id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.044 Rolnummer: A. 160475/VII-33615 Zaak: Arrest 147044 - - 30/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-28 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 20:29 Fiche Arrest nr 147.044 van 30 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.044 van 30 juni 2005 in de zaak A. 160.475/VII-33.615 In zake : Jo SMOLDERS, die woonplaats kiest bij advocaat B. DELTOUR, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Bevrijdingslaan 4, bus 1 tussenkomende partij : de n.v. MAFRANS, die woonplaats kiest bij advocaat A. VLEMINCKX, kantoor houdende te LEUVEN, Vital Decosterstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jo SMOLDERS op 1 maart 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 13 december 2004 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij “na een proeftermijn, aan de n.v. MAFRANS definitieve vergunning wordt verleend voor de uitbreiding van een drukkerij gelegen aan de Grote Baan 276 te Haacht”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON ; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-33.615-1/13 Gelet op de beschikking van 7 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 juni 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS ; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. DELTOUR, die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat I. VANDEN BON die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat A. VLE- MINCKX, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende, wat de rechtspleging betreft, dat de n.v. MAFRANS, begunstigde van de bestreden milieuvergunning, met een verzoekschrift van 22 maart 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd;
- Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen samengevat worden : 2.
- De n.v. MAFRANS exploiteert een drukkerij aan de Grote Baan te Haacht. De drukkerij is gespecialiseerd in het bedrukken en vervaardigen van verpakkingsmaterialen voor allerhande voedingsmiddelen (zoals boter, kazen, margarine, frituurvetten, chocolade,...). Tijdens het productieproces worden inkten en lijmen gebruikt die oplosmiddelen bevatten. Die oplosmiddelen kunnen, wanneer ze in de lucht terechtkomen, geurhinder veroorzaken in de onmiddellijke omgeving van de inrichting. De n.v. MAFRANS is sinds 1995 gevestigd aan de Grote Baan te Haacht. De drukkerij is gesitueerd in een klein industriegebied dat nagenoeg volledig wordt ingenomen door de bedrijfsgebouwen. Het industriegebied is omringd door een verkavelde woonzone met een dertigtal woningen. De woning van verzoeker is gelegen aan de Neerstraat 181, aan de achterzijde van de drukkerij. VII-33.615-2/13 2.
- Voorliggend geschil gaat terug tot de milieuvergunningsaanvraag die de tussenkomende partij op 19 september 1996 heeft ingediend voor de uitbreiding van de bestaande drukkerij met : - een verhoging van het vergund vermogen van rubriek 11.
- tot 250 kW; - een verhoging van het vergund vermogen van rubriek 11.
- tot 13 kW; - de vervanging van een transformator met een nominaal vermogen van 300 kVA door een transformator met een nominaal vermogen van 400 kVA; - de toevoeging van een regeneratieve thermische oxidator voor de behandeling van de afgezogen afvalgassen om de geurhinder te voorkomen met een geïnstalleerd vermogen van de afzuiginstallatie en de oxidator van 23 kW. In essentie beoogt de exploitant met die aanvraag een vergunning te verkrijgen voor de ingebruikneming van een nieuwe Amber drukflexomachine (waardoor het aantal drukmachines van drie op vier wordt gebracht) en een nieuwe (tweede) cacheermachine (i.e. een machine voor het aanbrengen van een paraffine- laag op de verpakkingsmaterialen). Naast de uitbreiding van de productiecapaciteit van de drukkerij, heeft een ander deel van de aanvraag betrekking op de toevoeging aan de inrichting van een "regeneratieve thermische oxidator". De oxidator is een installatie die de afvalgassen die ontstaan tijdens het productieproces, behandelt, vooraleer die gassen via een schouw in de lucht worden uitgestoten. De verplichting om dergelijk systeem voor de behandeling van de afvalgassen te installeren gaat eigenlijk terug tot de basisvergunning van 15 februari
- Van die basisvergunning maakt immers een bijzondere exploitatievoorwaarde deel uit die voorschrijft dat "de afvoer van geoxideerde solventen moet worden verzekerd". 2.
- De gevraagde vergunning wordt bij besluit van 30 januari 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verleend voor een proeftermijn van twee jaar. Er worden een aantal bijzondere vergunningsvoorwaar- den opgelegd die erop neerkomen dat om de zes maanden emissiemetingen dienen te worden uitgevoerd. 2.
- Tegen voornoemd vergunningsbesluit worden verscheidene beroepen ingesteld bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling. Die beroepen zijn afkomstig van omwonenden, van de gemeente Haacht en van VII-33.615-3/13 de exploitant zelf die zich in het bijzonder kant tegen de verplichting van zesmaande- lijkse emissiemetingen. 2.
- Met een besluit van 24 juni 1997 bevestigt de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling het beroepen besluit, met dien verstande dat de in eerste aanleg verleende proefvergunning voor twee jaar wordt aangevuld met een aantal nieuwe bijzondere voorwaarden. Zeer bondig samengevat worden van de exploitant een drietal zaken verlangd tijdens de proefperiode: a. in totaal vier emissiemetingen laten uitvoeren (één meting om de zes maanden); b. een buffertank of "een gelijkwaardig systeem" installeren; c. een studie laten uitvoeren over het al dan niet voldoende zijn van de capaciteit van de geïnstalleerde thermische naverbrander. 2.
- De verzoekende partij heeft tegen voormeld besluit van 24 juli 1997 een annulatieberoep en een vordering tot schorsing ingesteld. De vordering tot schorsing werd verworpen bij arrest nr. 72.610 van 19 maart
- Bij arrest nr. 126.937 van 8 januari 2004 werd op grond van artikel 14quater van het algemeen procedurereglement de afstand van het annulatieberoep vastgesteld. Hetzelfde besluit werd eveneens aangevochten door de gemeente Haacht. Ook in deze zaak werd de afstand van het beroep vastgesteld op grond van het voormelde artikel 14quater van het algemeen procedurereglement. 2.
- Met een besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 20 januari 1999 wordt, na een proeftermijn, de milieuvergunning definitief verleend voor een termijn die samenvalt met de eindtermijn van de basisvergunning (m.n. tot 11 september 2015). Door dat besluit wordt ook de uitvoering van een nieuwe meting van de emissies opgelegd. Tevens moet de naverbrandingsinstallatie technisch doorgelicht worden door een erkend deskundige. 2.
- De verzoeker heeft ook tegen de definitieve vergunning van 20 januari 1999 een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing ingesteld. Bij arrest nr. 81.473 van 29 juni 1999 werd de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bevolen. Vervolgens werd die beslissing vernietigd bij arrest nr. 93.320 van 15 februari
- VII-33.615-4/13 2.
- Ingevolge voormeld vernietigingsarrest wordt de procedure hernomen. a. Op 10 april 2001 stelt de afdeling Milieu-inspectie, overeenkomstig artikel 40, § 2, 1/, a), van Vlarem I, een nieuw evaluatieverslag op. De conclusie van dat verslag luidt als volgt : “Het bedrijf Mafrans fungeert heden als een klasse 2 - inrichting. Desalniettemin heeft de afdeling Milieu-inspectie, al dan niet na klacht, een aantal waarnemingen verricht, waaruit bleek dat er geen milieuhinder kon vastgesteld worden. Een en ander werd bevestigd door de continue waarne- mingen van de VMM, wier rapport ter beoordeling aan de afdeling Preventie- ve en Sociale gezondheidszorg werd overlegd.” b. De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen deelt op 2 mei 2001 mee dat zij haar vroegere adviezen handhaaft en dat zij “geen bezwaar heeft tegen de omzetting van de op proef verleende vergunning naar een definitieve vergunning”. c. Op 11 mei 2001 adviseert het bestuur Milieuvergunningen de gevraagde milieuvergunning definitief te verlenen. d. Door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 21 mei 2001 eveneens voorgesteld om de op proef verleende vergunning om te zetten in een definitieve milieuvergunning voor een termijn die samenvalt met de geldigheidsduur van de basisvergunning. 2.
- Met een besluit van 13 december 2004 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur wordt aan de n.v. MAFRANS opnieuw een definitieve vergunning verleend voor de uitbreiding van haar inrichting. Dit is het thans bestreden besluit;
- Overwegende, wat de ontvankelijkheid van de vordering betreft, dat de tussenkomende partij ter terechtzitting afstand heeft gedaan van haar exceptie van laattijdigheid ;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen VII-33.615-5/13 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1.
- Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat de verzoeker in zijn verzoekschrift aanvoert : ?De onmiddellijk(e) uitvoering van het bestreden besluit berokkent de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Dat de door de NV. Mafrans veroorzaakte emissies reëel en voor de omwonenden uitermate hinderlijk zijn, kan thans, na bijna tien
(10)jaar exploitatie, niet in redelijkheid worden betwist. De talrijke klachten die verzoeker en andere omwonenden tot op heden indienden zijn nog amper te tellen. Zoals in het bestreden besluit zelf wordt gesteld is ethylacetaat de meest specifieke component van de emissies afkomstig van de drukkerij NV. Mafrans die werden/worden gemeten in de omgeving van het bedrijf. Deze stof veroorzaakt voornamelijk irritaties van de ogen en het ademhalingsstelsel. Onder invloed van vocht ontbindt deze stof in het sterk ruikende en agressieve azijnzuur en in ethanol (zie reeds de vergunning op proef dd. 24 juli 1997, zoals weerhouden op pagina 7, punt 2.
- van het arrest nr. 81.473 van 29 juni 1999 van uw Raad.) Deze stoffen zijn tevens giftig (zie feitenrelaas inzonderheid deel 1.1). Door de specificiteit van het productieproces van de N.V. Mafrans (drukken op niet absorberende materialen zoals aluminiumfolies en plastics voor verpakkingen van voedingsmiddelen) komen ook meer solventen vrij dan bij gewone drukprocédés op papier. Zonder dat het in de bestreden beslissing werd aangetoond dat deze jarenlange hinder voor de omwonenden intussen zou zijn verminderd -wel integendeel- wordt de reeds bestaande hinder door de vrijkomende solventen- dampen met de milieugunning bestendigd tot ten minste
- Het hoeft geen betoog dat deze geurhinder en het inademen van giftige solventendampen, die misselijkheid, hoofdpijn, irritaties, enz,.,. veroorzaken een ernstig nadeel uitmaken en dat dit nadeel niet te herstellen is. Verzoeker heeft op regelmatige basis last van deze solventen-emissies. Hij en andere omwonenden dienden talloze klachten in bij de overheid wegens sterke geurhinder dewelke hoofdpijn, duizeligheid, ademhalingsproblemen en oog- en keeLirritaties veroorzaken (zie stukken 12 en 13}. De verzoeker is daarenboven de bewoner van een direct aan het bedrijfster- rein palend huis en tuin. Hij is derhalve één van de directe omwonenden die het meest en het ergst geconfronteerd wordt met de hinder. Zelfs bij westenwinden in geval van windstilte lijdt de verzoeker dagelijks hinder. Naar de concrete ernstige gevolgen voor de gezondheid die met voormelde emissies gepaard gaan of kunnen gaan heeft men voorlopig nog het raden. Wel staat vast dat deze stoffen dermate ernstige gevolgen kunnen hebben. De Europese wetgever stelde desbetreffende reglementering vast en nam hierbij in overweging dat: ‘(...)derhalve preventieve maatregelen moeten worden genomen om de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen de gevolgen van de bijzonder schadelijke emissie ten gevolge van het gebruik van de organische oplosmiddelen en om de burger het recht op een schoon en gezond milieu te waarborgen;’ (considerans 7 van de aanhef van de Richtlijn nr. 1999/13/EG, 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij VII-33.615-6/13 bepaalde werkzaamheden en in installaties, P.B.L. 85 29maart 1999, blz. 1 (...)). In casu is dit des te zorgwekkender daar verzoeker weduwnaar is van Mevrouw Marguerite VAN HAUTE die op 7 mei 1999 overleed aan de gevolgen van een ernstige longaandoening (zie stukken 16 en 17). Verzoeker is nu opnieuw gehuwd en vader van een bijna negentien
(19)maanden oude baby. Het spreekt voor zich dat de vrees voor de gezondheid van het kindje uiterst gevoelig ligt gelet op het voorgaande (zie stuk 18). Artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 bepaalt dat een schorsing kan worden bevolen als de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ‘kan’ berokkenen. Een risico op een ernstig nadeel in hoofde van verzoeker is derhalve voldoende opdat uw Raad de schorsing zou bevelen. De bestreden beslissing stelt o.m. zelf dat: ‘Overwegende dat de vastgestelde overschrijding van de geurwaarneming (200 :g/m3) een geschatte waarde is waarbij wordt aangenomen dat er piekconcentraties kunnen voorkomen die een factor 10 hoger liggen dan de gemeten waarde (37 :g/m³}; dat de drempel voor geurherkenning (600 :g/m³) niet werd overschreden en dat tevens dient te worden opgemerkt dat deze verhoogde waarde werd gemeten op een zondag wanneer er in het bedrijf volgens de exploitant niet wordt gewerkt;’ Dat de bestreden beslissing hierdoor impliciet erkent dat er minstens risico’s bestaan. Het feit dat in het verleden een vergunning op proef werd verleend toont eveneens aan dat de vergunningverlenende overheid het mogelijke risico voor de volksgezondheid en het leefmilieu geenszins uitsluit. Het bestreden besluit (inzonderheid o.m. op pagina 6) stelt overigens zelf dat de realiteit en de ernst van geurhinder ook bijzonder moeilijk meet- en aantoonbaar is. Precies gelet op de aanhoudende schadelijke gevolgen die worden ondervon- den tengevolge van de exploitatie van de N.V. Mafrans en de daarmee gepaard gaande emissies van solventen hebben verzoeker en andere omwonenden van in den beginne deze inrichting aangevochten (cfr. supra). Als bewijs dat de hinder wel degelijk bestaat spreekt tevens uit de strafrechte- lijke veroordeling van de gedelegeerd bestuurder van de N.V. Mafrans (1.3) aanvankelijk bij vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven dd. 29 november 1999 en vervolgens bij arrest van 19 juni 2001 van de 15de kamer van het Hof van Beroep te Brussel. In deze strafprocedure (die enkel op strafgebied is beëindigd) stelden zich destijds niet minder dan 70 personen (lees: omwonenden) burgerlijke partij. Overigens is deze strafzaak op burgerlijk gebied nog niet beëindigd. Deskundigen werden aangesteld om o.m. het oorzakelijk verband tussen het overlijden van Mevrouw Van Haute en de emissies van de schadelijke stoffen door de exploitant aan te tonen (zie dienaangaande stukken 10 en 11). Naar aanleiding van een eerder quasi identiek contentieux waarbij door de bevoegde minister een definitieve milieuvergunning na een vergunning op proef, werd verleend, werd het toenmalige ministerieel besluit door uw Raad aanvankelijk geschorst bij arrest nr. 81.473 van 29 juni 1999 (vervolgens werd bij arrest nr. 93.320 van 15 januari 2001 datzelfde ministerieel besluit door uw Raad ook vernietigd (Zaak nr. A. 83.566/VII-18.202)). Dat uw Raad in voormeld schorsingsarrest dd. 29 juni 1999 aangaande het moeilijk te herstellen ernstig nadeel oordeelde dat: ‘3.2.2.
- De gevolgen van het bestreden besluit kunnen niet met kennis van zaken worden ingeschat precies doordat, (...) de eerste tussenkomende partij (nvdr de N.V Mafrans) tijdens de proefperiode heeft nagelaten de opgelegde metingen uit te voeren en doordat het bestreden besluit de vergunning VII-33.615-7/13 verleent zonder dat voorafgaandelijk behoorlijke metingen betreffende de piekemissies werden uitgevoerd.’ Uit de vergelijking van deze vorige -door uw raad vernietigde- milieuvergun- ning (klasse 1 dd. 20 januari 1999) en het bestreden besluit blijkt overigens dat kwestieuze drukkerij ten opzichte van 1998 de jaarlijks gebruikte hoeveelheid solventen zou hebben verdubbeld (van 28 ton in 1998 naar 56,6 ton in 2004). Ofwel werden destijds frauduleuze verklaringen afgelegd door de exploitant, ofwel is in tussentijd het solventengebruik zeer zwaar gestegen. De vergunning- verlenende overheid heeft de gevolgen van deze laatste hypothese niet eens kunnen inschatten wegens het totaal gebrek aan actuele onderzoeken en recente metingen. Verzoeker is derhalve van oordeel dat het bestaande (risico op een) nadeel in zijnen hoofde niet kan worden ontkend. Het bestreden besluit is immers een definitieve milieuvergunning die zal eindigen op 11 september
- De verzoeker bevestigt dat hij quasi dagelijks hinder ondervindt en regelmatig last heeft van duizeligheid, misselijkheid en irritaties van de luchtwegen. Deze symptomen duiden overduidelijk op een blootstelling aan solventen-emissies (zie stukken 5,6 en 7)”; 4.1.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota op repliceert : “III.
- Als nadeel haalt verzoekende partij geurhinder en het inademen van giftige solventendampen aan, die misselijkheid, hoofdpijn, irritaties enz. zouden veroorzaken. Tevens wijst verzoekende partij erop dat hij bewoner is van een huis dat direct aan het bedrijfsterrein paalt. III.
- In vorig arrest werd het MTHEN aangenomen door Uw Raad, op grond van het feit dat er geen voldoende gegevens waren om hierover te oordelen, hetgeen te wijten was aan een tekortkoming van de exploitant, die uit dit nalaten geen rechten kon putten. Door Uw Raad werd geoordeeld dat verwerende partij en het besluit op de één of andere manier niet uitsloten dat er geurhinder mogelijk was, daar toen bleek uit dat dossier dat er zich in suboptimale omstandighe- den nog problemen (inzake geurhinder) konden voordoen. Het was inderdaad zo dat in suboptimale omstandigheden, die zich slechts in bepaalde uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden voordeden, hogere emissies van een bepaalde hinderlijke stof voordeden. III.
- Thans is de situatie echter totaal verschillend. - Daar het vernietigingsarrest omtrent de beslissing die destijds geschorst was (cfr. MTHEN hiervoren net beschreven) net het feit hekelde dat niet voldoende gegevens voorhanden waren omtrent de (geur)hinder, en temeer uit het dossier bleek dat er het probleem inzake geurhinder nog niet volledig van de baan was, is het duidelijk dat in het kader van het rechtsherstel net deze problematiek uiterst grondig en met uiterste zorgvuldigheid werd aangepakt, waardoor thans wel degelijk voldoende wetenschappelijke en feitelijke gegevens voorhanden zijn omtrent de omvang van de (geur)hinder, naar aanleiding van vele metingen door erkende deskundigen. Thans werd de bestreden beslissing net genomen, en kon deze ook maar de aflevering van een definitieve vergunning inhouden, nadat gebleken is dat men zich niet alleen een correct en goed onderbouwd VII-33.615-8/13 beeld kon vormen van de mate van hinder die de exploitatie teweeg- brengt, doch uiteraard eveneens nadat gebleken is dat deze hinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt werd door alle maatregelen die door verwerende partij aan de exploitant werden opgelegd én uitge- voerd/nageleefd werden. Het staat buiten elke betwisting dat het de stof ethylacetaat is die de meest specifieke component van de emissies van de exploitatie uitmaakt. De hinder die deze stof veroorzaakt, dient beneden een aanvaardbaar niveau gehouden te worden, hetgeen evenmin betwist wordt, want dit is net wat de aanleiding gaf tot het verlenen van een proefvergunning: men wou in praktijk, concreet, op het terrein, door het effectief exploiteren van de inrichting, de effecten op mens en omgeving kunnen meten. In tegenstelling tot wat verzoekende partij boudweg poneert, werd in de bestreden beslissing wel degelijk aangetoond dat de hinder die destijds in uitzonderlijke situaties (de beruchte occasionele piekemis- sies) nog voorkwam, door bijkomende maatregelen opgelegd door verwerende partij, en nageleefd door de exploitant, verminderd is, en dat elke hinder verdwenen is. Verwerende partij kan hieromtrent verwijzen naar een passage uit de bestreden beslissing waar ook verzoekende partij naar verwijst, die daar blijkbaar, het is merkwaardig, heel andere conclusies uit blijkt te trekken. Het betreft volgende passage: ‘Overwegende dat de vastgestelde overschrijding van de geur- waarneming (200:g/m³) een geschatte waarde is waarbij wordt aangenomen dat er piekconcentraties kunnen voorkomen die een factor 10 hoger liggen dan de gemeten waarde (37 :g/m³); dat de drempel voor geurherkenning (600 :g/m³) niet werd overschreden en dat tevens dient te worden opgemerkt dat deze verhoogde waarde werd gemeten op een zondag wanneer er in het bedrijf volgens de exploitant niet wordt gewerkt.’ Hieruit blijkt niet alleen dat vreemd genoeg een ‘piekconcentratie’ vastgesteld werd op een zondag, een dag waarop de inrichting niet geëxploiteerd wordt, waardoor het oorzakelijk verband tussen exploitatie en concentratie van de gemeten stof in de omgevingslucht al twijfelachtig is, doch tevens dat zelfs deze‘piekconcentratie’ gelegen is beneden de geurwaarnemingsdrempel. Uit het dossier blijkt dat de geurwaarnemingsdrempel voor de betrokken stof bijzonder laag is, hetgeen als een voordeel wordt beschouwd, daar door de geur meteen de aanwezigheid van de stof in de lucht kan worden getraceerd, hetgeen belangrijk is gelet op de schadelijkheid van de stof. Uit het dossier blijkt dat bij huidige exploitatie, gelet op alle verbete- ringen aan de installaties van de exploitant en de opgelegde wijze van exploiteren, elke (geur)hinder afwezig blijft, hetgeen een conditio sine qua non was voor het verlenen van een definitieve vergunning. - Verzoekende partij verwijst dan wel naar blijvende klachten uitgaand van haarzelf en omwonenden (verzoekende partij is voorzitter van een actiecomité dat zich kant tegen de exploitatie), doch op zich is dit volharden in de klachten geen bewijs dat er werkelijk nog hinder te ondervinden is. Verzoekende partij zal uiteraard ten allen prijze niet willen erkennen dat de hinder intussen is afgenomen, en zelfs verdwenen. VII-33.615-9/13 - Verzoekende partij verwijst naar de strafrechtelijke veroordeling van de exploitant in 1999 (eerste aanleg) en 2001 (in beroep), en het feit dat zich 70 mensen burgerlijke partij stelden in deze procedure. Vooreerst moet erop gewezen worden dat de exploitant hierbij veroordeeld werd voor feiten die plaatsgevonden hadden vóór
- Er wordt evenwel niet betwist dat de exploitatie in het verleden problematische aspecten had. Bovendien is het feit dat 70 personen zich in een strafprocedure tegen de exploitant burgerlijke partij stelden op geen enkele wijze relevant voor de beoordeling van de ernst en de moeilijke herstelbaarheid van een nadeel. Overigens blijkt de burgerlijke afhandeling van de strafzaak waarnaar verzoekende partij verwijst, nog niet te zijn afgehandeld, waardoor er al niet kan beoordeeld worden in welke mate de burgerlijke partijstel- lingen gegrond geacht werden te zijn door de burgerlijke rechter. III.
- Het bestaan van een nadeel werd door verzoekende partij geenszins aangetoond. Minstens moet vastgesteld worden dat de ernst van enig nadeel niet aangetoond wordt.”; 4.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet is aangetoond; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij er terecht op wijst dat de toestand thans, in vergelijking met deze waarop het arrest nr. 81.473, van 29 juni 1999, van de Raad van State betrekking had, en waarbij het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 20 januari 1999 werd aanvaard, grondig gewijzigd is; dat immers inmiddels een buffertank werd geplaatst die klaarblijkelijk als functie heeft om de ongezuiverde gassen die in de schouw terechtkomen, terug te leiden naar een oxidator voor naverbranding, en aldus de oorspronkelijk vastgestelde piekemissies op te vangen; dat de aanhef van de bestreden beslissing vermeldt dat uit een recenter meetprogramma blijkt dat de gemiddelde emissies voldoen aan de emissienorm en dat geen piekemissies meer voorkomen; dat die beslissing met betrekking tot een ander meetprogramma aangeeft : “Overwegende dat op vraag van de afdeling Milieu-inspectie door de Vlaamse Milieumaatschappij een meetcampagne van de luchtkwaliteit in de omgevingslucht rondom de inrichting werd doorgevoerd in de periode van 2 december 1999 tot 28 februari 2000; dat uit het verslag van deze meetcampagne het volgende blijkt : * de meest specifieke component voor deze omgeving is ethylacetaat. De daggemiddelde concentraties zijn doorgaans hoger dan op andere plaatsen in Vlaanderen; VII-33.615-10/13 * de toetsing van de gemeten concentraties aan de geurdrempel voor ethylace- taat is moeilijk omdat enerzijds de piekconcentraties die voor geurhinder kunnen zorgen afgevlakt worden in de gemeten daggemiddelden en anderzijds omdat de geurdrempels die in de literatuur vermeld worden, een zeer grote spreiding vertonen; * niettegenstaande deze opmerking kan uit deze metingen toch afgeleid worden dat tijdens de meetperiode de concentratie van ethylacetaat éénmaal de waarnemingsdrempel heeft overschreden; * de gemiddelde concentraties van de andere gemeten vluchtige organische stoffen zijn vergelijkbaar met deze op andere locaties in Vlaanderen; * in de loop van de maanden december 1999 en januari en februari 2000 werd de site in Haacht een tiental maal bezocht. Op deze tijdstippen werd bij het sensorisch afscannen van de omgeving rond het bedrijf geen geur waargeno- men;” dat voorts wordt overwogen : “Overwegende dat de vastgestelde overschrijding van de geurwaarneming (200 :g/m³) een geschatte waarde is waarbij wordt aangenomen dat er piekconcentraties kunnen voorkomen die een factor 10 hoger liggen dan de gemeten waarde (37,4 :g/m³); dat de drempel voor geurherkenning (600 :g/m³) niet werd overschreden en dat tevens dient opgemerkt dat deze verhoogde waarde werd gemeten op een zondag wanneer er in het bedrijf volgens de exploitant niet werd gewerkt; Overwegende dat, refererend naar de eerder geciteerde vernietigingsmotieven van de Raad van State, gesteld kan worden dat nu wel de nodige gegevens ter beschikking zijn; dat ingevolge een wijziging van titel II van het VLAREM bedoelde metingen nu opgelegd zijn onder voorwaarden”; dat bovendien wordt gewezen op het feit dat de Milieu-inspectie, na zes klachten, 25 onderzoeken ter plaatse heeft ingesteld, doch dat ?geen ervan iets noemenswaardigs heeft opgeleverd”; dat ten slotte wordt overwogen dat op 28 maart 2002 door deskundigen in opdracht van de Milieu-inspectie nogmaals metingen werden uitgevoerd van de emissies van de naverbrander, en dat de resultaten van die metingen geen overschrijdingen van de emissienormen aantoonden; Overwegende dat ook alle adviezen die na de vernietiging van de eerste vergunning door de Raad van State werden uitgebracht, gunstig waren voor het verlenen van de vergunning; Overwegende dat uit dit alles moet worden afgeleid dat de bevoegde overheden van oordeel zijn dat de hinder die de emissie van de stof ethylacetaat inderdaad kan veroorzaken, ten gevolge van de opgelegde voorwaarden en de daarop door de tussenkomende partij uitgevoerde aanpassingen, binnen aanvaardbare grenzen wordt gehouden; VII-33.615-11/13 Overwegende dat de verzoeker zich dan ook niet kan beroepen op strafrechtelijke veroordelingen die betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan vooraleer de installaties werden aangepast en de hierboven vermelde metingen werden verricht; Overwegende dat de verzoeker zelf blijkbaar geen metingen heeft laten uitvoeren die zouden kunnen aantonen dat deze die de Milieu-inspectie heeft laten verrichten, evenals de onderzoeken die deze administratie heeft laten uitvoeren, niet correct zijn, of achterhaald; dat zijn betoog, afgezet tegen de concrete argumenten van de betrokken besturen en van het bestreden besluit, onvoldoende concreet aantoont dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing de aangevoerde nadelen berokkent of dreigt te berokkenen; Overwegende dat de tweede schorsingsvoorwaarde bijgevolg niet is vervuld, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. MAFRANS in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni tweeduizend en vijf, door : VII-33.615-12/13 de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-33.615-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.044 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.754 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div