← België

Arrest 147047 - - 30/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.047 Rolnummer: Zaak: Arrest 147047 - - 30/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-05 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-02 20:30 Fiche Arrest nr 147.047 van 30 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Opheffing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.047 van 30 juni 2005 in de zaken A. 126.455/VII-27.895 (I) A. 126.451/VII-27.837 (II) In zake : I + II 1. Yvette SOETE, 2. de gemeente KNOKKE-HEIST, die woonplaats kiezen bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : I + II de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, thans de Minister van de Noordzee die woonplaats kiest bij Advocaten F. MARTENS en E. DE WALSCHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 250. tussenkomende partijen : I + II 1. de n.v. ELECTRABEL, 2. de n.v. ONDERNEMINGEN JAN DE NUL, samen vormende de tijdelijke vereniging ELECTRABEL-Ondernemingen Jan DE NUL, die woonplaats kiezen bij Advocaten T. VANDEPUT en P. DE MAEYER, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 390, bus 12. DE RAAD VAN STATE, VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Yvette SOETE en de gemeente KNOKKE-HEIST op 6 september 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu van 25 juni 2002 houdende toekenning aan de tijdelijke vereniging ELECTRABEL-ONDERNEMINGEN JAN DE NUL van een machtiging voor de bouw, overeenkomstig de aanvraag, van een park van vijftig windmolens met een nominaal vermogen van 2 megawatt, ten noorden van de VLAKTE VAN DE RAAN, overeenkomstig het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de VII-27.837-1/98 procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en met naleving van de gebruiksvoorwaarden die in bijlage II van dit besluit zijn opgenomen (A. 126.455/VII-27.895); Gezien het verzoekschrift dat dezelfde partijen op 6 september 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu van 25 juni 2002 houdende toekenning aan de tijdelijke vereniging ELECTRABEL- ONDERNEMINGEN JAN DE NUL van een vergunning voor de exploitatie, overeenkomstig de aanvraag, van een park van vijftig windmolens met een nominaal vermogen van 2 megawatt, ten noorden van de VLAKTE VAN DE RAAN, overeenkomstig het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en met naleving van de gebruiksvoorwaarden die in bijlage II van dit besluit zijn opgenomen (A. 126.451/VII-27.837); Gelet op het arrest nr. 117.482 van 25 maart 2003 waarbij de zaken worden gevoegd voor wat betreft het administratief kort geding, de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt bevolen en de vordering, in zoverre ze werd ingediend door de tweede verzoekende partij, wordt verworpen; Gezien de verzoekschriften tot voortzetting ingediend door de tweede verzoekende partij, de verwerende partij en de belanghebbende partijen; Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van 26 april 2003; Gelet op de beschikkingen van 10 juni 2003 die de tussenkomst van de n.v. ELECTRABEL en de n.v. ONDERNEMINGEN JAN DE NUL, samen vormende de tijdelijke vereniging ELECTRABEL-Ondernemingen Jan DE NUL toelaten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-27.837-2/98 Gelet op de beschikkingen van 26 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 21 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE en van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. LUST, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat F. MARTENS, die verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaat P. DE MAEYER, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat beide zaken dermate verknocht zijn dat het, in het belang van een goede rechtsbedeling, wenselijk is ze samen te voegen; 2. Juridisch kader Overwegende dat het juridisch kader van de zaken zich als volgt aandient : Voorliggende zaak heeft betrekking op de inplanting van een windmolenpark op het Belgisch gedeelte van de Vlakte van de Raan. Voor het bouwen van de windturbines werd een machtiging verleend, voor het exploiteren ervan een vergunning. VII-27.837-3/98 - De aanvraagprocedures Hoofdstuk VI van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België heeft betrekking op "vergunningen en machtigingen". Artikel 25, §1, van die wet bepaalt : "§ 1 In de zeegebieden zijn de hiernavermelde activiteiten onderworpen aan een voorafgaande vergunning of machtiging verleend door de minister: (

  1. i)de burgerlijke bouwkunde; (
  2. ii)het graven van sleuven en het ophogen van de zeebodem; (iii) het gebruik van explosieven en akoestische toestellen met een groot vermogen; (
  3. iv)het achterlaten en het vernietigen van wrakken en gezonken scheepsladingen; (
  4. v)industriële activiteiten; (
  5. vi)de activiteiten van publicitaire en commerciële ondernemingen". Het windmolenpark ressorteert onder de punten (i), (
  6. ii)en (v). Artikel 26, eerste lid van de wet van 20 januari 1999 stelt : "De Koning bepaalt de voorwaarden en de procedure voor de toekenning, de opschorting en de intrekking van de in artikel 25 bedoelde vergunningen of machtigingen". Ter uitvoering van die bepaling werd het koninklijk besluit van 20 december 2000 genomen houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België (KB VEMA). Het besluit bepaalt onder meer wat de vergunnings- en/of machtigingsaanvraag dient te omvatten (onder meer een milieueffectenrapport), het regelt de inspraakprocedure, het legt regels vast inzake het onderzoek en de advisering van de aanvraag, en het omvat nadere bepalingen omtrent de te nemen eindbeslissingen en de inhoud ervan. Wat betreft het onderzoek en de advisering van de aanvraag weze aangestipt dat het besluit in een verplicht overleg met andere landen voorziet indien het een activiteit met grensoverschrijdende dimensie betreft (artikel 20). In casu heeft het windmolenpark een impact op Nederland, zodat ten aanzien van dat land een overlegverplichting bestaat. Voorts weze genoteerd dat de zogenaamde "Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee en het Schelde-estuarium BMM" het bestuur is dat voor de advisering moet instaan (artikel 1, 3/ van het KB). De BMM moet instaan voor de milieueffectenbeoordeling (MEB) van het windmolenproject, zowel voorafgaandelijk aan het verlenen van de vergunning en/of machtiging, als achteraf (artikel 28, §1 van de wet van 20 januari 1999). VII-27.837-4/98 Het weze genoteerd dat voornoemd koninklijk besluit van 20 december 2000 ondertussen werd opgeheven door artikel 52 van het besluit van 7 september 2003 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. - Internationale verplichtingen van België inzake de reductie van de emissies van broeikasgassen en de bevordering van electriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen Tot de globale juridische context van de voorliggende zaak behoren ook een aantal internationale verplichtingen van België. In de aanhef van de bestreden beslissingen wordt in dat verband overwogen wat volgt : "Overwegende dat de activiteit aanzienlijk kan bijdragen tot het naleven van de nationale verplichtingen die voortvloeien uit de beschikking 2002/358/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 april 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen, en meer bepaald gelet op het artikel 2 en de Bijlage II van deze Beschikking, die de verplichting inhouden voor België om tegen de periode van 2008 tot en met 2012 en ten opzichte van het basisjaar 1990, de emissies van broeikasgassen -waaronder CO2- met 7,5% te reduceren en om hiertoe de nodige maatregelen te treffen, en rekening houdend met richtlijn 2001/77/EG van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen". Artikel 1 van de beschikking van de Raad van 25 april 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen (P.B. L. 130/1) bepaalt dat het op 29 april 1998 te New York ondertekende Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, hierna "het Protocol", namens de Europese Gemeenschap wordt goedgekeurd. De tekst van het Protocol is opgenomen in bijlage I bij de beschikking. Het Protocol omvat gekwantificeerde verplichtingen inzake de emissiebeperking en -reductie van broeikasgassen, zulks met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling. Artikel 2 van de beschikking bepaalt in zijn tweede lid : "De gekwantificeerde verplichtingen inzake emissiebeperking en -reductie die door de Europese Gemeenschap en haar lidstaten zijn overeengekomen voor de bepaling van de respectieve emissieniveaus die voor hen gelden in de eerste periode waarin een gekwantificeerde verplichting inzake emissiebeperking en -reductie van toepassing is, van 2008 tot en met 2012, zijn VII-27.837-5/98 vermeld in bijlage II. In bijlage II zijn de gekwantificeerde verplichtingen inzake emissiebeperking of -reductie opgenomen, en voor België komt het erop neer dat het broeikasgasemissieniveau nog slechts 92,5% mag bedragen ten opzichte van het basisjaar 1990, hetzij een reductie dus met 7,5% t.o.v. 1990 tegen 2008-2012". Daarnaast is er ook nog de Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt (PB L 283/33). Luidens artikel 1 heeft de Richtlijn tot doel een verhoging van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de elektriciteitsproductie binnen de interne elektriciteitsmarkt te bevorderen en de grondslag te leggen voor een toekomstige kaderregeling van de Gemeenschap daarvoor. Luidens artikel 3 dienen de Lidstaten passende maatregelen te nemen om het verbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen (zoals windenergie) te stimuleren overeenkomstig nationale indicatieve streefcijfers. - De algemene beginselen van milieubeleid In deze zaak komen herhaaldelijk een aantal algemene beginselen van het milieubeleid ter sprake, en inzonderheid het voorzorgsbeginsel. Deze beginselen zijn in diverse internationale en nationale teksten verankerd, doch in dit dossier dient vooral artikel 4 van de reeds genoemde wet van 20 januari 1999 zich aan als een concrete vertaling en verankering van deze beginselen. Artikel 4, § 3, heeft betrekking op het voorzorgsbeginsel. - De MER en de MEB-plicht Artikel 28 van de wet van 20 januari 1999 bepaalt dat een vergunningsaanvraag vergezeld moet zijn van een MER, en volgens diezelfde bepaling moet voorafgaandelijk aan het verlenen van een vergunning en/of machtiging, alsook nadien, een MEB worden doorgevoerd door de BMM. Artikel 29 van de wet van 20 januari 1999 bepaalt dat na het verlenen van de vergunningen of de machtigingen de activiteiten onderworpen worden aan toezichtsprogramma’s en permanente milieueffectenonderzoeken. Indien uit dit onderzoek blijkt dat zich nieuwe nadelige gevolgen voor het mariene milieu hebben voorgedaan, kunnen de vergunningen of machtigingen opgeschort of ingetrokken worden. Artikel 30, §1, van diezelfde wet bepaalt dat de Koning regels vaststelt in verband met de procedure, de inhoud, de voorwaarden en de vorm VII-27.837-6/98 waaraan het MER en de MEB dienen te voldoen. Verdere uitvoering aan deze bepaling werd gegeven door het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België (KB MEB). Het bepaalt onder meer hoe het MER moet worden opgesteld en wat het allemaal dient te omvatten. In zijn artikel 15 bepaalt het ook dat de BMM nagaat of het MER volledig en afdoende is. De BMM kan het MER aanvullen en bijwerken, en het kan hiertoe alle onderzoeken uitvoeren of doen uitvoeren die het "overeenkomstig de noodwendigheden van het dossier en naar redelijkheid, nuttig acht". Artikel 16 bepaalt dat de BMM zich in de MEB uitspreekt over de aanvaardbaarheid van de voorgenomen activiteit voor het mariene milieu. Ingeval van aanvaardbaarheid spreekt de BMM zich in de MEB ook uit over de voorwaarden waaronder de activiteit aanvaardbaar is, de monitoring van de effecten van de activiteit die dient te gebeuren en de daarvoor te betalen retributie, en de aangewezen compensatie in milieuvoordelen. Het weze genoteerd dat dit besluit ondertussen werd opgeheven door artikel 25 van het koninklijk besluit van 9 september 2003 houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het marinemilieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België; 3. De feiten Overwegende dat de feiten als volgt kunnen worden weergegeven : 3.1. Beschrijving van het project Het project betreft de bouw en exploitatie van een park met 50 windturbines met een totale capaciteit van 100 MW op de zandbank de "Vlakte van de Raan" in de Belgische Noordzee. De projectsite is gelegen aan de maritieme grens met Nederland, op een gemiddelde afstand van 12 km van de Belgische kust en 14 km van de Nederlandse kust (Westkapelle in de provincie Zeeland). Elke turbine bestaat uit een stalen mast, een gondel die alle nodige apparatuur inhoudt, een rotor en de funderingen. De diameter van een rotor bedraagt 80 meter en de totale hoogte van een windmolen komt uit op ongeveer 118 meter boven Main Sea Level. VII-27.837-7/98 De windturbines worden onafhankelijk gefundeerd. Een stalen buispaal wordt in de grond geheid tot op een diepte tussen de 29 en de 32 meter onder de zeebodem. Rondom de paal wordt een erosiebescherming van ongeveer 32 meter diameter aangebracht, bestaande uit stenen van verschillende groottes. De windturbines zullen worden opgesteld met een tussenafstand van 400 meter. Eerst is er een pilootfase waarbij een eerste rij van 10 turbines geplaatst wordt en de meetmast gerealiseerd. Gedurende de tweede fase worden de overige 40 turbines geplaatst, het transformatorplatform gebouwd en een 150 kV- kabel gelegd voor de afvoer van de geproduceerde energie. Het voorliggend dossier slaat enkel op een project van 50 windmolens met een gezamenlijk vermogen van 100MW. De windturbines zullen van op afstand worden geëxploiteerd en bewaakt. Er wordt voorzien in een bouwfase, een exploitatiefase en een ontmantelingsfase. 3.2. De geografische situering van het project Het windmolenpark is gesitueerd ten noorden van het Belgische deel van de Vlakte van de Raan, die zich ook in Nederland uitstrekt. De Vlakte van de Raan is een zandbank waar het zeewater niet al te diep is. De projectsite ligt ook vlak bij de Scheldemonding. De site is niet gelegen in een juridisch afgebakende speciale beschermingszone op grond van de Habitat- of Vogelrichtlijn. In de omgeving, zij het al op enige afstand, ligt het Nederlandse Natuurgebied de Voordelta en nog verderaf het Natuurgebied de Westerschelde. De Voordelta is aangewezen als Vogelrichtlijngebied, evenals de Westerschelde. Beide gebieden zijn bij de Europese Commissie aangemeld als Habitatrichtlijngebied. 3.3. Het verloop van de aanvraagprocedure Op 29 januari 2001 bezorgde de n.v. Electrabel een kennisgevingsdossier aan de BMM. Op 27 februari 2001 werd de ontvangst ervan bevestigd door de BMM en werden een aantal opmerkingen gemaakt. Voorafgaandelijk aan het indienen van de aanvraag werd door tussenkomende tijdelijke vereniging ELECTRABEL-ONDERNEMINGEN JAN VII-27.837-8/98 DE NUL op 1 maart 2001 een conceptrapport aan de BMM toegestuurd, die hierop op 19 april 2001 opmerkingen maakte. De aanvraag met betrekking tot de bouw en uitbating van het windturbinepark, samen met het MER van juni 2001, werd door de tijdelijke vereniging ELECTRABEL-ONDERNEMINGEN JAN DE NUL op 5 juli 2001 ingediend. Op 27 juli 2001 berichtte de BMM aan de tussenkomende partijen dat het dossier ontvankelijk en volledig was. In het Belgisch Staatsblad van 4 september 2001 verscheen het bericht dat de aanvraag was ingediend, werd een korte omschrijving gegeven van het voorwerp van de aanvraag, en werd aangegeven waar en wanneer het dossier kon worden ingekeken. Er volgde een publieke consultatieronde die aanleiding gaf tot 19 brieven met opmerkingen, standpunten en bezwaren. Bijlage 1 bij bijlage I bij de bestreden beslissingen omvat een overzicht van de brieven n.a.v. de inspraakprocedure en de bespreking daarvan door de BMM. De bezwaren hebben betrekking op: scheepvaart en veiligheid, morfologie en geologie, locatie en ruimtelijke ordening, ecologie, avifauna, benthos en vissen (waaronder de weerslag op de visserij), landschap en uitzicht, en nog enkele andere problemen. Er greep overleg plaats tussen België en Nederland, en er vond ook briefwisseling plaats. De BMM evalueerde het MER en bracht zelf een MEB van april 2002 (met bijlagen) tot stand, waarin ook stilgestaan wordt bij de voorwaarden, monitoring en milieucompensaties. De BMM bracht op 16 april 2002 op basis van de MEB een advies uit en stuurde het hele bundel door naar de minister. Op 17 mei 2002 ontvingen de tussenkomende partijen ontwerpbesluiten met de bedoeling hierop te reageren, wat ook gebeurde. Op 25 juni 2002 verleende de minister enerzijds een machtiging tot het bouwen van de windturbines, en anderzijds een vergunning voor de exploitatie ervan. Beide beslissingen omvatten een reeks bijlagen : - Bijlage I: het advies van de BMM. - Bijlage II: de voorwaarden. - Bijlage III: monitoring van de effecten. - Bijlage IV: inhoud van het jaarlijks uitvoeringsverslag. - Bijlage V: provisie voor herstel van de site na ontmanteling. VII-27.837-9/98 Bij de exploitatievergunning is er ook nog een bijlage VI, met name de bouwmachtiging. De bestreden beslissingen werden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2002 bekendgemaakt . Bij arrest nr. 117.482 van 25 maart 2003 werden deze beslissingen geschorst wegens het prima facie onwettig bevinden van de koninklijk besluiten van 20 december 2000 waarop de bestreden beslissingen waren gesteund. Zoals reeds vermeld werden deze besluiten opgeheven en vervangen door de koninklijke besluiten van respectievelijk 7 september 2003 en 9 september 2003. Kort daarna hebben de tussenkomende partijen op 1 oktober 2003 een nieuwe aanvraag voor een machtiging voor de bouw en exploitatie van hetzelfde windmolenpark ingediend, die evenwel als onontvankelijk werd verworpen; 4. De ontvankelijkheid van de beroepen 4.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memories opwerpen dat de vraag rijst of de beroepen niet "zonder voorwerp" zijn; dat zij betogen dat na het schorsingsarrest nr. 117.482 de koninklijke besluiten van 20 december 2000 werden opgeheven en vervangen door de koninklijke besluiten van 7 (lees: en 9) september 2003, dat in aansluiting daarop de tussenkomende partijen een nieuwe aanvraag voor de bouw en de exploitatie van hetzelfde windmolenpark hebben ingediend, die onontvankelijk werd verklaard, dat tegen die laatste beslissing blijkbaar geen annulatieberoep werd ingesteld, dat overeenkomstig de "rechtspraak van de Raad van State” het aanvragen van een nieuwe vergunning noodzakelijkerwijze betekent dat afstand wordt gedaan van de eerste verkregen vergunning, dat het verzakend effect ook geldt wanneer naderhand op die aanvraag afwijzend is beslist en tegen die afwijzing geen annulatieberoep werd ingesteld, dat ook de omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van de besluiten van 25 juni 2002 geschorst was toen de tussenkomende partijen een nieuwe aanvraag indienden, niet relevant is, vermits dit niets afdoet aan het bestaan ervan; dat de verzoekende partijen een opsomming van een aantal arresten ter ondersteuning van hun standpunt geven; dat zij besluiten dat zij derhalve geen actueel belang "meer lijken te hebben bij de vordering, behoudens wat betreft het alsnog formeel uit het rechtsverkeer nemen van het bestreden besluit omwille van de rechtszekerheid"; 4.1.2. Overwegende dat de tussenkomende partijen niet akkoord gaan met het standpunt van de verzoekende partijen; dat zij, samengevat, doen gelden dat VII-27.837-10/98 zij de nieuwe aanvraag voor de bouw en de machtiging van het windmolenpark hebben ingediend teneinde de nadelige gevolgen voortvloeiend uit de schorsing zoveel mogelijk te beperken en dat zij deze hebben ingediend onder uitdrukkelijk voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning, dat deze nieuwe identieke aanvraag door de minister onontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 7 september 2003, dat zij dan ook de vereiste retributie niet hebben betaald, terwijl artikel 17 van het koninklijk besluit van 7 september 2003 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België bepaalt dat de termijn voor de behandeling pas ingaat bij de betekening van het bewijs van betaling van de retributie door de aanvrager aan het bestuur, dat dienvolgens de nieuwe aanvraag nooit formeel in behandeling is genomen; dat, tenslotte, zij nog diverse brieven aan de bevoegde minister en de BMM aanhalen waaruit blijkt dat zij geen verzaking aan hun rechten voortvloeiend uit de eerder verleende machtiging en vergunning hebben gedaan; dat zij daarop nog de door de verzoekende partijen aangehaalde rechtspraak van de Raad van State ontleden en tot de conclusie komen dat deze niet relevant is daar andere feitelijke gegevens aan de basis ervan lagen; 4.1.3. Overwegende dat de argumenten van de tussenkomende partijen steun vinden in de neergelegde stukken; dat zij op goede gronden betogen dat in casu van een verzaking aan hun rechten die zouden voortvloeien uit de bestreden beslissingen van 25 juni 2002 geen sprake kan zijn; dat, zoals de tussenkomende partijen terecht betogen, in de door de verzoekende partijen aangehaalde rechtspraak van de Raad van State niet dezelfde specifieke situatie zoals in het voorliggend geval voorhanden is; dat dienvolgens de verzoekende partijen hun actueel belang bij de annulatieberoepen niet hebben verloren door het feit dat de tussenkomende partijen een nieuwe aanvraag voor een machtiging voor de bouw en de exploitatie van een windmolenpark hebben ingediend; 4.2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memories nog meedeelt dat op de Ministerraad van 19 december 2003 werd beslist om zones af te bakenen voor de bouw en de exploitatie van windturbineparken, en de zandwinning in de mariene beschermde gebieden in de Belgische zeegebieden, dit binnen het kader van een plan voor duurzaam beheer van de Noordzee; dat zij stelt dat de zone die beoogd wordt voor windturbineparken als volgt wordt omschreven : VII-27.837-11/98 "Deze zone wordt begrensd door het huidige project ‘C-Power’ en de gasleiding ‘Interconnector’die België met het Verenigd koninkrijk verbindt, door de Belgisch-Nederlandse grens, en in de lengte door de internationale scheepvaartroute. De ligging van deze zone is tevens positief voor de landschapsbeleving. Tevens wordt een zone (32,58 km²) kustwaarts gelegen van de C-Power concessie, gereserveerd voor het leggen van kabels’ (zie persmededeling van 30 december 2003-stuk I.22)", en dat aldus de Vlakte van de Raan niet begrepen is in de zone die in de toekomst zal voorzien worden voor de inplanting van windturbineparken; 4.2.2. Overwegende dat de verwerende partij geen beslissingen of regelgeving bijbrengt waaruit op een vaststaande wijze blijkt dat het juridisch onmogelijk is geworden om op de Vlakte van de Raan nog een windmolenpark te bouwen en te exploiteren; dat weliswaar blijkens het koninklijk besluit van 17 mei 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 december 2000 betreffende de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van domeinconcessies voor de bouw en exploitatie van installaties voor de productie van elektriciteit uit water, stromen of winden, in de zeegebieden waarin België rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht, de zone waarin windturbines zouden kunnen worden gebouwd en geëxploiteerd gelegen zijn ter hoogte van de Thorntonbank, en dus niet op de Vlakte van de Raan, maar dat het betrokken koninklijk besluit evenwel enkel van toepassing is op aanvragen tot het verkrijgen van een domeinconcessie die ná 30 juni 2004 zijn ingediend; dat, aangezien de tussenkomende partijen op 17 maart 2002 de domeinconcessie voor het bestreden windmolenpark hebben verkregen, dit koninklijk besluit niets verandert aan het belang van de verzoekende partijen; dat, tenslotte, er vooralsnog geen juridisch bindend plan voor een duurzaam beheer van de Noordzee, waarvan de verwerende partij in haar laatste memorie gewag maakt, blijkt voor te liggen; dat dienvolgens de beslissing van de Ministerraad van 19 december 2003 evenmin het actueel belang van de verzoekende partijen bij de annulatieberoepen ontneemt; 4.3.1. Overwegende dat de verwerende partij in de memories van antwoord opwerpt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissingen; dat zij doet gelden dat de verzoekende partijen de Raad van State voorhouden dat zij thans zouden genieten van een onbedorven zicht op de horizon, dat evenwel het zicht op de horizon thans geenszins onbedorven is, gelet op de voorbijvarende schepen, de boeien en de nabijheid van de haven van Zeebrugge, dat het geplande windturbinepark aan de bestaande toestand geen significante wijziging zal aanbrengen, vermits het zich op minstens VII-27.837-12/98 12 km van de kust zal bevinden en in schutkleuren zal worden geverfd, dat in het milieueffectenrapport staat dat de beleving van het windturbinepark een subjectief gegeven is, dat de auteurs van het MER ook fotosimulaties maakten waaruit de impact blijkt, dat zelfs bij helder weer en blauwe lucht de landschappelijke impact beperkt is; dat zij stelt dat eerste verzoekster niet is ingegaan op haar verzoek om foto’s vanuit haar appartement te laten maken, en dat zij alsdan in de buurt van verzoeksters appartement een fotosimulatie liet maken waaruit blijkt dat er geen significante wijzigingen zullen zijn aan het gezichtsveld van eerste verzoekster; dat zij nog aanstipt dat, zo er al enig zicht zou zijn op het windturbinepark, dit geenszins permanent zal zijn, en de zonsondergang vanuit Knokke-Heist niet beïnvloed zal worden, daar de zon nooit ondergaat achter het windturbinepark; dat, wat het belang van de tweede verzoekende partij betreft, de verwerende partij opwerpt dat het persoonlijk belang en de procesbekwaamheid van de gemeente Knokke geenszins bewezen worden; dat zij betoogt dat deze partij slechts bekwaamheid en belang heeft om in rechte op te treden in de mate dat dit haar door een wet is toegekend, dat de tweede verzoekende partij de wettelijke bepalingen niet aanwijst op grond waarvan zij optreedt voor de belangen van (een bepaald deel van) de toeristische sector of de subjectieve esthetische schoonheid van het zeezicht, dat voorts de gemeente geen bevoegdheid heeft tot een stedenbouwkundig beleid in de territoriale zee en dat zij als rechtspersoon geen visuele hinder kan ervaren, dat niet blijkt welke persoonlijke belangen en bevoegdheden van de gemeente zijn geschonden, dat het ingeroepen belang louter potentieel is, nu het niet duidelijk is waarom het bestaan van een windturbinepark automatisch de reputatie of het toeristisch beleid van Knokke-Heist zou schenden, dat de windturbines ver in zee staan, niet op het grondgebied van de gemeente zelf en een milieuvriendelijk imago hebben, dat de schade aan reputatie en toerisme dan ook louter potentieel is en geenszins bewezen, dat ook uit de beoordeling van de BMM blijkt dat er geen onaanvaardbare effecten worden aangetoond onder meer wat betreft het landschap, dat de ingeroepen nadelen hypothetisch en speculatief zijn; dat zij nog betoogt dat er geen oorzakelijk verband is tussen het nadeel en de bestreden beslissingen, nu een vernietiging van de bestreden beslissingen nooit kan leiden tot een ongerepte horizon, en dat, vermits het belang gesitueerd wordt bij de visuele hinder, de verzoekende partijen er geen belang bij hebben de exploitatievergunning aan te vechten; 4.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in ondergeschikte orde vraagt dat de Raad van State, alvorens recht te doen, overeenkomstig artikel 20 van het algemeen procedurereglement een oogarts-deskundige zou aanstellen met als opdracht eerste verzoekster te onderzoeken en zijn advies uit te brengen over het feit VII-27.837-13/98 of deze verzoekster scherp kan zien over een afstand van minstens 12 km, hetgeen niet voor de hand liggend is, gezien haar leeftijd; 4.3.3. Overwegende dat in de memories van tussenkomst eveneens wordt opgeworpen dat de verzoekende partijen, die zich uitsluitend beroepen op een esthetisch nadeel, niet van het rechtens vereiste belang doen blijken; dat het betoog van de tussenkomende partijen als volgt kan worden samengevat : Het is niet de exploitatie die het esthetisch nadeel doet ontstaan, maar uitsluitend de bouwmachtiging. Het exploiteren van de windmolens doet geen bijkomend esthetisch nadeel ontstaan. Het verzoekschrift dat strekt tot de nietigverklaring van de vergunning voor het exploiteren van de windmolens is bijgevolg onontvankelijk bij gebrek aan belang. De tweede verzoekende partij is geen natuurlijke persoon en zij kan dan ook niet rechtstreeks en persoonlijk lijden onder een onesthetisch zicht, indien het betrokken nadeel zich niet op haar grondgebied voordoet, zoals in casu. Krachtens het specialiteitsbeginsel kan een gemeente slechts voor de Raad van State optreden teneinde het specifieke doel te verdedigen dat haar door de wet werd toevertrouwd. Dit is ratione loci beperkt tot het grondgebied van de gemeente. Het exploiteren van de windmolens zal niet op haar grondgebied geschieden en zij toont niet concreet aan dat deze exploitatie enige weerslag zal hebben op haar grondgebied. De gemeente heeft geen persoonlijk belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Het esthetisch nadeel dat de gemeente aanvoert vloeit niet voort uit de exploitatievergunning zodat zij geen rechtstreeks belang heeft om die vergunning aan te vechten. De eerste verzoekster beweert dat de windmolens zich zullen situeren in haar dagelijks gezichtsveld, doch zij geeft geen nadere uitleg en brengt geen stavingsstukken bij. Het is echter niet vanzelfsprekend dat de Vlakte van de Raan (om nog niet te spreken over de windmolens zelf) vanuit alle gebouwen zichtbaar is. In de mate dat eerste verzoekster niet concreet aantoont dat de betrokken windmolens vanuit haar woonplaats zichtbaar zullen zijn en dat dit zicht nadelig is, zal haar vordering eveneens als onontvankelijk dienen te worden afgewezen. Eerste verzoekster heeft geen rechtstreeks belang om de exploitatievergunning aan te vechten, vermits de beweerde visuele hinder slechts kan voortvloeien uit de bouwmachtiging; 4.3.4. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memories van wederantwoord betogen dat de Raad van State in het schorsingsarrest reeds het belang van eerste verzoekster heeft aangenomen, dat de verwerende partij niet het VII-27.837-14/98 onderscheid maakt tussen het belang en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat het belang in niet meer moet bestaan dan in het bekomen van een voordeel of het vermijden van een nadeel, dat het geen verschil uitmaakt of dit voordeel, respectievelijk nadeel, groot of klein is, hetgeen overigens een subjectieve inschatting inhoudt, dat de verwerende partij niet aantoont dat, anders dan in het MER staat, het turbinepark voor eerste verzoekster vanuit haar leefruimte niet dagelijks zichtbaar zou zijn, dat het betoog dat de zonsondergang desgevallend naast de windmolens plaatsvindt geen afbreuk doet aan het belang, en dat de simulaties vanop de torenkraan irrelevant zijn; dat, wat de tweede verzoekende partij betreft, zij aanstippen dat het optreden van de gemeente in rechte geenszins gebonden is aan het bestaan van een wet die haar daartoe verplicht, dat het zeegebied paalt aan het grondgebied van de tweede verzoekende partij, en dat het beeld en het zicht op de zee er niet enkel is voor wandelaars op de zeedijk, maar voor een aanzienlijk aantal bewoners van de gemeente en mitsdien medebepalend voor hun leefomgeving, dat het federaal plan inzake duurzame ontwikkeling 2000-2004 sub 315 de "toenemende druk op de kustgemeenten" als één van de belangrijkste pijnpunten qua milieuproblematiek aanstipt, dat sub 318 wordt gezegd dat "de biodiversiteit wordt bedreigd door de verschillende vormen van exploitatie van de kustgebieden", dat in datzelfde actieplan de overheid het op zich neemt "een gezond marinemilieu (
  7. te)verkrijgen en (
  8. te)behouden zonder eutrofiëring"

(323)en actief te zullen zorgen voor een "geïntegreerd kustzonebeheer"; dat zij tenslotte nog betogen dat de gemeente ook een louter materieel belang te verdedigen heeft, dat immers de MEB in randnummer 5.8.3 verwijst naar een studie van het West-Vlaams Economisch Studiebureau waaruit moet blijken dat wellicht nog slechts de helft van de frequente toeristen en de verblijfstoeristen de badplaats zullen bezoeken, dat alleen reeds op het stuk van de lokale belastingen dit een aderlating voor de gemeente zou betekenen; 4.3.5.
  1. Overwegende dat uit een fotosimulatie die de verwerende partij heeft bijgebracht blijkt dat het windmolenpark zichtbaar is van op de zeedijk in de gemeente Knokke-Heist, en inzonderheid ter hoogte van de woning van eerste verzoekster; dat ook in het MER en de MEB wordt gesteld dat het windmolenpark zichtbaar is vanaf de kust; dat vooralsnog niet kan worden uitgesloten dat ook het draaien van de wieken en het flikkeren ervan enigszins zichtbaar zullen zijn; dat de omstandigheid dat de horizon reeds aangetast is, vooral door de haven van Zeebrugge, niet betekent dat de verzoekende partijen zich niet kunnen verzetten tegen een verdere aantasting van de horizon; dat in de MEB wordt verwezen naar een studie van F. Willemsen, "Een windmolenpark in zee", waaruit blijkt dat een groot VII-27.837-15/98 deel van de bewoners en recreanten het vervelend vindt om vanaf het strand uit te kijken op een rij windmolens; dat ook het WES in opdracht van de BMM een socio- landschappelijke studie uitvoerde en tot de bevinding kwam dat met de stelling "ik vind het leuk dat ik een windmolenpark op zee zie" minder dan de helft van de ondervraagden "helemaal" akkoord gaat, terwijl meer dan 41% van de bevraagden het "helemaal niet" leuk vindt om op een windmolenpark te kijken, en meer dan 66% van de ondervraagden een windmolenpark op 12 km van de kust aanvaardbaar vindt, terwijl 20% een dergelijke afstand niet accepteert; dat daaruit blijkt dat in elk geval een deel van de ondervraagden niet gelukkig is met de komst van een windmolenpark en dat enige negatieve invloed op het toerisme niet bij voorbaat kan worden uitgesloten; 4.3.5.
  2. Overwegende, voorts, dat de verwerende partij geen eerste indicatie bijbrengt dat eerste verzoekster een zulkdanig slecht gezichtsvermogen heeft, dat het zelfs niet met een bril kan worden verholpen; dat er zich dan ook geen reden aandient om een deskundige aan te stellen teneinde de gezichtsscherpte van eerste verzoekster te onderzoeken; 4.3.5.
  3. Overwegende dat de exceptie niet kan worden aangenomen;
  4. De gegrondheid van de beroepen Voorafgaande opmerkingen - Overwegende dat wordt vastgesteld dat de verwerende en de tussenkomende partijen bij elk middel het belang van de verzoekende partijen bij de respectievelijke middelen betwisten; dat onder punt 4 supra werd gewezen dat de verzoekende partijen belang hebben bij hun beroepen tot nietigverklaring en bij elk middel dat kan leiden tot een nietigverklaring die hen tot voordeel strekt; dat de excepties niet kunnen worden aangenomen en niet verder worden besproken behoudens daar waar de Raad van State het om specifieke redenen nodig acht; - Overwegende dat geen der partijen in de laatste memories nog ingaat op de aangevoerde middelen; VII-27.837-16/98 5.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun verzoekschriften als eerste middel aanvoeren wat volgt : "Het bestreden besluit mist rechtsgrond vermits de koninklijke besluiten van 20 december 2000 (K.B. MER en VEMA), waarop het steunt en die het stelt uit te voeren, tot stand gekomen zijn met schending van art. 3, § 1 en art. 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en daardoor bij toepassing van art. 159 van de grondwet voor onbestaande moeten gehouden worden. De MMW dd. 29 januari 1999 bepaalt : a. in hoofdstuk VI met als opschrift voor werken van burgerlijke bouwkunde in de bedoelde zeegebieden een voorafgaande vergunning of machtiging nodig is. Art. 26 draagt de Koning op de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de noodzakelijke vergunning of machtiging te bepalen. De Koning heeft dit gedaan bij besluit van 20 december 2000 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder rechtsbevoegdheid van België (K.B. VEMA - B.S. 25 januari 2001, blz. 2104). b. in hoofdstuk VII met als opschrift 30, § 1 MMW dd. 20 januari 1999 draagt de Koning op de procedure, de inhoud, de voorwaarden en de vorm ervan te bepalen. De Koning heeft dit gedaan bij besluit van eveneens 20 januari 2000 houdende de regels betreffende de milieu-effectbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu van de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, eveneens bekend gemaakt in het Staatsblad van 25 januari
  6. De beide besluiten zijn de uitvoering van andere wettelijke bepalingen en hebben dus ieder een afzonderlijk voorwerp en rechtsgrond. Het K.B. MER kan geacht worden een gedeeltelijke implementatie te zijn - nl. voor bepaalde werken in zeegebieden -van de MER-richtlijn. Voor de beide besluiten is de afdeling wetgeving van de Raad van State verzocht geworden een drie-dagen spoedadvies te verlenen, hetgeen is gebeurd op 9 augustus
  7. Daartoe is, primo, in beide besluiten volgend motief ingeroepen : Anderzijds blijkt, secundo, uit de aanhef van de besluiten dat alle ingewonnen adviezen ten laatste op 20 juni 2000 verleend waren : Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting gegeven op 19 mei 2000; Gelet op het advies van de Federale Raad van Duurzame Ontwikkeling, gegeven op 20 juni 2000'; Tertio zijn de op 20 december 2000 genomen besluiten eerst bekend gemaakt op 25 januari
  8. Daaruit blijkt derhalve dat de Koning zich telkens op uiterste spoed heeft beroepen om op 20 december 2000 een besluit te nemen dat blijkens de ingeroepen EG-richtlijn reeds bijna drie jaar eerder had moeten genomen zijn, VII-27.837-17/98 nl. ten laatste op 17 maart 1999, terwijl hij reeds meer dan vier maanden beschikte over het advies van de afdeling wetgeving om, daarna, nog eens vijf weken te wachten vooraleer die uiterst urgente besluiten in het staatsblad bekend te maken. Uit die gang van zaken blijkt dat het inroepen motief rechtens niet relevant is en dat de voorgewende urgentie niet bestond, nu nog meer dan vier maanden gewacht werd vooraleer het besluit zelf te nemen en dan nog eens vijf weken vooraleer het te publiceren. Art. 3, §1, eerste lid, R.v.St.-wet bepaalt onder meer Art. 84, eerste lid, R.v.St.-wet, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, bepaalt dat het onderzoek van de zaken plaatsvindt in volgorde van inschrijving op de rol, uitgezonderd, onder meer, wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in art. 2, §
  9. In dit geval moet de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, worden overgenomen in de aanhef van de verordening. In het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid dient een ontwerp niet voor advies aan de afdeling wetgeving te worden voorgelegd. Dit voorschrift bestaat al sinds de oprichting van de Raad van State bij de wet van 23 december
  10. De wetgever heeft zich destijds al gerealiseerd dat er zich gevallen kunnen voordoen waarin ieder uitstel van de bekendmaking van een geplande norm de efficiëntie of de werkbaarheid van de norm kan hypothekeren, en dat om die reden zelfs aan het inwinnen van het advies van de afdeling wetgeving moet worden voorbijgegaan, omdat dit te veel tijd zou vergen (M. Van Damme, Raad van State, Afdeling Wetgeving, Brugge, Die Keure, 1998, p. 135). Die mogelijkheid, door de wetgever aanvankelijk als een uitzondering gewild, werd de regel, en in sommige jaren werd voor niet minder dan ongeveerd 80 % van de reglementaire teksten de hoogdringendheid ingeroepen (C. Lambotte, De Raad van State, Heule, LIGA, 1984, 105; W. Lambrechts, Gelet op de dringende noodzakelijkheid, R.W. 1980-81, 425). Als reactie heeft de wetgever in art. 3, § l, R.v.St.-wet de verplichting ingeschreven om de ingeroepen hoogdringendheid formeel en uitdrukkelijk te motiveren (A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme, en J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen België, 1999, p. 796-797, M. Van Damme, o.c., 138). Ook voorzag hij in de mogelijkheid om een spoedadvies binnen de drie dagen aan te vragen. De ingeroepen urgentie moet formeel gemotiveerd worden, motivering die in het besluit moet terug te vinden zijn. Een formele motivering voldoet rechtens wanneer ze duidelijk genoeg de motieven verwoordt opdat men met kennis van zaken over de inhoudelijke waarde van die motieven kan oordelen (R.v.St. 80.251, 31 mei 1999, V.Z.W. Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus en consoorten; in dit arrest zegt de Raad dat de motivering inhoudelijk van die aard moet zijn dat zij aanvaardbaar maakt Maar opdat zou zijn voldaan aan de in art. 3, § l, eerste lid, R.v.St.-wet vervatte bijzondere motiveringsverplichting, moet evenwel nog aan twee materiële vereisten worden voldaan. De aangevoerde motieven moeten exact en VII-27.837-18/98 effectief bestaan, ze moeten pertinent zijn, d.w.z. dat de motivering refereert aan het veilig stellen van de doelmatigheid van de betrokken maatregelen (R.v.St., nr. 44.540, 15 oktober 1993, V.Z.W. Belgisch Verbond van Artsensyndicaten; R.v.St., nr. 50.781, 16 december 1994, N.V. Impharzam, T.B.P. 1995, 467), en bovendien van aard zijn de dringende noodzakelijkheid te kunnen rechtvaardigen (M. Van Damme, o.c. 142). Te dezen is de verwijzing naar de Europese regeling op zich reeds totaal irrelevant. a. Het KB VEMA, dat een uitvoering is van hoofdstuk VI van de MMW dd. 20 januari 1999, heeft niets te maken met enige implementatie van de MER-richtlijn. Enkel voor het KB MER van dezelfde datum kon formeel op die richtlijn teruggevallen worden. b. De ingeroepen urgentie kon een eventuele veroordeling van de Belgische Staat wegens niet tijdige implementatie van de MER-richtlijn (die er uiteindelijk gekomen is bij arrest van het Hof van Justitie dd. 14 juni 2001) niet meer voorkomen, vermits het Hof zulke vordering steeds inwilligt ook al is na het einde van de termijn, gesteld door de Europese Commissie in het met redenen omkleed advies, vooralsnog toch tot de passende implementatie overgegaan (H.v.J., C-133/94,2 mei 1996, T.M.R., 1996, 434). c. De Koning kan de onaanvaardbare vertraging in de implementatie van de richtlijn nooit als rechtvaardigingsmotief inroepen, tenware uitzonderlijk mocht blijken dat die vertraging de overheid niet toerekenbaar is, wat te dezen gewis niet het geval is. Zo besliste Uw Raad in de arrest nr. 59.274 en 59.275, VZW Chambre Syndicale des Pharmaciens d'expression française wat volgt : qu'il faut que le retard s'accompagne ou résulte de circonstances particulières qui rendent l'élaboration de la règle spécialement urgente; qu'en l'espèce, il n'est pas établi que pareilles circonstances auraient créé une situation à ce point urgente que l'adoption de l'arrêté attaqué ne pouvait souffrir le moindre retard; qu'en effet, /a partie adverse se borne à exposer les difficultés qu'elle a rencontrées dans l'élaboration de l'arrêté attaqué et à invoquer sans aucune précision, des procédures en manquement Bovendien is de ingeroepen dringendheid door de feiten zelf tegengesproken, nu er : * tussen het advies van de afdeling wetgeving en het besluit meer dan vier maanden verlopen zijn, * er nog eens vijf weken verlopen zijn vooraleer het besluit bekend is gemaakt. Daaruit blijkt dat gewis niets eraan in de weg stond om een gewoon advies te vragen, minstens een advies op één maand. Zo beslist het arrest nr. 83.329 (R.W. 1999/00, 1056) : Zie daaromtrent eveneens het arrest nr. 88.715 van 7 juli
  11. Ook het arrest nr. 90.762, N.V. Librero (J.R.S., 01, blz. 70, dat een termijn van zeven VII-27.837-19/98 weken te lang vindt). Voorts ook : R.v.St., nr. 84.150 dd. 16 december 1999 en de arresten nrs. 96.285 dd. 8 juni 2001 en 96.289 dd. 11 juni 2001 inzake Zie eveneens het arrest nr. 91.457, Het bestreden besluit steunt geheel op deze beide koninklijke besluiten. Nu deze voor onbestaande moeten gehouden worden, verliest het eveneens elke rechtsgrond”; 5.1.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar memories van antwoord daar tegenover stelt : "b. Weerlegging van het eerste middel
  13. Verwerende partij heeft terecht beroep op de spoedadviesprocedure gedaan (...) 1.
  14. Concreet - de door verzoekende partijen ingeroepen argumenten dienen verworpen te worden omwille van de volgende redenen Verwerende partijen zullen inzake hun verweer ontwikkelen ten aanzien van de periode vóór de adviesverlening en ten aanzien van de periode na adviesverlening door de afdeling Wetgeving van de Raad van State. 1.2.
  15. De periode vóór het uitbrengen van een advies door de afdeling Wetgeving van de Raad van State In het advies dat op 9 augustus 2000 verleend werd door de afdeling wetgeving van de Raad van State wat betreft de betrokken koninklijke besluiten, wordt inzake de redenen tot staving van het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag gesteld : De afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft geen opmerkingen gemaakt aangaande de gegrondheid van het gevraagde spoedadvies, zodat de verwerende partij in principe mocht uitgaan van de pertinentie van haar motivering en er een vermoeden van wettigheid van de motivatie bestaat. Verwerende partij heeft geenszins de Raad van State, afdeling Wetgeving onvolledig ingelicht aangaande de spoedeisendheid. Het zogenaamde met publicatie van de koninklijke besluiten kan niet aanzien worden als een VII-27.837-20/98 omstandigheid waaruit blijkt dat de overheid de afdeling wetgeving zou hebben ingelicht aangaande de spoedeisendheid, aangezien deze omstandigheid zich niet voordeed op het moment van de adviesaanvraag (zie hieromtrent trouwens verder : verwerende partij heeft niet getalmd met de publicatie). Verwerende partij heeft zich, tot staving van het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag beroepen op het argument dat zij diende tegemoet te komen aan haar internationale verplichtingen aangaande richtlijn 97/11/EG en dat inzake rechtsonzekerheid dient vermeden te worden door het dringend in werking stellen van een vergunningssysteem. De ingeroepen redenen tot hoogdringendheid zijn wel degelijk pertinent :
  16. De verzoekende partijen stellen dat het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de procedure tot vergunning en machtiging niets te maken zou hebben met de implementatie van de MER-richtlijn. Enkel voor het koninkijk besluit van 20 december 2000 houden de milieueffectenbeoordeling kon formeel op de richtlijn teruggevallen worden. Deze stelling van verzoekende partijen is totaal onterecht, gezien het koninklijk besluit van 20 december 2000 houden de procedure tot vergunning en machtiging wel degelijk aspecten van de milieueffectenbeoordeling noodgedwongen ook regelt (de twee ministeriële besluiten zijn met elkaar verbonden; zie onder meer Afdeling II. De procedure met inspraak van het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de procedure tot vergunning en machtiging).
  17. Ingevolge Uw hoger vermelde rechtspraak kan het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag beoordeeld worden nadat de procedure tot het opstellen van het besluit doorlopen is en dient dit dus niet beoordeeld te worden bij de inwerkingtreding van de Europese richtlijnen. Het feit dat de in de te implementeren richtlijnen voorziene termijn reeds verstreken zou zijn, maakt het nemen van uitvoeringsmaatregelen er niet minder dringend op, integendeel zelfs.
  18. Zoals hoger vermeld, bleef de vergunningsplicht dode letter en dus een bron van rechtsonzekerheid zolang geen uitvoenngsbesluiten werden vastgelegd houdende voorwaarden en de procedure tot het verlenen van vergunningen en machtigingen. 1.2.
  19. De periode na de adviesverlening door de afdeling Wetgeving van de Raad van State Inzake werd advies verleend op 9 augustus 2000 en werden de koninklijke besluiten gepubliceerd op 25 januari 2001, doch gelet op de concrete omstandigheden kan dit geenszins aanzien worden als omstandigheden die het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag zouden tegenspreken. Verwerende partij verzoekt Uw Raad de volgende omstandigheden in acht te nemen bij het beoordelen van de publicatietermijn :
  20. Verwerende partij heeft inzake een advies gevraagd (weliswaar een spoedadvies) en geen beroep gedaan op de met bijzondere redenen omklede hoogdringendheid om geen advies te vragen. Verwerende partij vraagt Uw Raad om bij het beoordelen van de publicatieterrnijn het verschil tussen belde procedures in acht te willen nemen.
  21. Verwerende partij wijst erop dat de afdeling wetgeving van de Raad van State, zelfs na spoedprocedure, een zeer behoorlijk gemotiveerd advies verleend heeft, welk bestudeerd diende te worden in samenwerking met de B.M.M. en de bewuste koninklijke besluiten hebben betrekking op een uiterst complexe materie. Verwerende partij geeft een overzicht van de werkzaamheden die verricht werden in de periode tussen de adviesverlening en de publicatie van de koninklijke besluiten in het Belgisch Staatsblad en legt de stukken neer tot staving van het tijdsgebruik (stuk 12) : VII-27.837-21/98 - op 4 augustus 2000 werd door de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu om een advies verzocht binnen een termijn van 3 dagen, - op 9 augustus 2000 werd door de Raad van State, afdeling wetgeving een omstandig advies uitgebracht; - op 24 augustus 2000 werd een uitgifte afgeleverd van het advies aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu (zie stempel van de griffie op de laatste pagina van het advies); - op 13 september 2000 werd het advies van de Raad van State voor nuttig gevolg overgemaakt aan de B.M.M; - op 18 september 2000 werd deze zending ontvangen door de B.M.M en behandeld; - op 5 oktober 2000 werd door de B.M.M. een nota overgemaakt aan de minister, met in bijlage de ontwerpen van de koninklijke besluiten, aangepast aan de opmerkingen van de Raad van State. In de nota wordt gewezen op het feit dat de publicatie dringend is - op 12 oktober 2000 blijken er nog een aantal vragen te zijn bij de definitieve teksten van de koninklijke besluiten, voornamelijk in verband met de incorporatie van de bemerkingen van de Raad van State, welke via e-mail gesteld worden door Mevrouw Ann Daems (Kabinet Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu) aan de heer Georges Pichot (hoofd B.M.M.). Hierbij kan erop gewezen worden dat uit de e-mails blijkt dat, gelet op een dringende afhandeling van de zaak, de kabinetsmedewerkster zich tijdens haar ziekteverlof bezig houdt met de zaak; - op 16 oktober 2000 wordt een antwoord gegeven op de e-mail van 12 oktober 2000; - op 9 november 2000 wordt via e-mail een bijkomende vraag gesteld door Mevrouw Ann Daems (Kabinet van de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu) aan de heer Georges Pichot (hoofd BMM) in verband met de redactie van de tekst van de koninklijke besluiten en meer bepaald i.v.m. de gehanteerde terminologie; - op 11 november 2000 worden de ontwerpen van koninklijke besluiten door de heer Pichot (hoofd B.M.M.) overgemaakt aan Mevrouw Sonja Delissen (Kabinet van de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu); - op 22 november 2000 maakt de B.M.M. aan het Paleis van de Koning de tekst over van de artikelen 9-11 van het voorontwerp van 20 juli 2000; - op 27 november 2000 maakt de heer Pichot (hoofd B.M.M.) aan Mevrouw An Daems (Kabinet van de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu) een voorstel voor een nieuw artikel 11 over; - op 4 december 2000 worden een aantal vragen van het Paleis van de Koning overgemaakt aan de B.M.M.; - op 7 december 2000 maakt de heer Pichot (hoofd B.M.M) aan Mevrouw An Daems (Kabinet van de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu) de definitieve versies van de koninklijke besluiten over ter voorbereiding van de signataire voor de Koning. Hierin wordt vermeld dat het verslag aan de Koning de volgende dag, dus op 8 december 2000 zal volgen en tevens dient opgemerkt te worden dat thans de ondertekening van de KB's ten laatste tegen kerstmis wordt nagestreefd; - op 20 december 2000 worden de koninklijke besluiten door de Koning ondertekend, - op 22 december 2000 verzoekt het Kabinet van de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu aan de heer Deloof, VII-27.837-22/98 Secretaris Generaal van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu om dringend in te staan voor de publicatie in het Belgisch Staatsblad; - op 19 januari 2001 is een - de koninklijke besluiten verschijnen in het Belgisch Staatsblad van 25 januari
  22. Uit het bovenstaande blijkt ten overvloede dat de ver-werende partij, binnen de grenzen van de redelijkheid, een zo spoedig mogelijke publicatie van de koninklijke besluiten nagestreefd heeft en veel zorg, heeft besteed aan de redactie van de teksten en dit aangaande een complexe materie. De verwerende partij heeft zelf de zaak ook steeds als spoedeisend behandeld en wanneer er enige tijd verlopen is tussen het advies van de afdeling wetgeving en de effectieve publicatie, dan kan in elk geval vastgesteld worden dat de koninklijke besluiten in deze tussenperiode nooit Ter illustratie van de complexiteit van de materie waarover de koninklijke besluiten handelen verwijst verwerende partij naar het wettelijk kader dat onder meer bestaat uit : - de wet ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België van 20 januari 1999; - de wet betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt van 29 april 1999; - de wet betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee van 22 april 1999 - de wet houdende instemming met het Verdrag van de VN inzake het Recht van de zee (UNCLOS) van 18 juni 1998; - de wet houdende instemming met het Verdrag inzake milieu-effectenrapportage in grensoverschrijdend verband (Espoo, 25 februari 1991) van 9 juni
  23. In ondergeschikte orde: verzoekende partijen hebben geen belang bij het ingeroepen middel Zelfs indien Uw Raad -per impossibile - zou oordelen dat inzake een substantiële vormvereiste geschonden werd, dan wijst de ver-werende partij er op dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het ingeroepen middel aangezien wel degelijk een gemotiveerd advies verstrekt werd door de Raad van State, afdeling Wetgeving, of minstens geen persoonlijk belang. 2.
  24. De verzoekende partijen hebben geen belang Het verzuim van de substantiële vorm moet, in feite, op de inhoud van de gewraakte beslissing invloed hebben gehad. Inzake werd ondanks de spoedprocedure een degelijk gemotiveerd advies verschaft aangaande de koninklijke besluiten. Wat betreft het ontwerp van koninklijk besluit houdende de procedure tot vergunning en machtiging werd een advies verstrekt van maar liefst 35 pagina's (bespreking Nederlandse en Franse ontwerptekst), wat het ontwerp van koninklijk besluit houdende de regels betreffende de millieueffectenbeoordeling betreft, werd een advies van 26 pagina's verleend (bespreking Nederlandse en Franse ontwerptekst). In de aanhef van de besprekingen wordt dan wel gesteld dat de Raad van State zich gelet op de korte termijn heeft moeten VII-27.837-23/98 deze voorbehoudsclausule slechts een stijlclausule is. Het enige werkelijke voorbehoud dat uiteindelijk geldt ten aanzien van het door de afdeling Wetgeving uitgevoerde onderzoek is gelegen in het feit dat de afdeling Wetgeving niet heeft kunnen nagaan of de bepalingen van beide ontwerpen, bijvoorbeeld inzake termijnen, helemaal op mekaar afgestemd zijn. A contrario blijkt hieruit dat elk ontwerp afzonderlijk wèl integraal bestudeerd werd en in de praktijk stellen zich geen problemen aangaande het op mekaar afgestemd zijn van de termijnen van beide koninklijke besluiten. Hoe dan ook wijst verwerende partij erop dat de adviezen van de Raad van State juridisch niet bindend zijn, al hebben ze een hoog moreel gezag (en al werd in casu het advies van de Raad van State bestudeerd en gevolgd). ( zie ALEN, A., o.c., p. 292). Bijgevolg tonen verzoekende partijen op geen enkele wijze aan hoe hun belangen zouden kunnen geschaad zijn door het feit dat de koninklijke besluiten genomen werden na spoedadvies binnen de termijn van drie dagen in plaats van via een normale adviesaanvraag. 2.
  25. Verzoekende partijen hebben geen persoonlijk belang De argumenten van verzoekende partijen in verband met het inwinnen van een advies bij de Raad van State, dragen alle elementen van een actio popularis in zich. Zij hebben niet meer belang bij het feit dat de Raad van State geen advies, een spoedadvies of een omstandig advies verleend heeft en bij het feit of al dan niet terecht werd beroep gedaan op de drie dagen spoedprocedure, dan het belang dat iedere burger in het algemeen erbij heeft dat slechts beroep wordt gedaan op een spoedprocedure in geval van werkelijke hoogdringendheid. Verzoekende partijen geven in hun verzoekschrift zelfs niet aan tot welke andere, meer voor hen voordelige tekst, een advies dat niet binnen een termijn van drie dagen verstrekt werd ooit had kunnen leiden.
  26. In laatste orde: het gaat slechts om een beperkte onwettigheid die zonder invloed is op de bestreden ministeriële besluiten van 25 juni 2002 Verwerende partij verwijst naar wat hoger uiteengezet werd in verband met de voorbereidende werken van artikel 84, lid 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State : Uit de parlementaire voorbereidingen van de huidige wettekst blijkt dat vernietiging van de betrokken verordening werd mogelijk geacht Welnu, de Raad van State, afdeling Wetgeving, heeft uitsluitend niet kunnen nagaan of de bepalingen van beide ontwerpen van koninklijke besluiten, bijvoorbeeld inzake termijnen, helemaal op mekaar afgestemd zijn, maar alle artikelen van elk der ontwerpen afzonderlijk werden onderzocht. Bijgevolg, indien al enig artikel voor onwettig verklaring in aanmerking zou komen, betreft dit hoogstens de termijnen, in de mate dat deze niet op mekaar afgestemd zouden zijn. De facto stelt zich geen probleem wat betreft termijnen of het op mekaar afgestemd zijn van bepalingen, maar mocht Uw Raad - per impossibile- menen een termijn of VII-27.837-24/98 C. Besluit Het eerste middel is derhalve onontvankelijk, minstens ongegrond"; 5.1.
  27. Overwegende dat in de memories van de tussenkomende partijen wordt gesteld dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel, nu de wet op het mariene milieu wel degelijk in een rechtsgrond voor de vergunnings- en MER-plicht voorziet, en dat ook bij ontstentenis van de twee koninklijke besluiten van 20 december 2000 de overheid de vergunningsaanvraag zou moeten behandelen met inachtneming van de bestaande regels van Belgisch en Europees recht; dat de tussenkomende partijen benadrukken dat wel degelijk een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State werd ingewonnen, zodat er kennelijk geen schending is van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat de door de verzoekende partijen geciteerde rechtspraak betrekking heeft op gevallen waarbij het advies niet werd gevraagd en dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen opmerkingen maakte bij de motivering van de spoedeisendheid van de adviesaanvraag; dat zij stellen dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel, nu de afdeling wetgeving haar adviesbevoegdheid uitputte, en dat, gelet op de complexiteit van de te regelen materie en het aantal in te winnen en vervolgens te onderzoeken adviezen, er in casu niet gesteld kan worden dat de overheid dermate heeft getalmd dat alle redenen om het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State in te winnen, ongeldig zouden geworden zijn; 5.1.
  28. Overwegende dat in de memories van wederantwoord het volgende wordt uiteengezet : "In het eerste middel is schending aangevoerd van art. 3, §1 en art. 84, eerste lid, 2/, van de organieke wet (in de versie zoals die bestond toen op 4 augustus 1999 om een driedagenspoedadvies werd gevraagd) om twee redenen, nl. én omdat uit het verloop van de feiten naderhand de ingeroepen urgentie is tegengesproken én omdat de ter ondersteuning van de ingeroepen urgentie aangevoerde redenen ondeugdelijk zijn. Het arrest nr. 117.482 heeft het eerste onderdeel van het middel ernstig bevonden, waardoor een onderzoek naar het tweede onderdeel overbodig werd. I. Het schorsingsarrest heeft gesteld dat de urgentie tegengesproken wordt In het algemeen voert de Belgische staat op blz. 34 van haar memorie aan dat er na het bekomen van een spoedadvies nog zoveel plichtplegingen te vervullen zijn vooraleer het dringend geacht besluit in het Staatsblad kan gepubliceerd worden, dat het geheel normaal is dat advies en de publicatie'. De verwerende partij wijst er op dat zij lange lijsten van besluiten kan voorleggen waaruit blijkt dat in de regel verstrijken tussen het advies en de publicatie. Maar aldus geeft de federale staat te kennen, en bekent hij openlijk, dat nog steeds in zeer talloze gevallen op de extreme spoedprocedure beroep wordt gedaan, ofschoon er geen daadwerkelijke extreme spoed bestaat en dat mitsdien de wetgever, toen hij strenge motiveringseisen oplegde om misbruiken van de spoedprocedure zoveel mogelijk te voorkomen, in zijn opzet nog steeds niet geslaagd lijkt te zijn. Bovendien bedraagt het verschil tussen een driedagenadvies en een spoedadvies van 1 maand slechts 27 dagen. De verwerende partij maakt geenszins begrijpelijk dat in een procedure die volgens haar sowieso reeds Die algemene bedenking van de Belgische staat keert zich derhalve tegen haar. In concreto tracht de verwerende partij dan op blz. 37/38 een aantal plichtplegingen op te sommen die tussen 9 augustus 2000 en 25 januari 2001 zouden vervuld zijn en waaruit zou moeten blijken dat steeds Verzoekende partijen willen daarbij opmerken : • dat een dringend geacht besluit bij bepaling prioritair moet afgehandeld worden in alle fasen die het moet doorlopen, wat betekent dat de overheid moet aantonen dat in het concreet geval dat aan de orde is, anders en vlugger is gehandeld dan gebruikelijk het geval is met de afwerking van om het even welk koninklijk besluit; dit blijkt uit het gegeven overzicht helemaal niet; veeleer moet uit dat overzicht blijken dat men de beide litigieuze besluiten dezelfde afhandeling heeft voorbehouden als elk ander gewoon besluit; • dat precies omwille van de ingeroepen urgentie de verschillende zich opvolgende handelingen mekaar even snel moeten opvolgen als de snelheid die men aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voor het uitbrengen van het advies heeft opgelegd, wat te dezen hoegenaamd niet het geval is; zo blijken er tussen diverse stadia meer dan eens meer dan 27 dagen verlopen te zijn, termijn die men aan de afdeling wetgeving had kunnen gunnen om tot een grondiger advies te kunnen komen; ingeval van een écht spoedadvies kan de expeditie in een paar uren tijd of minder afgeleverd worden; alleen reeds om het advies aan de B.M.M. over te maken waren er ... 20 dagen nodig (van 14/8 tot 13/9 2000)!; zo moest de afdeling wetgeving binnen de 3 dagen - in volle vakantieperiode - het advies afleveren, maar dan permiteerde de B.M.M. zich wel 17 dagen om enkel de gesuggereerde aanpassingen aan te brengen, waaraan blijkbaar nadien nog eens moest gesleuteld worden; omzeggens 5 weken zijn nodig geweest om de publicatie te realiseren, ofschoon echt dringende besluiten (bv. in tijden van dierenpest of dioxinecrisis of ontslag van ministers) vaak reeds 's anderendaags of zelfs reeds nog de dag zelf van de beslissing gepubliceerd kunnen worden! Kortom, de film van de feiten toont geenszins aan dat II. Overigens is ook het tweede onderdeel gegrond.
  29. De overheid kan haar eigen onverantwoorde verdraging in de implementatie van een richtlijn nooit inroepen om, jaren nadien, de urgentie aan te voeren. Uw Raad heeft dit nogmaals bevestigd in het arrest nr. 108 096 van 19 juni
  30. Ook de ingeroepen noodzaak aan rechtszekerheid is niet pertinent, nu niet aangetoond is waarin de beweerde rechtsonzekerheid wel kon bestaan, laat VII-27.837-26/98 staan dat die beweerde toestand van rechtsonzekerheid niet aan de overheid zelf toe te schrijven zou geweest zijn. Gewoon affirmeren dat de rechtszekerheid een urgente behandeling vereist, staat gelijk met niets zeggen of zeggen dat alle wetten en besluiten urgent zijn want in beginsel worden ze allen geacht de rechtszekerheid te dienen. Art.
  31. §1 van de organieke wet duldt geen algemene affirmaties. Overigens spreken zowel de verwerende partij als de tussenkomende partijen dit rechtszekerheidsargument formeel tegen waar zij voorhouden dat de bekritiseerde machtiging en vergunning uiteindelijk zelfs geen rechtsgrond vinden in de besluiten van 20 december 2000 en een voldoende rechtsgrond hebben in de marinemilieuwet. Dit is evenveel als zeggen dat die koninklijke besluiten niet eens nodig waren, vermits de basiswet kon volstaan! Wat kan dan wel de rechtsonzekerheid zijn geweest? In elk geval geven zij zodoende onmiskenbaar aan dat die beide besluiten zeker niet dringend nodig waren om de zo beweerde rechtsonzekerheid de wereld uit te helpen. III. Het besluit is dat de verwerende partij en de tussenkomende partijen geen argumenten hebben aangereikt die van aard zouden zijn tot een andere rechtsoplossing te leiden dan is aangenomen in het schorsingsarrest van 25 maart 2003"; 5.1.5.
  32. Overwegende, wat de kritiek betreft dat een eventuele onwettig- heid van de aangevoerde koninklijke besluiten niet van die aard is dat zij het afleveren van de machtiging voor het bouwen en de vergunning voor het exploiteren van windmolens in de weg zou staan, dat zowel uit de aanvragen, de gevolgde vergunningsprocedure als uit de machtiging en de vergunning zelf blijkt dat de beoordeling van de machtigings- en vergunningsaanvraag zijn verlopen overeenkomstig de twee reeds aangehaalde koninklijke besluiten van 20 december 2000 en dat de bestreden besluiten werden verleend overeenkomstig en in toepassing van deze koninklijke besluiten; dat overigens de artikelen 2 van de thans bestreden besluiten uitdrukkelijk bepalen dat aan de tijdelijke vereniging ELECTRABEL-ONDERNEMINGEN JAN DE NUL respectievelijk een machtiging voor de bouw en een vergunning voor de exploitatie wordt verleend "overeenkomstig de aanvraag, van een park van vijftig windmolens met een nominaal vermogen van 2 megawatt, ten noorden van de Vlakte van de Raan, overeenkomstig het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en met naleving van de gebruiksvoorwaarden die in bijlage II van dit besluit zijn opgenomen"; dat de bestreden besluiten toepassing maken van de in de vernoemde koninklijke besluiten van 20 december 2000 vervatte regelingen; dat, voorts, uit de overige bepalingen van de besluiten blijkt dat de thans bestreden machtiging en vergunning dienen te worden uitgevoerd binnen het raam van het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België; dat de bestreden besluiten niet alleen rechtsgrond VII-27.837-27/98 vinden in de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België maar ook in de betrokken regelingen; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 5.1.5.
  33. Overwegende dat de Raad van State, afdeling wetgeving, eerste vakantiekamer, op 4 augustus 2000 door de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu werd verzocht haar, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over respectievelijk een ontwerp van koninklijk besluit "houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België" (zaak L. 30.564/1/V) en respectievelijk een ontwerp van koninklijk besluit "houdende de regels betreffende de milieueffectbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder rechtsbevoegdheid van België" (zaak L. 30.565/1/V); dat beide adviezen, die werden gegeven op 9 augustus 2000, na het aanhalen van de redenen die in de adviesaanvraag worden opgegeven tot staving van het spoedeisend karakter ervan, vermelden : "Gelet op de korte termijn welke hem voor het geven van zijn advies wordt toegemeten, heeft de Raad van State zich moeten beperken tot de hiernavol- gende opmerkingen"; dat voorts in de zaak L. 30.564/1/V de volgende algemene opmerking wordt gemaakt : "Zoals uit de beschrijving van de strekking van het ontwerp (...) blijkt, moeten de bepalingen van het voorliggende ontwerp gelezen worden in samenhang met die van het ontwerp L. 30.565/1/V, inzonderheid met de bepalingen van hoofdstuk II van dat ontwerp ('De milieueffectenbeoordeling van activiteiten voorafgaandelijk aan het verlenen van een vergunning of machtiging'). Binnen de korte termijn die hem voor het geven van zijn advies is toegemeten, heeft de Raad van State niet kunnen nagaan of de bepalingen van beide ontwerpen, bijvoorbeeld inzake termijnen, helemaal op elkaar afgestemd zijn"; dat de Raad van State bij zijn artikelsgewijs onderzoek van de ontworpen artikelen 15 tot 17 er aan herinnert dat hij niet heeft kunnen nagaan of de bepalingen van de twee ontwerpen volledig op elkaar afgestemd zijn; dat in het advies L. 30.565/1/V de volgende algemene opmerking wordt geformuleerd : "Zoals uit de beschrijving van de strekking van het ontwerp (...) blijkt, moeten de bepalingen van het hoofdstuk II van het voorliggend ontwerp gelezen worden in samenhang met die van het ontwerp L. 30.564/1/V. VII-27.837-28/98 Binnen de korte termijn die hem voor het geven van zijn advies is toegemeten, heeft de Raad van State niet kunnen nagaan of de bepalingen van beide ontwerpen, bijv. inzake termijnen, helemaal op elkaar afgestemd zijn. De discrepanties waarop hierna, bij de artikelsgewijze bespreking gewezen wordt, zijn dan ook niet noodzakelijk uitputtend"; dat uit het voorgaande niet kan worden besloten dat, spijts de korte termijn, de Raad van State, afdeling wetgeving, een volwaardig onderzoek aan de betrokken ontwerpteksten heeft gewijd; dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de eerste verzoekende partij geen belang heeft bij het middel; 5.1.5.
  34. Overwegende dat tot slot de omstandigheid dat adviezen van de Raad van State, afdeling wetgeving, juridisch niet bindend zijn, het belang van de eerste verzoekende partij bij het middel niet ontneemt; dat de aangevoerde excepties worden verworpen; 5.1.5.
  35. Overwegende dat, wat de grond van de zaak betreft, artikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder meer bepaalt : "Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid, en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrich- tingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers (...), ieder wat hem betreft, aan het met redenen omklede advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. (...)"; dat artikel 84, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, bepaalt dat het onderzoek van de zaken plaatsvindt in volgorde van inschrijving op de rol, uitgezonderd, onder meer, "wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4"; dat in dit geval de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, moet worden overgenomen in de aanhef van de verordening; dat de afdeling wetgeving de eerste beoordelaar is van de rechtmatigheid van de "bijzondere redenen" die in een haar overgelegde adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van de spoedeisendheid van die aanvraag; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, zij van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, er alsdan in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar VII-27.837-29/98 van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; dat de afdeling wetgeving niet heeft gesteld dat het verstrijken van de omzettingstermijn geen geldig motief kan vormen om een spoedadvies in te winnen; dat de verwerende partij er dan ook op kon vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mocht verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; dat de verwerende partij, in tegenstelling tot haar verweer in de schorsingsprocedure, in de memories van antwoord op gedetailleerde wijze de werkzaamheden uiteenzet die werden verricht na het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State; dat die uiteenzetting volledig wordt gestaafd door stukken uit het administratief dossier; dat daaruit blijkt dat de verwerende partij niet onredelijk lang heeft getalmd met de verdere uitwerking van de betrokken besluiten zodat daardoor het spoedeisend karakter van de regeling zou worden tegengesproken; dat het middel niet gegrond is; 5.2.
  36. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun verzoekschriften in een tweede middel het volgende opwerpen : "Het bestreden besluit schendt art. 5.3/, vierde streepje, art. 8 en de bijlage IV.2 van de richtlijn 85/337/EEG dd. 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd door de richtlijn 97/11/EG dd. 3 maart 1997, in werking sedert 3 april 1997 (zgn. projectrichtlijn). Het schendt eveneens art. 28, § 2 en 30, § 1 van de MMW dd. 20 januari 1999, art. 10, 3/, art. 10, 5 a en art. 11, eerste lid en tweede lid, 1/ en 3/ van het K.B. MER dd. 20 december
  37. Het besluit schendt tevens art. 4.1 en het Aanhangsel II van het verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband gedaan te Espoo op 25 februari 1991 en goedgekeurd bij wet van 9 juni 1999 (B.S. 31 december 1999). Het schendt uiteindelijk tevens het materieel motiveringsbeginsel en mist de rechtens vereiste feitelijke grondslag.
  38. Eerste onderdeel De MER-richtlijn bepaalt in art. 1.2 dat onder Art. 2.1 legt de lidstaten op voor alle projecten, waarvan sprake in art. 4, de nodige maatregelen te treffen Art. 5.3, vierde streepje, richtlijn 85/337/EG dd. 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling bepaalt : (...) - een schets van de voornaamste alternatieven,die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, met inachtneming van de milieu-effecten'. De bijlage IV. 2/ van die richtlijn, die handelt over de informatie overeenkomstig art. 5.1 van de richtlijn, zegt eveneens : VII-27.837-30/98 Art. 8 van de richtlijn schrijft voor : en 7 ingewonnen informatie worden in het kader van de vergunningsprocedure in aanmerking genomen'. Onder de energiebedrijven die principieel MER-plichtig zijn vermeldt de bijlage II.3.i : Art. 4.1/ van het Espoo-verdrag bepaalt : Ingevolge art. 2 van de instemmingswet van 9 juni 1999 maken deze bepalingen deel uit van de interne Belgische rechtsorde. Zijnerzijds bepaalt art. 28, § 1 van de MMW dd. 20 januari 1999 dat degene die een vergunningsplichtige activiteit wenst te ondernemen in het zeegebied bij zijn aanvraag daartoe een MER moet voegen, opgemaakt uit drie delen bestaan. Wat het tweede deel betreft, nl. het deel betreffende de effecten van de voorgenomen activiteit op het mariene-milieu, zegt art. 10.3/ van dat besluit dat het moet bevatten : Tenslotte schrijft art. 11 voor dat het derde deel van het rapport, nl. de zgn. * een Het MER, zoals het aan het openbaar onderzoek is onderworpen, behandelt sub 3.6.2 een aantal VII-27.837-31/98 economische geschiktheid. Om een gebied te kwalificeren als geschikt, eventueel geschikt of uitgesloten worden 13 criteria aangewend, doch geen enkel criterium dat verband houdt met een of ander aspect van mogelijke effecten op het marinemilieu, doch uitsluitend criteria ‘die een beperking kunnen inhouden voor het project’. Welke de mogelijke effecten zijn van die andere locaties op het stuk van fauna, flora, biodiversiteit, mens, bodem, water, atmosfeer, enz (zie art. 10, 3/ K.B. MER) vindt men er helemaal niet in terug. Laat staan dat er vanuit die invalshoek een behoorlijke vergelijk zou zijn gemaakt tussen de aangehaald geschikte en eventueel geschikte gebieden, eensdeels, en het weerhouden gebied, anderdeels. Voor het overige handelt het MER enkel over de eventuele milieueffecten in het projectgebied. Ook in de niet-technische samenvatting zoekt men vruchteloos naar een De BMM heeft dat hiaat onderkend na erop gewezen te zijn geworden door het Op blz. 13 van bijlage I aan het bestreden besluit antwoordt de BMM daarop wat volgt : besproken in het hoofdstuk 1.2 technische beschrijving van het project. Betreffende de ruimtelijke ordening op zee wijst de BMM erop dat dit een bevoegdheid is die verschillende administraties aanbelangt. De BMM is bereid mee rond te tafel te zitten om zo'n ruimtelijk ordeningsplan mee te helpen ontwikkelen. Over de inplanting op land kan de BMM geen uitspraak doen aangezien deze Gewestelijke bevoegdheidsmaterie is'. Het kan dan al zo zijn dat de aanvrager de locatie van zijn project vaststelt. Het staat echter aan het bestuur de vergunning te weigeren wanneer blijkt dat de gewenste en door de aanvrager vastgestelde locatie, na vergelijking van de milieueffecten op het mariene milieu van andere geschikte gebieden, niet de meest geschikte locatie is. Bij het besluit mogen enkel die motieven een rol spelen en niet ook motieven van technische en/of economische haalbaarheid. Het MER voldoet mitsdien wat de aangehaalde (en mogelijke andere) locaties betreft in geen enkel opzicht aan de voorschriften van de in het middel aangehaalde verdrags- en wetsbepalingen, zodat het er op geënt besluit in dezelfde onwettigheid deelt. Die gebreken zouden in een latere stand van de procedure niet kunnen goedgemaakt worden door aanvullende studies en onderzoeken van het bestuur (BMM), vermits die aanvullingen niet aan de consultatie van het publiek zijn onderworpen, zoals nochtans voorgeschreven door art. 6.2 van de MER- richtlijn. Overigens beantwoorden de bijkomende onderzoeken van de BMM al evenmin aan de voorgeschreven vereisten wat de mogelijke alternatieven betreft. II. Tweede onderdeel VII-27.837-32/98 Bij het als criterium aangewend. Daaromtrent zegt het MER op blz. 42 : Blijkens blz. 45 van het MER moet de vlakte van de Raan beschouwd worden als Nochtans leest men in de MEB door het bestuur : * op blz. 85 : waarvan het meest zuidelijke punt van deze ruitconfiguratie loodrecht is georiënteerd op de oostelijke strekdam van de haven Zeebrugge. Deze configuratie is gunstig omdat het dichtste punt, nl. de Zeebrugse haven op 11-12 km van het zuidpunt van het windmolenpark is gelegen. Op dit punt zal de visuele impact het grootst zijn. Naar de ZW badplaatsen toe (Blankenberge-Wenduine en De Haan) zal het effect steeds kleiner worden. De voorgestelde oriëntatie noord-west-zuid-oost is beredeneerd vanuit de visuele storing - het meest gunstig voor de Vlaamse badplaatsen op de kustlijn die het dichtst bij liggen : op 12,5 - 13 km liggen immers Het Zoute - Knokke - Duinbergen'. * op blz. 92, sub. 5.7.
  39. : Daaruit volgt dat de visualiteitsafstand, zeker van op talrijke plaatsen langs de kust, minder dan 12,5 km bedraagt, minstens dat niet met de nodige zekerheid uitgemaakt is dat het meer dan 12,5 km bedraagt. Mitsdien heeft het MER de Vlakte van de Raan ten onrechte als aangenomen, daar waar ze volgens de eigen gestelde criteria slechts als Het bestreden besluit neemt die ongerijmdheid over, zodat het het materieel motiveringsbeginsel schendt en de rechtens vereiste feitelijke grondslag mist"; 5.2.
  40. Overwegende dat de verwerende partij in haar memories van antwoord stelt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel omdat niet valt in te zien hoe een uitgebreidere beschrijving van alternatieve projecten het belang van een ongestoord uitzicht of de toeristische reputatie zou kunnen dienen; dat zij vervolgens uiteenzet dat de Europese richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten geenszins bepaalt dat het milieu-effectenrapport (MER) op exhaustieve wijze de milieu-effecten van alle mogelijke alternatieven moet bespreken maar enkel een schets vereist van de voornaamste alternatieven waarbij de milieu-effecten VII-27.837-33/98 moeten worden in acht genomen; dat zij stelt dat te dezen het MER wel degelijk de alternatieve locaties van het windmolenpark schetst, de voornaamste alternatieven van het project behandelt en dat de locatiealternatieven daarin werden geanalyseerd op grond van een hele reeks criteria, waaronder de visuele impact, de visserij en de natuurreservaten en op grond daarvan tot het besluit kwam dat het gebied nabij de Vlakte van de Raan het meest geschikt bleek; dat zij vervolgt dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat het openbaar onderzoek niet deugdelijk zou zijn; dat zij eveneens betoogt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het tweede onderdeel van het middel, nu de visualiteitsafstand tussen Knokke-Heist en het windmolenpark minstens 12,5 km bedraagt , en de verzoekende partijen er dus geen belang bij hebben in te roepen dat die afstand vanop andere plaatsen minder dan 12,5 km bedraagt en dat uit de analyse van de gehele inhoud van het MER en de milieu-effectenbeoordeling (MEB) kan worden afgeleid dat er tussen beide geen tegenstrijdigheid bestaat, nu de minimumafstand van 12,5 km van het windmolenpark tot aan de kust werd gerespecteerd, behoudens de kop van de westelijke strekdam van de haven van Zeebrugge, waar de verzoekende partijen echter niet woonachtig of gevestigd zijn; 5.2.
  41. Overwegende dat de tussenkomende partijen eveneens stellen dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het tweede onderdeel van het middel nu zij niet in de haven van Zeebrugge wonen, respectievelijk geen enkele bevoegdheid kunnen uitoefenen m.b.t. deze haven, enerzijds, en het betrokken windmolenpark wel op meer dan 12 km van de woning van eerste verzoekende partij en de grens van de gemeente Knokke-Heist ligt anderzijds, dat het in de eerste plaats aan het bestuur toekomt de volledigheid van het MER te beoordelen, dat het MER aantoont dat zowel de te verwachten effecten op het milieu als de voornaamste alternatieven behoorlijk onderzocht en beschreven werden, dat de voornaamste onderzochte alternatieven uitvoerig werden uiteengezet en dat daarbij de locatiealternatieven aan bod kwamen aan de hand van een reeks criteria, o.m. visuele impact, visserij, natuurreservaten en dat daaruit bleek dat de Vlakte van de Raan het meest geschikt was; dat zij aanstipt dat uit een Deense studie blijkt dat de minimumafstand uit de kust genomen (de badplaatsenkustlijn) 12,5 km dient te zijn en dat uit het MER en de MEB blijkt dat deze afstand werd geëerbiedigd; 5.2.
  42. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memories van wederantwoord betogen dat de schets of beschrijving van de alternatieven minstens van die aard moet zijn dat zij toelaat dat zowel het te consulteren publiek als de tot beslissen bevoegde overheid in de mogelijkheid is gesteld daadwerkelijk en effectief VII-27.837-34/98 een vergelijking te maken qua voor- en nadelen van de verschillende voorgestelde alternatieven op het stuk van milieu-effecten en dat enkel de door de investeerders voorgestelde locatie het voorwerp is geweest van een uitgebreid onderzoek naar de milieu-effecten, dat op p. 41 van het MER wel wordt gezegd dat bij het bepalen van de criteria om de mogelijke locaties in drie categorieën onder te verdelen onder meer rekening is gehouden met "de globale milieu-effecten van het project", maar dat men vruchteloos zoekt om welke globale milieu-effecten het in concreto kan gaan; dat volgens de verzoekende partijen de milieueffecten van een windmolenpark op de Thorntonbank zo niet kunnen worden beoordeeld; dat zij uiteenzetten dat hun verwijt er niet in bestaat dat er geen uitgebreide studie is geweest van de alternatieven, maar dat er helemaal geen studie is geweest van de alternatieven, en zeker geen studie die afdoende elementen bevat om tot een verantwoorde afweging en beslissing te komen i.v.m. de locatie die door de investeerders is gewenst; 5.2.5.
  43. Overwegende dat artikel 5, punt 3, vierde gedachtenstreepje, van de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu- effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd door de Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997, bepaalt dat de informatie die de opdrachtgever in het MER moet verstrekken ten minste (onder meer) omvat: "een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, met inachtneming van de milieu-effecten"; dat bijlage IV bij de Richtlijn omschrijft welke informatie een MER overeenkomstig artikel 5, lid 1, dient te omvatten; dat onder punt 1 te lezen staat dat een beschrijving van het project nodig is, onder punt 2 : "in voorkomend geval een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, in het licht van de milieu-effecten", onder punt 3 "een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke milieu-effecten van het voorgenomen project op met name : de bevolking, fauna en flora, bodem, water, lucht, de klimatologische factoren, materiële goederen, met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap en de interrelatie tussen genoemde factoren" en onder punt 4 dat een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke milieu-effecten van het project moet worden gegeven ten gevolge van bepaalde factoren; dat artikel 9, 3/, van het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de regels betreffende de milieu-effectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België inzake het MER bepaalt : VII-27.837-35/98 "Het deel betreffende de voorgenomen activiteit als dusdanig bevat : (...) 3/ een beschrijving van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor de activiteit, onder andere inzake lokalisatie, inzake wijze van uitvoering of inzake milieu-voorzieningen'; dat uit de hierboven weergegeven voorschriften moet worden afgeleid dat bij de voornaamste alternatieven slechts in grote lijnen moet worden stilgestaan; dat men immers niet voor elk alternatief een even omvangrijk MER kan opstellen als voor het betrokken project zelf; dat uit de door de verzoekende partijen geciteerde bepalingen volgt dat het project zelf weliswaar omstandig op zijn milieu-effecten moet worden onderzocht, maar niet de alternatieven; dat uit het geciteerde koninklijk besluit, zeker als men het interpreteert in het licht van de bepalingen van de MER- richtlijn, niet volgt dat de milieu-effecten op een alternatieve locatie van het voorgenomen project, omstandig dienen te worden onderzocht; 5.2.5.
  44. Overwegende dat in het MER wordt stilgestaan bij de alternatieven en de verantwoording van het project; dat daarbij wordt onderzocht welke projectalternatieven, locatiealternatieven en uitvoeringsalternatieven er zijn; dat wordt uiteengezet dat de opstelling van een equivalent windturbineproject op het land de opstelling van nagenoeg het dubbele vermogen zou vereisen om dezelfde opbrengst te bekomen, aangezien de windgesteldheid op zee beter is dan op het land, dat vervolgens een onderverdeling wordt gemaakt in drie categorieën, met name de geschikte zones, de eventueel mogelijke zones en de uitgesloten zones, waarvoor werd uitgegaan van een aantal criteria, zoals "visuele impact, visserij en natuurreservaten"; dat wat de visuele impact betreft op basis van een Deense studie 12,5 km uit de kust wordt genomen als de te respecteren minimumafstand om de visuele impact te beperken; dat dus expliciet wordt stilgestaan bij de visuele impact, zijnde de voornaamste bekommernis van de verzoekende partijen; dat uit het MER blijkt dat projectalternatieven zijn onderzocht, zowel wat betreft de locatie, als wat betreft de voornaamste milieu-effecten; dat daarnaast ook de aspecten inzake visserij en natuurreservaten werden in ogenschouw genomen; dat het MER voldoet aan de voorgeschreven vereisten en dat men bijgevolg ook niet kan stellen dat het openbaar onderzoek ondeugdelijk zou zijn geweest; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 5.2.5.
  45. Overwegende dat, wat betreft het tweede onderdeel, uit het MER blijkt dat het dichtste punt van het windmolenpark, met name de haven van Zeebrugge, op 11-12 km van het zuidpunt ervan ligt en dat de feitelijke VII-27.837-36/98 badplaatsenkustlijn op 13 km en meer van het windmolenpark ligt; dat uit datzelfde rapport blijkt dat op basis van een Deense studie 12,5 km uit de kust wordt genomen als de te respecteren minimumafstand om de visuele impact te beperken; dat die afstand ten opzichte van de kustlijn werd in acht genomen; dat dit enkel niet het geval is ten opzichte van de haven van Zeebrugge; dat daaruit niet kan worden besloten dat de verwerende partij niet consequent zou zijn wat betreft de in acht te nemen afstanden; dat het immers redelijk en zelfs voor de hand liggend is om voor havengebieden een uitzondering te maken, nu zulk een gebied zich niet leent voor het gangbare toerisme en uiteraard al evenmin voor bewoning; dat het tweede onderdeel evenmin gegrond is; 5.2.5.
  46. Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is; 5.3.
  47. Overwegende dat het derde middel in beide zaken als volgt luidt : "Het besluit schendt art. 19, § 1, tweede lid, van het K.B. dd. 20 december 2000 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. Deze bepaling luidt als volgt : Die bepaling moet uiteraard in samenhang gelezen worden met wat erop volgt, nl. : De bedoeling van de als geschonden aangeduide bepaling is mitsdien de belanghebbenden op zicht van de bekendmaking in het staatsblad in de mogelijkheid te stellen op zinvolle en doeltreffende wijze hun standpunten, opmerkingen en bezwaren te formuleren, zonder te moeten gebruik maken van het - overigens ontoelaatbaar beperkt - inzagerecht ter plaatse, als georganiseerd door art. 19, § 2 K.B. VEMA, welk inzagerecht overigens in de tijd beperkter is (maximum slechts 30 dagen) dan het reclamatierecht. De mogelijkheid voor reclamatie vangt immers aan op de dag van de betekening door de aanvrager aan het bestuur van het bewijs van betaling van de verschuldigde retributie, terwijl de inzagetermijn van 30 dagen slechts ingaat de 30ste dag na gezegde betekening. Opdat de belanghebbenden op maximale wijze van hun reclamatierecht zouden kunnen gebruik maken, is het mitsdien substantieel dat zij effectief reeds via de publicatie in het staatsblad kennis krijgen van een beknopte beschrijving VII-27.837-37/98 De bekendmaking in het staatsblad is gebeurd op 4 september 2000, terwijl de termijn voor reclamatie in beginsel reeds inging op 10 augustus 2001 - maar grotendeels niet kon geëffectueerd worden doordat de bekendmaking van de aanvraag eerst op 4 september daarna gebeurde-. Behoudens mededeling van de plaats waar en de dag vanaf wanneer plaatselijk inzagerecht mogelijk was, leest men in de bekendmaking enkel wat volgt : Het project omvat de bouw en exploitatie van een windmolenpark met een totale capaciteit van 100 MW, omvattende 50 turbines en gesitueerd op de Vlakte van de Raan, langs de grenslijn tussen de territoriale zeeën van België en Nederland. Men zoekt er tevergeefs een beknopte samenvatting Zoals gezegd moet de formaliteit van het openbaar onderzoek en de voorschriften die bepalen welke informatie daartoe aan de belanghebbenden moet worden verschaft, geacht worden substantieel te zijn. Een besluit genomen na een onregelmatig openbaar onderzoek, is met dezelfde onregelmatigheid behept"; 5.3.
  48. Overwegende dat de verwerende partij betoogt dat de verzoekende partijen hun belang bij het middel niet aantonen nu een gebrek in de bekendmaking hen niet belette bezwaar in te dienen; dat de publicatie in het Staatsblad niet in extenso de te verwachten effecten op het mariene milieu en de risico’s voor accidentele verontreiniging zoals deze zijn opgenomen in het MER moet beschrijven, derwijze zelfs dat belanghebbenden bezwaar zouden kunnen indienen zonder gebruik te moeten maken van het inzagerecht ter plaatse, dat om dat de bewerkstelligen immers het gehele MER zou moeten worden gepubliceerd in het Staatsblad, dat in casu de publicatie van de aanvraag de belanghebbenden toeliet zich een duidelijk beeld te vormen van de omvang van het project, zodat hun recht op inspraak niet in het gedrang kwam; 5.3.
  49. Overwegende dat de tussenkomende partijen eveneens om dezelfde redenen aanvoeren dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel; 5.3.
  50. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memories van wederantwoord nog benadrukken dat de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad geen beknopte beschrijving bevatte van de te verwachten effecten op het mariene milieu en de risico’s voor ongevallen die verontreiniging kunnen veroorzaken, VII-27.837-38/98 terwijl het nochtans de bedoeling is de bevolking hieromtrent een allereerste, beknopte informatie te geven, teneinde de inspraakprocedure te vergemakkelijken, alsook de beslissing te laten nemen om al of niet aan die inspraakprocedure deel te nemen; 5.3.
  51. Overwegende dat het niet de bedoeling kan zijn van de verplichting tot bekendmaking dat derden-belanghebbenden op zicht van de bekendmaking van het geplande project in het Belgisch Staatsblad hun standpunten, opmerkingen en bezwaren moeten kunnen formuleren; dat de verzoekende partijen aan de hand van het bericht reeds konden weten dat het zou gaan om een windmolenpark met 50 windmolens (totaal 100MW) op het Belgisch gedeelte van de Vlakte van de Raan; dat zij zich aldus reeds een eerste idee konden vormen over de mogelijke weerslag van het project, en in elk geval voldoende informatie kregen om te beslissen of men van het inzagerecht van het dossier gebruik zou maken om dan al of niet bezwaren in te dienen; dat vermits de vergunningsaanvraag en het MER ter inzage hebben gelegen en de verzoekende partijen in de mogelijkheid verkeerden om op basis daarvan bezwaren in te dienen -wat de tweede verzoekende partij overigens heeft gedaan- men niet kan stellen dat de beweerde gebrekkige bekendmaking in het Belgisch Staatsblad hun bezwaarrecht zou hebben aangetast; dat het derde middel niet gegrond is; 5.4.
  52. Overwegende dat in een vierde middel in beide zaken het volgende wordt betoogd : "Het bestreden besluit schendt art. 32 van het K.B. dd. 20 december 2000 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. Deze bepaling, genomen in uitvoering van art. 26 van de MMW dd. 20 januari 1999, luidt als volgt : Art. 16 K.B. MER-besluit dd. 20 december 2000 schrijft o.m. het volgende voor : In de gevallen waar het bestuur de voorgenomen activiteit aanvaardbaar acht, spreekt het zich in de milieu-effectenbeoordeling ook uit over : - de voorwaarden waaronder de activiteit aanvaardbaar is; (...) - de compensatie in milieuvoordelen die aangewezen is voor de nadelige effecten van de activiteit'. VII-27.837-39/98 Hoofdstuk 8 van de MEB behandelt de Hoofdstuk 10 van de MEB behandelt de Uit de aangehaalde wetsbesluiten volgt dat de minister in die zin door de - Het bestreden besluit gaat aan minstens volgende door de BMM geformuleerde voorwaarden voorbij zonder enige motivering : • Voorwaarde 1 • Voorwaarde 17 Na overleg, en op advies van het Bestuur, beslist de bevoegde Minister over de maatregelen en modaliteiten volgens dewelke de site in zijn oorspronkelijke staat wordt hersteld. Uitzondering hierop is het afzagen van de palen en de verwijdering ervan beschreven in het Ministerieel Besluit houdende toekenning aan de tijdelijke ondernemingen Electrabel-Ondernemingen Jan De Nul van een domeinconcessie voor de bouw en de exploitatie van installaties voor de productie van elektriciteit uit wind in mariene zone (ten Noorden van de Vlakte van de Raan) van 27/03/02 (MB). Niettemin dient rekening gehouden te worden met de erosie in het gebied. Indien het Bestuur oordeelt dat de palen tot op een grotere afstand dan deze vermeld in het MB dienen te worden afgezaagd, om rekening te houden met de heersende erosie dan behoudt het Bestuur het recht om hieromtrent andere normen aan de Minister voor te stellen'. (blz. 112) • Voorwaarde 19 • Voorwaarde 20 • Voorwaarde 25 VII-27.837-40/98 strikt minimum te houden. De plannen dienen voor advies aan het begeleidingscomité te worden voorgelegd, en door het Bestuur goedgekeurd. De gepaste veiligheidsmaatregelen dienen te worden voorzien opdat onbevoegde personen zich geen toegang kunnen verschaffen tot de loopbruggen en de palen' (blz. 114). De beschouwing in het bestreden besluit Wat betreft de compensaties in milieuvoordelen, voorziet de BMM in de MEB volgende compensatie : • sub 10.3 • sub 10.6 wordt een compensatie voorzien voor risico's en gevolgen van mogelijke rampen. De BMM overweegt De minister wijst echter zonder enige redengeving de voorgestelde compensatie af in volgende termen : NUL op te leggen teneinde de paraatheid van de overheid in geval van scheepsramp en pollutie te verhogen; dat zij van oordeel is dat daarentegen een bedrag van 8000000 EUR als financiële zekerheid aan de Tijdelijke Vereniging ELECTRABEL-ONDERNEMINGEN JAN DE NUL moet worden gevraagd, in toepassing van artikel 31, tweede paragraaf van het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België'. Waarom de minister de voorgestelde compensatie 10.3 afwijst, verneemt men niet. Wat de compensatie 10.6 betreft zegt het besluit enkel dat de minister er niet heeft voor geopteerd en Alleen verneemt men in art. 9, § 2 van het besluit wat die zekerheid geacht wordt allemaal te waarborgen. Daarin vindt men het verhogen van de paraatheid VII-27.837-41/98 van het optreden van de overheid in geval van scheepsramp en pollutie niet terug. Art. 32 K.B. VEMA verplicht nochtans de minister te verduidelijken waarom hij/zij het, anders dan de BMM, niet nodig vindt maatregelen te treffen om de paraatheid van het overheidsoptreden te verhogen"; 5.4.
  53. Overwegende dat de verwerende partij in de memories van antwoord betoogt dat de aangehaalde voorwaarden geen uitstaans hebben met het belang van de verzoekende partijen; dat zij vervolgens stelt dat zij wel degelijk rekening hield met de voorgestelde voorwaarden en deze waar nodig op gemotiveerde wijze niet heeft gevolgd; dat zij erop wijst dat de formele motiveringsplicht niet inhoudt dat, wanneer de overheid afwijkt van bepaalde adviezen, zij die adviezen uitdrukkelijk moet weerleggen, maar dat het noodzakelijk maar voldoende is dat zij in de beslissing zelf duidelijk de redenen doet kennen die de beslissing verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd; dat zij uiteenzet dat zij, wat betreft voorwaarde 1, op grond van artikel 5 van het verdrag van 25 februari 1991 inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband (Espoo-verdrag) en artikel 20 van het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, enkel verplicht was tot een overleg met Nederland, zonder dat een akkoord vereist was, dat dit overleg plaatsgreep, hetgeen blijkt uit briefwisseling en P.V.’s van vergaderingen én uit de motivering van het bestreden besluit; dat zij stelt dat zij dus wel degelijk voorwaarde 1 van de Beheerseenheid Mathematisch Model van de Noordzee en Schelde-estuarium (BMM) in aanmerking heeft genomen en dat de BMM haar bevoegdheid te buiten ging door de voorwaarde van een politieke oplossing voor te stellen; dat zij betoogt dat uit artikel 9 van het besluit houdende de vergunning en artikel 10 van het besluit houdende de machtiging blijkt dat de verwerende partij gevolg gaf aan de voorgestelde voorwaarde 17; dat zij verwijst naar de voorwaarde 9 bij de bijlage II "Gebruiksvoorwaarden voor de exploitatie van de activiteit" van het ministerieel besluit van 25 juni 2002 die de voorwaarde 17 van de MEB opneemt, voorwaarde 19 van de BMM, die kan worden teruggevonden onder voorwaarde 10 van de bijlage II van het ministerieel besluit houdende de exploitatievergunning, die als bijlage bij de bouwmachtiging was gevoegd; dat zij stelt dat de voorwaarden 20 en 25 buiten het toepassingsgebied van het bestreden besluit vallen nu zij betrekking hebben op het leggen van onderzeese kabels en dat zij wat betreft de compensaties in milieuvoordelen, op gemotiveerde wijze van oordeel was dat een financiële zekerheid beter aan de doelstellingen van de wet ter bescherming van het mariene milieu beantwoordt; VII-27.837-42/98 5.4.
  54. Overwegende dat de tussenkomende partijen betogen dat geen van de betrokken voorwaarden -en zeker het bedrag van de financiële zekerheid niet- betrekking heeft op het esthetisch aspect van de windmolens en dat een herstel van het door de verzoekende partijen aangekaarte formeel motiveringsgebrek dus niet van aard is hun nadeel te doen verdwijnen, zodat zij geen belang hebben bij het middel; dat zij voorts laten opmerken dat op twee uitzonderingen na de door de BMM voorgestelde voorwaarden deel uitmaken van het betrokken besluit; dat zij stellen dat de twee uitzonderingen voorwaarden betreffen in verband met Nederland en het zeegezicht bij de haven van Zeebrugge maar dat de verzoekende partijen geen enkel belang doen gelden m.b.t. die voorwaarden; 5.4.
  55. Overwegende dat in de memories van wederantwoord de verzoekende partijen nog benadrukken dat de minister moet motiveren waarom hij van adviezen afwijkt, dat dit ook geldt wanneer in de milieueffectenbeoordeling (MEB) aan de minister een voorwaarde wordt voorgesteld waarvoor de BMM wellicht niet bevoegd is, waaromtrent de minister had kunnen stellen dat er sprake is van een bevoegdheidsoverschrijding; dat zij vaststelt dat die redengeving, die nochtans slaat op een bijzonder belangrijke en gevoelige voorwaarde, niet in het bestreden besluit voorkomt; dat zij voorts stelt dat de verwerende partij niet opteerde voor een daadwerkelijke jaarlijkse uitgave van 400.000 euro, maar voor een financiële waarborg van 8.000.000 euro over de ganse exploitatietermijn, hetgeen een enorm verschil uitmaakt voor investeerders en dat de loutere affirmatie dat de minister van oordeel is dat een financiële waarborg volstaat, geen motivering is, noch van de beslissing zelf, noch van de reden waarom van het advies is afgeweken; 5.4.5.
  56. Overwegende dat de BMM zich, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de regels betreffende de milieu- effectenbeoordeling in toepassing van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, moet uitspreken over “de aanvaardbaarheid van de voorgenomen activiteit voor het mariene milieu”; dat daaruit volgt dat aanbevelingen inzake politiek overleg niet onder de bevoegdheid van de BMM vallen; dat de opmerking van de BMM dan ook niet binnen het kader van de adviseringsbevoegdheid werd gemaakt; dat de verwerende partij bijgevolg niet verplicht was daarop in te gaan; 5.4.5.
  57. Overwegende dat de voorwaarde 17 betrekking heeft op de ontmantelingsfase, en is opgenomen als voorwaarde 9 bij de bijlage II bij de VII-27.837-43/98 exploitatievergunning ("gebruiksvoorwaarden voor de exploitatie van de activiteit"); dat de voorwaarde 19 die betrekking heeft op de vogelfalls is opgenomen als voorwaarde 10 bij de bijlage II bij de exploitatievergunning ("gebruiksvoorwaarden voor de exploitatie van de activiteit" 5.4.5.
  58. Overwegende, voorts, dat in de MEB wordt stilgestaan bij de compensatie in milieuvoordelen; dat aangaande de avifauna (punt 10.3) wordt voorgesteld om, bij vastgestelde mortaliteit, een jaarlijkse subsidiëring van vergunde vogelopvangcentra te voorzien; dat inzake de risico's en gevolgen van mogelijke rampen (punt 10.6) de BMM concluderend stelt “dat het optreden van een nieuw risico met vervuiling van de zee tot gevolg, zich vertaalt in een nadelig effect waarvoor de vergunninghouder de nodige compensaties dient te geven. Dit kan gebeuren in de vorm van milieuvoordelen die erop gericht zijn milieuschade door verontreiniging beter te voorkomen en daartoe de vereiste middelen te versterken. Om de paraatheid van de overheid in geval van scheepsramp en pollutie te verhogen wordt een compensatie van 400.000 i per jaar gevraagd. Dit bedrag wordt vanaf het eerste jaar van de werkzaamheden gestort op rekening van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu (Inkomstenartikel 38.06 van de Rijksmiddelenbegroting)"; dat in de aanhef van het bestreden besluit staat "dat de Minister die de bescherming van het mariene milieu onder haar bevoegdheid heeft, gevolg geeft aan de modaliteiten en de voorwaarden zoals opgenomen in de bijlagen van het advies en de voorstellen van financiële verplichtingen; dat zij echter geopteerd heeft geen compensatie in milieuvoordelen aan de Tijdelijke Vereniging ELECTRABEL-ONDERNEMINGEN JAN DE NUL op te leggen teneinde de paraatheid van de overheid in geval van scheepsramp en pollutie te verhogen; dat zij van oordeel is dat daarentegen een bedrag van 8.000.000 Euro als financiële zekerheid aan de Tijdelijke Vereniging ELECTRABEL-ONDERNEMINGEN JAN DE NUL moet worden gevraagd, in toepassing van artikel 31, tweede alinea van het koninklijk besluit van 20 december 2000 houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België"; dat met die motivering de minister duidelijk aangeeft dat een (zeer hoge) financiële zekerheid kan volstaan om op te treden als er zich een scheepsramp VII-27.837-44/98 of verontreiniging voordoet; dat dit standpunt niet feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk is en meteen aangeeft waarom van een jaarlijkse compensatie wordt afgezien; dat de verwerende partij dus impliciet maar ondubbelzinnig stelt dat het doel ook kan worden bereikt door een financiële zekerheid; dat dit evident aanwezige standpunt niet nog eens formeel moest worden geëxpliciteerd in de aanhef van de bestreden beslissing; dat bovendien het standpunt van de verwerende partij aansluit bij artikel 32, tweede lid, van het koninklijk besluit van 20 december 2000 inzake de vergunningen en machtigingen, dat toelaat een financiële zekerheid te eisen; dat wat betreft de milieucompensaties van de avifauna, de BMM voorstelde deze slechts op te leggen bij vastgestelde mortaliteit; dat deze bij het afleveren van de vergunning nog niet is vastgesteld; dat mocht die mortaliteit tijdens de exploitatie worden vastgesteld de verwerende partij vooralsnog een milieucompensatie kan opleggen; dat dienvolgens de motivering van de bestreden beslissingen op het punt van de milieucompensaties afdoende is; 5.4.5.
  59. Overwegende dat het vierde middel niet gegrond is; 5.5.
  60. Overwegende dat in de verzoekschriften in een vijfde middel het volgende wordt opgeworpen : "Het besluit schendt het materieel motiveringsbeginsel en mist de rechtens vereiste grondslag. Het schendt eveneens art. 32 van het K.B. VEMA dd. 20 december
  61. Het besluit overweegt : betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen, en meer bepaald gelet op het artikel 2 en de Bijlage II van deze Beschikking, die de verplichting inhouden voor België om tegen de periode van 2008 tot en met 2012 en ten opzichte van het basisjaar 1990, de emissies van broeikasgassen - waaronder C02 - met 7,5 % te reduceren en om hiertoe de nodige maatregelen te treffen, en rekening houdend met richtlijn 20011771EG van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen'. Nochtans stellen de experten van de BMM vast, na bijkomende literatuur te hebben geraadpleegd en opsporingen te hebben gedaan : * op blz. 8 van de MEB : VII-27.837-45/98 een Life Cycle Analysis zou waarschijnlijk aantonen dat het project een beperkte bijdrage levert tot de productie van Men leest : van de geleverde elektriciteit afkomstig uit hernieuwbare bronnen te halen wil België investeren in windenergie. Maatregelen zoals rationeel energieverbruik en het aansporen tot vermindering van de primaire energieconsumptie moeten deze investering ondersteunen wil men een duurzaam energiebeleid voeren. Als het energieverbruik met 4% stijgt in de periode dat de windmolens in activiteit komen wordt het milieuvoordeel van de windenergie veel minder geloofwaardig. Hoewel een volledige analyse van de Life Cycle van een offshore windmolenpark tot nu toe ontbreekt is het toch redelijk te oordelen dat zo'n park een netto bijdrage zal leveren tot de productie van * op blz. 102 sub 7.3 : De minister kon niet zonder miskenning van art. 32 K.B. VEMA dd. 20 december 2000 en van het motiveringsbeginsel stellen dat de reductie van de C0² uitstoot 5.5.
  62. Overwegende dat de verwerende partij in de memories van antwoord betoogt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel omdat het halen van de Kyoto-normen vreemd is aan hun belangen, dat het buiten twijfel staat dat het windmolenpark Vlakte van de Raan een netto-bijdrage zal leveren tot het nakomen van de Kyoto-normen maar dat de vraag of deze bijdrage beperkt of aanzienlijk is, een subjectieve beoordeling is waarvoor geen normen bestaan en dat het beperkt of aanzienlijk karakter van de bijdrage van het windmolenpark in het halen van de Kyoto-normen een motief ten overvloede is dat niet dienend is; dat zij bovendien stelt dat haar beoordeling inzake de bijdrage van het windturbinepark in het nakomen van de Kyoto-normen niet onredelijk is, dat uit het MER blijkt dat het windturbinepark een vermindering van 0,22 miljoen ton CO2 zal teweegbrengen, dat in de becijferingen rekening werd gehouden met een verwachte stijging van het elektriciteitsverbruik van 1,8 %, dat de BMM helemaal niet concludeert dat het windturbinepark de vooropgestelde doelen niet bereikt, maar VII-27.837-46/98 integendeel stelt : 5.5.
  63. Overwegende dat de tussenkomende partijen in hun memories van tussenkomst stellen dat de verzoekende partijen kennelijk geen belang hebben bij het bepalen van de mate waarin de windmolens zullen bijdragen tot het verminderen van de CO2-uitstoot en dat de verzoekende partijen uitgaan van verkeerde premissen; dat volgens de tussenkomende partijen off-shore windenergie vanuit een "life cycle analyses" perspectief behoort tot de best presterende technologieën; dat zij betogen dat het project aanzienlijk zal bijdragen tot het behalen van de Belgische doelstellingen inzake de productie van hernieuwbare energie en het eerbiedigen van de internationale verplichtingen van België in het kader van het Kyoto-akkoord; 5.5.
  64. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memories van wederantwoord beklemtonen dat artikel 32 van het VEMA-besluit aan de minister oplegt te zeggen waarom hij zich distantieert van de hem gegeven opmerkingen of adviezen, zodat voor de beoordeling of aan de motiveringsplicht is voldaan moet vertrokken worden van die adviezen of opmerkingen, dat in de MEB de bijdrage van het project aan de doelstelling van het federaal plan inzake duurzame ontwikkeling als "beperkt" wordt omschreven, en eraan wordt toegevoegd dat, als men rekening houdt met de te verwachten stijging van het verbruik, het voordeel al veel minder geloofwaardig is; dat zij betogen dat in het licht daarvan tóch stellen dat het project "aanzienlijk" kan bijdragen tot het produceren van schone energie, "is de M.E.B. doen liegen met als enig doel een maatschappelijk zeer omstreden project aanvaardbaarder en verteerbaarder voor te stellen"; dat het hier volgens de verzoekende partijen niet gaat om een onschuldige woordspeling of verspreking, maar om termen die met elkaar in tegenspraak zijn; 5.5.
  65. Overwegende dat de bestreden beslissingen inderdaad overwegen dat het windmolenpark aanzienlijk kan bijdragen tot het naleven van de nationale verplichtingen inzake het terugdringen van de emissies van broeikasgassen; dat de verzoekende partijen het woord "aanzienlijk" bekritiseren; dat zij er echter niet in slagen aan te tonen dat de zienswijze van de minister kennelijk onredelijk is, nu het windmolenpark 100 MW "schone energie" zal produceren; dat in de mate waarin de verzoekende partijen stellen dat de overwegingen van de minister in de bestreden beslissingen eigenlijk lijnrecht indruisen tegen de zienswijze van de BMM, omdat "aanzienlijk" en "beperkt" ronduit tegengestelde begrippen zijn, moet worden VII-27.837-47/98 vastgesteld dat in het eigenlijke "Advies van het Bestuur aan Mevrouw de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu betreffende de milieuvergunningsaanvraag door de Tijdelijke Vereniging Electrabel-Jan De Nul voor de bouw en exploitatie van een windmolenpark op de Vlakte van de Raan in de Noordzee" werd geschreven : "Het Bestuur is zich er wel van bewust dat er een grote leemte in de kennis is voor sommige onderdelen van deze milieu- effectenbeoordeling. Alhoewel tegenstanders van dit dossier hier menen dat het voorzorgsbeginsel strikt dient te worden toegepast is het Bestuur van mening dat, gezien het project een belangrijke bijdrage beoogt tot internationale verplichtingen die België dient na te komen op het vlak van CO2 reductie, kan gehandeld worden zonder verdere wetenschappelijke resultaten af te wachten (dit is in overeenstemming met de mededeling van de Europese Commissie van 02/02/2000 over het voorzorgsbeginsel)"; dat de BMM hier blijkbaar niet het minste voorbehoud maakt aangaande de "belangrijke" bijdrage die het project beoogt; dat dit advies werd gegeven op 16 april 2002, op een moment dat de MEB reeds voorhanden was; dat het middel niet gegrond is; 5.6.
  66. Overwegende dat in de verzoekschriften een zesde middel wordt aangevoerd dat als volgt luidt : "Het besluit schendt art. 6.2 en 6.3 van de richtlijn 85/337/EEG dd. 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Omtrent de consultatie van het publiek aangaande de overeenkomstig art. 5 ingewonnen milieuinformatie, zeggen de ingeroepen gedragsbepalingen wat volgt :
  67. De bijzonderheden van deze voorlichting en deze raadpleging worden bepaald door de Lid-Staten, die met name naar gelang van de bijzondere kenmerken van de betrokken projecten of bouwplaatsen : - het betrokken publiek kunnen bepalen; - kunnen aangeven op welke plaatsen kennis kan worden genomen van de informatie; - nadere bijzonderheden kunnen vaststellen voor de wijze waarop het publiek kan worden voorgelicht, bijvoorbeeld via aanplakbiljetten in een bepaald gebied, publicatie in de plaatselijke kranten, organisatie van tentoonstellingen met plattegronden, tekeningen, tabellen, grafieken, maquettes; - kunnen vaststellen op welke wijze het publiek moet worden geraadpleegd, bijvoorbeeld schriftelijk, via een openbare enquête; - passende termijnen voor de diverse fasen van de procedure kunnen vaststellen, ten einde te verzekeren dat er binnen een redelijk tijdsbestek een besluit wordt genomen'. VII-27.837-48/98 Het tweede lid houdt substantieel in dat het publiek omtrent alle ingewonnen milieu-informatie vooraf moet worden

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.