de misdiensten verliepen, zodat het hem tot op heden nog onduidelijk is waarom thans de indruk wordt gelaten dat het antwoord foutief was; C. Het CGVS zou beschikken over informatie waaruit blijkt dat apostasie niet wordt vervolgd Aangezien uit de nieuwbladen het tegendeel blijkt en het CGVS trouwens in de bestreden beslissing blijkt : "dat alhoewel apostasie in principe streng zou moeten worden bestraft, geen actiefvervolgingsbeleid wordt gevoerd tegenover bekeerlingen zolang het geloofniet te openlijk wordt beleden;" (midden blz. 2); Dat dergelijke redenering kennelijk onredelijk is daar het zeer subjectief is te stellen: "in principe streng zou moeten worden bestraft ... zolang het geloofniet te openlijk wordt beleden " Dat het CGVS aldus toegeeft dat men streng kan bestraffen terwijl het woord(t) "niet te" voor elke interpretatie vatbaar is; Dat verzoeker immers werd opgepakt toen hij buiten de Kerk kwam (zie p. 7 van het verhoorverslag van het CGVS) zodat elkeen openlijk kon zien vanwaar verzoeker kwam! Dat derhalve ook hier de motiveringplicht wordt geschonden en de uitspraak kennelijk onredelijk en zelfs in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur die toch enige redelijkheid en duidelijkheid voorschrijven; Dat verzoeker zich overigens enkel in België heeft kunnen laten dopen omdat zulks uitermate riskant is in het land van herkomst. Aangezien niet kan ontkend worden dat voor het overige het verhaal zeer coherent en plausibel overkomt zodat niet mag getwijfeld worden aan het verhaal en dit in het voordeel van verzoeker speelt; Zie Handbook, nr. 196; Zie Gemeenschappelijk Standpunt Vluchtelingendefinitie, nr. 3; Zie J.Y. Carlier, "General Report", p 709, nr. 30; XIV-16.392-4/7 Dat gelet op de voorgaande het verzoeker totaal onduidelijk is waarom zijn asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard; Aangezien verzoeker dan ook, gelet op het voorgaande, de nietigverklaring vraagt van de beslissing van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd 17 juli 2003 betrekkelijk de bevestiging van de weigering van het verblijf op Belgisch Grondgebied;”; 2.2.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, op basis van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), in alle redelijkheid tot de conclusie kan komen dat de asielaanvraag van een kandidaat-vluchteling bedrieglijk is, door vast te stellen dat de verklaringen van deze tegenstrijdigheden bevatten of verward, onsamenhangend, onvolledig of inconsistent zijn, of omdat de asielzoeker gebruik maakt van valse documenten, of omdat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling niet stroken met hetgeen blijkt uit de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker ingaat op de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de door verzoeker neergelegde convocatie vals is; dat verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt zich hiervoor te baseren op twee anonieme en niet- ondertekende verklaringen van advocaten in Teheran; dat verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet eenvoudigweg kan verwijzen naar bepaalde informatie om daaruit te besluiten tot de valsheid van een document, zonder dit document te onderwerpen aan “de geijkte valsheidsprocedure”; dat verzoeker stelt dat hij “een kopij (...) voorbrengt van de briefomslag waarmee de oproep werd verzonden”; dat verzoeker eraan dient herinnerd dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gemachtigd is om objectieve gegevens in aanmerking te nemen ter beoordeling van de door verzoeker in het kader van zijn asielaanvraag aangevoerde elementen; dat de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert om te besluiten tot de valsheid van de door verzoeker neergelegde convocatie, zich in het administratief dossier bevindt en afkomstig is van de documentatie- en researchdienst Cedoca; dat uit dit Cedoca-document blijkt dat informatie werd ingewonnen bij twee deskundige en onafhankelijke Iraanse advocaten en op basis hiervan werd besloten dat de door verzoeker neergelegde convocatie niet voldoet aan een aantal formele en inhoudelijke vereisten, die in de informatie gedetailleerd worden beschreven; dat verzoekers kritiek betreffende de anonimiteit van de geraadpleegde advocaten, niet kan worden aangenomen, nu uit het Cedoca-document blijkt dat deze anonimiteit wordt verantwoord door “redenen van confidentialiteit”; dat verzoeker trouwens niet aantoont hoe deze anonimiteit verhindert de overwegingen van de geraadpleegde advocaten te weerleggen; dat dient vastgesteld dat verzoeker met geen enkel concreet element aantoont dat de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert, onjuist is; dat de door verzoeker neergelegde kopie van de briefomslag immers geen enkel bewijs inhoudt van XIV-16.392-5/7 de echtheid van de door verzoeker neergelegde convocatie; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in alle redelijkheid kon besluiten tot de valsheid van het door verzoeker neergelegde document; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker ingaat op het feit dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het “zeer merkwaardig” vindt dat verzoeker “niet weet tot welke Kerk de broeder behoorde die (hem) onderrichtte noch weet tot welke tak van het Protestantisme hij de aanwezigen zou bekeren”; dat verzoeker hieromtrent stelt dat hij heeft verklaard dat het ging om het protestantisme; dat de interviewer niet om een verdere specifiëring heeft gevraagd; dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat de interviewer uitdrukkelijk vroeg: “Van welke Kerk kwam die broeder?”, waarop verzoeker antwoordde: “Ik weet niet van welke Kerk hij exact kwam. Hij gaf ons de naam van zijn Kerk niet.”; dat de interviewer vervolgens zijn vraag herformuleerde en nogmaals uitdrukkelijk vroeg: “Weet u welke tak van protestantisme?”, waarop verzoeker antwoordde: “We gingen niet zo ver om verschillende takken van protestantisme te kennen.”; dat het bijgevolg niet kennelijk onredelijk is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hieruit besluit dat het “zeer merkwaardig” is dat verzoeker “niet weet tot welke Kerk de broeder behoorde die (hem) onderrichtte noch weet tot welke tak van het Protestantisme hij de aanwezigen zou bekeren”; dat van een kandidaat-vluchteling, die zijn asielrelaas baseert op de problemen die hij in zijn land van herkomst ondervindt omwille van zijn geloofsovertuiging, in alle redelijkheid mag worden verwacht dat hij omtrent dergelijke essentiële zaken de nodige informatie weet te verschaffen; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker ten slotte nog ingaat op de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat ook verzoekers bekering in België een actuele vrees niet kan verantwoorden; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze overweging baseert op het feit dat uit de informatie waarover hij beschikt, blijkt dat “alhoewel apostasie in principe streng zou moeten worden bestraft, geen actief vervolgingsbeleid wordt gevoerd tegenover bekeerlingen zolang het geloof niet te openlijk wordt beleden”; dat verzoeker hieromtrent aanvoert dat “uit de nieuw(s)bladen het tegendeel blijkt”, doch nergens specifieert uit welk specifiek nieuwsbericht dit blijkt, laat staan dat hij een dergelijk persartikel bij zijn verzoekschrift voegt; 2.2.
- Overwegende dat dient besloten dat de bestreden beslissing voldoende feitelijk en rechtens relevante elementen bevat die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaten te besluiten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielrelaas; dat de schending van de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen niet aannemelijk wordt gemaakt; dat het enige middel niet gegrond is; XIV-16.392-6/7
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig juni tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.392-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.977 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.