id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.043 Rolnummer: A. 161279/VII-33764 Zaak: Arrest 147043 - - 30/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-05 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 20:28 Fiche Arrest nr 147.043 van 30 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.043 van 30 juni 2005 in de zaak A. 161.279/VII-33.764 In zake : Nadine FROMENT wonende te BRUSSEL Bemelstraat 59 tegen : 1. Kind & Gezin 2. de Vlaamse gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die beiden woonplaats kiezen bij advocaat St. VERBOUWE, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan 270. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Nadine FROMENT op 25 maart 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van Kind & Gezin vervat in de brief van 2 februari 2005 waarbij geen beginseltoestemming wordt verleend voor een interlandelijke adoptie; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 26 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 juni 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS ; VII-33.764-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. TASNIER, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat St. VERBOUWE, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur W. WEY- MEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.1. Overwegende, wat de rechtspleging betreft, dat de tweede verwerende partij -zoals zij zelf aangeeft- niet de auteur is van de bestreden beslissing en evenmin is betrokken geweest bij de totstandkoming ervan; dat zij derhalve buiten de zaak wordt gesteld; dat aldus, waar verder in dit arrest de “verwerende partij” wordt vermeld, de eerste verwerende partij wordt bedoeld; 1.2. Overwegende, steeds wat de rechtspleging betreft, dat de verzoekster op 1 juni 2005 nog een “memorie van antwoord” aan de Raad van State heeft toegezonden; dat, aangezien dit stuk niet is voorzien in het procedurereglement kort geding, het uit de debatten moet worden geweerd; 2. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 2.1. Op 7 april 2003 dient de verzoekster een “aanvraag ter verkrijging van een beginseltoestemming voor interlandelijke adoptie” in. In deze aanvraag specifieert zij dat zij de adoptie op het oog heeft van twee broers van 4 en 6 jaar, en van een meisje van 5 jaar. De kinderen zouden verblijven in twee verschillende tehuizen in Rusland. 2.2. Met een brief van 29 april 2003 deelt de verwerende partij aan de verzoekster mee dat Rusland geen zelfstandige adopties aanvaardt en dat via een erkende adoptiedienst (Horizon) zal moeten gewerkt worden. Daarnaast worden bijkomende inlichtingen gevraagd over de juridische ‘adoptabiliteit’ van de kinderen. 2.3. Met een op 2 september 2004 gedateerd verslag inzake de gezinsevaluatie interlandelijke adoptie, adviseert het evaluatieteam C.A.W. Mozaïek, VII-33.764-2/8 deelwerking De Hallen, negatief. In het uitgebreide gezinsrapport komen zowel de factoren die pleiten vóór het verlenen van een beginseltoestemming als deze die eerder negatief zijn, uitgebreid aan bod. 2.4. Met een op 27 september 2004 ter post aangetekende brief deelt de verwerende partij aan de verzoekster mee dat zij het voornemen heeft om op basis van het voormelde -en als bijlage gevoegde- gezinsrapport geen beginseltoestem- ming te verlenen en dat de verzoekster, indien zij niet akkoord gaat met deze beslissing, met een gemotiveerd verzoekschrift om een heroverweging kan vragen, in welk geval het dossier zal worden overgemaakt aan de “herzieningscommissie” voor advies. 2.5. Op 26 oktober 2004 dient de verzoekster een verzoek tot herziening in, waarin zij de bevindingen van het evaluatieteam tracht te weerleggen. 2.6. Op 12 januari 2005 geeft de adviescommissie inzake het verlenen van een beginseltoestemming tot interlandelijke adoptie het volgende advies: “De adviescommissie erkent de negatieve overwegingen en risicofactoren die door het evaluatieteam CAW Mozaïek werden geformuleerd en toegelicht in het gezinsrapport dd. 2 september 2004. C Mevrouw wil een specifiek kind, Maxime, adopteren. Ondertussen weet ze nog steeds niet of het kind adopteerbaar is. Er is weinig vooruitgang en concreets in de adoptieplannen. Ook over het adoptiekanaal heeft mevrouw zich niet geïnformeerd bij Kind en Gezin. C Mevrouw heeft niet veel contact met kinderen en heeft ook weinig ervaring in het omgaan met kinderen. C De leeftijd van mevrouw, in combinatie met het feit dat ze als alleenstaande wil adopteren, vormt een risicofactor naar het garanderen van continuïteit in de zorg voor een kind, maar eveneens op vlak van inleving en omgang met jonge kinderen die zeer eisend en belastend kunnen zijn. C Mevrouw heeft zich vooral via literatuur verdiept in het adoptiethema. Van daaruit is er een zekere inleving in de beleving van een adoptiekind. Een diepgaande beleving over hoe een adoptie voor het kind zou zijn, ontbreekt echter. C Mevrouw beschikt over heel wat kwaliteiten op menselijk vlak, maar het zijn niet deze eigenschappen en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor de opvoeding van een mogelijk ernstig getraumatiseerd adoptiekind. Dit onderscheid is niet duidelijker geworden voor mevrouw en leidt tot irreële verwachtingen. C De commissie is van oordeel dat de positieve factoren niet opwegen tegen de negatieve factoren.”. VII-33.764-3/8 2.7. Op 2 februari 2005 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Op basis van het ganse dossier en van het bijgevoegd negatief advies van de adviescom- missie besluit Kind & Gezin geen beginseltoestemming te verlenen. 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.1. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat de verzoekster als eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat zij doet gelden wat volgt : “‘Op basis van het ganse dossier en van dit advies verleent Kind en Gezin als centrale autoriteit geen beginseltoestemming’. Er kan moeilijk aangenomen worden dat dergelijke motivering voldoe(
- t)aan het criterium dat bepaalt dat elke administratieve rechtshandeling moet worden gesteund op draagkrachtige motieven, in rechte als in feite aanvechtbaar. In rechte wordt nergens gesteld waarom het verlenen van een beginseltoe- stemming in strijd zou zijn met het door het decreet van 15 juli 1997 vooropge- steld criterium van het belang van het kind. In feite blijkt dit ook niet uit het advies van het evaluatieteam, noch van de adviescommissie. De motiveringsplicht wordt dus geschonden”; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota aangaande dit eerste middel, samengevat, stelt dat, aangezien de verzoekster “beschikte over een voldoende kennis van de motieven die aan de beslissing ten grondslag lagen en die met name verwoord zijn in het gezinsrapport en het eensluidend advies van de adviescommissie waarnaar Kind & Gezin in de bestreden beslissing verwijst”, in casu geen sprake is van een schending van de formele motiveringsplicht; dat zij, wat de materiële motiveringsplicht betreft, doet gelden dat de verzoekster geen enkele van de overwegingen van de adviescommissie inhoudelijk bekritiseert, en niet aantoont dat de overwegingen van het evaluatieteam en van de adviescommissie ofwel gebaseerd zijn op feiten die niet met de werkelijkheid overeenstemmen, ofwel niet van aard kunnen zijn om een weigering van de beginseltoestemming te verantwoor- den; VII-33.764-4/8 3.1.3. Overwegende dat het middel, zoals hierboven weergegeven, beperkt is tot de schending van de formele motiveringsverplichting; dat het immers in geen enkel opzicht aangeeft waarom de motieven inhoudelijk “aanvechtbaar” zouden zijn; Overwegende dat bij de brief van 27 september 2004, waarbij het voornemen tot weigering van een beginseltoestemming aan verzoekende partij wordt ter kennis gebracht, het gezinsrapport als bijlage werd gevoegd; dat bij de kennisgeving van de thans bestreden beslissing de verzoekster tevens in kennis werd gesteld van het advies van de adviescommissie; dat zowel het voornoemde gezinsrapport als het advies omstandig en zeer concreet gemotiveerd zijn, zodat de verzoekster kennis heeft van de motieven die tot de weigering van de beginseltoe- stemming hebben geleid en de formele motiveringsplicht niet geschonden lijkt te zijn; dat het middel niet ernstig is; 3.2.1. Overwegende dat de verzoekster als tweede middel de schending aanvoert van artikel 4,§3, van het decreet van 15 juli 1997 inzake interlandelijke adoptie; dat zij het middel als volgt toelicht : “Blijkens artikel 4§3 van het decreet van 15 juli 1997 wordt bij het verlenen van de beginseltoestemming uitgegaan van het belang van het kind. Overwegende dat de weerhouden motieven om de beginseltoestemming te weigeren voorbijgaan aan het criterium van het belang van het kind. Dat het belang van het kind duidelijk is en namelijk dat het in het belang van het kind is dat deze een ‘statuut’ bekomt door middel van de adoptie, statuut dat het niet heeft. Dat dit statuut hem rechten geeft en een mogelijkheid biedt tot ontplooiing welke hem niet kunnen gegarandeerd worden in een asiel waar de zorgverlening afhankelijk is van de beperkte middelen; Dat dit tweede middel gegrond is”; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota repliceert dat het criterium van het belang van het kind, zoals vermeld in artikel 4, § 3, het decreet van 15 juli 1997 inzake interlandelijke adoptie, tot doel heeft dat bij de afweging van de verschillende elementen die aan bod komen in het gezinsrapport, steeds het belang van het kind primeert en niet de adoptiewens van de kandidaat-adoptant, dat de draagwijdte die de verzoekster eraan lijkt te geven, met name dat het voornaamste belang van het kind erin zou bestaan dat het een beter wettelijk statuut zou hebben, getuigt van een zeer enge benadering van het voormelde criterium; dat de verwerende partij ter ondersteuning van haar standpunt verwijst naar de preambule van het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van VII-33.764-5/8 de interlandelijke adoptie, het zgn. Haagse Verdrag, en besluit dat op basis van de tekst van dit verdrag kan worden besloten dat de interlandelijke adoptie tot doel moet hebben om aan een kind, waarvoor geen geschikt gezinsverband kan worden gevonden in zijn land van herkomst, een vast gezinsverband te bieden, waarin dit kind kan opgroeien in een sfeer van geluk, liefde en begrip, en dat het verbeteren van de financiële positie van het kind duidelijk niet primeert; dat zij verder stelt dat, na de afweging van de positieve elementen en de bestaande risicofactoren, werd geoordeeld dat deze laatste de bovenhand haalden, en aldus impliciet werd gesteld dat aan het criterium van het belang van het kind niet was voldaan; dat zij besluit dat in het licht van de werkelijke draagwijdte die aan het begrip “belang van het kind” moet worden gegeven, de verzoekster er niet in slaagt om aan te tonen dat dit criterium met de voeten werd getreden; 3.2.3. Overwegende dat met de verwerende partij lijkt te moeten worden aangenomen dat het criterium “belang van het kind” - dat wel degelijk de rode draad lijkt te zijn doorheen het uitgebreide gezinsrapport en het advies- ruimer is dan de interpretatie die de verzoekster eraan geeft, namelijk het verkrijgen van een “statuut” en daardoor betere mogelijkheden tot ontplooiing dan in een “asiel”; dat de verzoekster niet aantoont dat de bestreden beslissing, waarin wordt verwezen naar het dossier en dus naar de omstandige afweging van pro’s en contra’s in de voormelde stukken, kennelijk onredelijk blijkt te zijn; dat het middel niet ernstig is; 3.3.1. Overwegende dat de verzoekster een derde middel put uit de schending van het redelijkheidsbeginsel; dat dit middel luidt als volgt : “Het bestreden besluit neemt gegevens uit het privé-leven van vertoogster in aanmerking om de beginseltoestemming te weigeren, gegevens die indien zij van enig belang zijn bij het nemen van een beslissing waarbij een beginseltoestem- ming wordt toegestaan aan vertoogster hadden moeten worden meegedeeld wanneer zij de procedure is begonnen zoals leeftijd en het statuut van alleenstaande. Als dit een risicofactor is dan diende vertoogster hierop te worden gewezen. Totaal onredelijk en onjuist in feite is het nemen van een negatieve beslissing op basis van het feit dat vertoogster ‘één specifiek kind wil adopteren’ daar op basis van het verslag zelve al blijkt dat vertoogster niet eens wist of het kind dat zij had bezocht adopteerbaar was. Dergelijke beslissing kan niet gerechtvaardigd worden. Tenslotte wordt het redelijkheidsbeginsel eveneens geschonden wanneer een negatieve beslissing wordt genomen op grond van de appreciatie van gebreken en kwaliteiten van het individu zonder specificatie dezer. Dat het de Raad behoort te beoordelen of de overheid haar beslissing op redelijke en in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund”; VII-33.764-6/8 3.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota antwoordt dat de verzoekster niet aantoont dat de aanvankelijke beslissing en de beslissing na heroverweging van kennelijke onredelijkheid zouden getuigen, dat inzake het al dan niet verlenen van een beginseltoestemming naast de verplichting om het voorberei- dingsprogramma te volgen en de evaluatie te ondergaan, enkel wordt uitgegaan van het belang van het kind, dat noch de hogere leeftijd van de verzoekster, noch het feit dat zij alleenstaande is als dusdanig een beletsel zou kunnen zijn voor de toekenning van een beginseltoestemming, dat het evenwel aan het evaluatieteam en aan de adviescommissie toekomt om in eer en geweten een afweging te maken van de kwaliteiten van de aanvrager en de risicofactoren, dat in casu de adviesorganen hebben geoordeeld dat verzoeksters leeftijd, gekoppeld aan haar gezinssituatie, een risicofactor uitmaakte die, samen met de vaststelling dat nog andere risicofactoren aanwezig waren de balans heeft doen omslaan naar een negatief advies; dat zij daaraan toevoegt dat haar bezwaarlijk kan worden verweten dat zijn geen exhaustie- ve lijst van factoren die tot een weigeringsbeslissing zouden kunnen leiden heeft opgemaakt, aangezien zij dan in strijd met de bestaande regelgeving zou handelen, dat, ten slotte, het niet geheel duidelijk is in hoeverre het onredelijk zou zijn van het evaluatieteam om te stellen dat het gegeven dat de beginseltoestemming werd aangevraagd met oog op de adoptie van een specifiek kind enerzijds, en het gegeven dat de verzoekster geen stappen ondernam om de adopteerbaarheid van dit kind te onderzoeken anderzijds, onverzoenbaar zijn; 3.3.3. Overwegende dat, na lezing van het gezinsrapport en het advies van de adviescommissie, bezwaarlijk kan worden staande gehouden dat het dossier werd behandeld met een zekere vooringenomenheid omwille van de leeftijd en de gezinssituatie van de verzoekster; dat deze factoren immers telkens in een ruimer kader werden beoordeeld en werden betrokken bij andere vaststellingen -en vragen- omtrent verzoeksters beleving van het hele adoptiegebeuren; dat het overigens precies de bedoeling lijkt te zijn van een dergelijke evaluatie dat, op grond van wat de verzoekster noemt de “gegevens uit het privé-leven” van een kandidaat- adoptant, de geschiktheid van deze kandidaat wordt onderzocht middels de afweging van pluspunten en tegenindicaties, zoals dat in casu is gebeurd; dat verzoeksters stelling dat het onjuist zou zijn dat zij “één specifiek kind” zou willen adopteren, wordt tegengesproken door de gegevens van het dossier; dat de bestreden beslissing het eindpunt is van een lange procedure waarin de aanvraag grondig werd onderzocht; dat de verwerende partij niet lijkt verweten te kunnen worden dat zij aan het begin van die procedure vooruit zou zijn gelopen op de eindbeslissing; dat bovendien VII-33.764-7/8 alsdan aan de verwerende partij precies vooringenomenheid zou zijn kunnen verweten; dat ook het derde middel niet ernstig is, BESLUIT: Artikel 1. De Vlaamse gemeenschap wordt buiten de zaak gesteld. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni tweeduizend en vijf, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-33.764-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.043 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.777 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div