← België

Arrest 147121 - - 30/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.121 Rolnummer: A. 86189/XII-2179 Zaak: Arrest 147121 - - 30/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-14 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 20:32 Fiche Arrest nr 147.121 van 30 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.121 van 30 juni 2005 in de zaak A. 86.189/XII-

  1. In zake : Oswald PAUWELS, die woonplaats kiest bij advocaat L. Lenaerts, kantoor houdende te Antwerpen, Nachtegaalstraat 47 tegen : de HOGESCHOOL ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat W. Van Caeneghem, kantoor houdende te Antwerpen, Quinten Matsijslei
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Oswald Pauwels op 19 augustus 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen van 21 juni 1999 om hem “geen ruime artistieke faam toe te kennen”; Gelet op het arrest nr. 87.654 van 26 mei 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 29 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2179-1\20 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Lenaerts, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. Moreau, die loco advocaat W. Van Caeneghem verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Voorafgaande gegevens
  3. Overwegende dat de volgende feiten, die voorafgaan aan het ontstaan van het huidige geschil, nuttig in herinnering kunnen worden gebracht : 1.
  4. Verzoeker is sinds 31 augustus 1991 vast benoemd als assistent artistieke vakken (specialiteit : grafische vormgeving, fotografie) aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Kask) te Antwerpen. 1.
  5. Sinds 1 januari 1995 is hij daarenboven voor zes uren vast benoemd in het ambt van leraar algemene vakken “fotografie voor restaurateurs HKO 3E GR” aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten (NHISK) te Antwerpen. Ten gevolge van die vaste benoeming voor een halftijds mandaat (6/12) aan het NHISK wordt zijn fulltime mandaat als assistent aan de Kask teruggebracht tot een halftijds mandaat (10/20). Krachtens artikel 102, § 2, van het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs-VI worden de vastbenoemde personeelsleden van het NHISK, die fungeren in de optie “conservatie en restauratie”, met ingang van het XII-2179-2\20 academiejaar 1994-1995 overgedragen aan de Kask met behoud van hun vaste benoeming. 1.
  6. Door het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (hierna : hogescholendecreet) wordt het hoger onderwijs gereorganiseerd; de instellingen voor hoger kunstonderwijs worden in de hogescholen geïntegreerd : de Kask wordt opgenomen in de Hogeschool Antwerpen. 1.
  7. Ten gevolge van die reorganisatie moet ook het personeel worden geconcordeerd. In zijn ambtelijke hoedanigheid van assistent artistieke vakken (10/20) wordt verzoeker als assistent geconcordeerd. Uit het arrest van de Raad van State nr. 79.406 van 23 maart 1999 volgt dat die concordantie definitief geworden is. Wat zijn ambtelijke hoedanigheid van leraar algemene vakken betreft, weigert de verwerende partij eind 1997 hem als docent te concorderen. Die beslissing wordt door de Raad van State eerst geschorst (arrest nr. 73.471 van 5 mei 1998) en daarna vernietigd (arrest nr. 79.406 van 23 maart 1999); De relevante regelgeving 2.
  8. Overwegende dat het ambt van verzoeker krachtens artikel 317bis, § 1, van het hogescholendecreet, zoals ten tijde van de bestreden beslissing gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998, geconcordeerd wordt tot het ambt van assistent of, krachtens artikel 317bis, § 2, tot het ambt van docent; dat de decreetgever de concordantie tot het ambt van docent heeft willen voorbehouden aan het personeel dat over een ruime artistieke faam beschikt; 2.
  9. Overwegende dat met artistieke faam, als voorwaarde tot concordantie tot docent, luidens artikel 2, 28/ter, van het hogescholendecreet wordt bedoeld “de erkenning van de vermaardheid van een persoon in een kunsttak of aan de kunsten gerelateerde beroepstak”; XII-2179-3\20 Overwegende dat de decreetgever de erkenning van de ruime artistieke faam luidens artikel 317bis, § 3, van het hogescholendecreet heeft opgedragen aan het hogeschoolbestuur in de volgende bewoordingen : “Het hogeschoolbestuur erkent de ruime artistieke faam en hanteert hiervoor de volgende criteria, voor zover deze relevant zijn voor de betrokken artistieke discipline : - publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten; - eigen publicaties of gerealiseerde dossiers in verband met de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene; - regionale, federale of internationale prijzen; - deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland; - realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven; - relevante bijdragen aan belangrijke producties; - tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea. Bovendien moeten de artistiekgebonden onderwijsactiviteiten aansluiten bij de artistieke of aan de kunsten gerelateerde beroepsactiviteiten waarvoor de artistieke faam wordt aangevraagd.”; 2.
  10. Overwegende dat verwerende partij voor de erkenning van de ruime artistieke faam bij beslissing van haar raad van bestuur van 26 oktober 1998 tot een eenvormige procedure heeft beslist; dat dit procedurereglement in het administratief dossier voorligt; dat de raad van bestuur blijkens dit procedurereglement en de stukken van het administratief dossier in ieder geval dient acht te slaan op het advies van een door hem samengestelde commissie van zes leden die iedere aanvraag voorafgaandelijk onderzoekt en beoordeelt; dat het gunstig advies van deze commissie staat of valt met het al dan niet toekennen aan de aanvraag van een “score” van minimaal 40; dat de door deze commissie gevolgde procedure bij het vaststellen van de “score” ten minste de volgende stappen blijkt te omvatten :

(1). de aanvraag gebeurt middels een formulier AMBF53, waar als bijlage een dossier dient te worden gevoegd bestaande uit afschriften van diploma's en curriculum vitae tot 31 december 1995, een overzichtslijst per decretaal bepaald criterium en de daarmee overeenstemmende bewijsstukken (“alle stukken ter staving van het kerndossier (portfolio)”) en tenslotte per bewijsstuk een motivering waaruit relevantie blijkt.
(2). van de aanvraag wordt kennis genomen door de zes leden van de adviescommissie die, elk lid op een afzonderlijke fiche, voor ieder criterium “rekening [houdt] met de uitstraling per criterium” en de criteria per kandidaat quoteert volgens de hierna opgenomen schaal : 0 : niet relevant + weinig uitstraling, XII-2179-4\20 5: relevant + weinig uitstraling, 10: relevant + grote uitstraling, 20: (bijzonder) relevant + zeer grote uitstraling (deze laatste score volgens een vermelding op de fiche “uitzonderlijk toe te kennen”) en die een onder woorden gebrachte motivering voor de toegekende scores kunnen neerschrijven.
(3). de scores van ieder commissielid en voor elk criterium worden op een tabel “AF-Werkdocument I” samengebracht. Per criterium worden de scores van het laagst en deze van het hoogst quoterende commissielid doorstreept en er wordt voor het latere geen rekening mee gehouden. De vier voor ieder criterium overblijvende scores worden opgeteld en genoteerd in een kolom “overgebleven som”. Vervolgens wordt van die som een gemiddelde gemaakt en genoteerd in de overeenkomstige kolom “gemiddelde”. Tenslotte bevat de tabel een kolom “omzetting” waarin de gemiddelden die geen veelvoud zijn van vijf worden afgerond als volgt :
(4). de scores uit de voornoemde kolom “omzetting” van werkdocument I worden vervolgens overgebracht naar een formulier “AF - Werkdocument II” en de som van de scores wordt daaronder genoteerd. Naast die totaalscore is op het document volgende tekst voorgedrukt : “Samenvattende schriftelijke motivatie: G gezien betrokkene een totaalscore heeft bereikt van minimaal 40 wordt hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de Raad van Bestuur d.d. 14.09.98, artistieke faam toegekend. G gezien betrokkene geen totaalscore heeft bereikt van minimaal 40 wordt hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de Raad van Bestuur d.d. 14.09.98, geen artistieke faam toegekend.”; De gegevens die aanleiding geven tot de huidige zaak 3.
  1. Overwegende dat verzoeker een nieuwe aanvraag indient voor artistieke faam, op grond van het genoemde artikel 317bis van het hogescholendecreet, ingevoegd bij decreet van 14 juli 1998; 3.
  2. Overwegende dat de bestreden beslissing van 21 juni 1999 van de raad van bestuur wordt genomen op “het gemotiveerd advies van de bevoegde commissie, in vergadering d.d. 21.05.1999” en “op basis van de motivering aan deze XII-2179-5\20 beslissing toegevoegd”; dat deze aan de beslissing toegevoegde motivering hierna wordt aangehaald; dat zij, met uitzondering van de geciteerde woorden “zijn er geen relevante elementen”, ook de woordelijke weergave is van het proces-verbaal van de bevoegde commissie, van hetgeen deze laatste heeft genotuleerd met betrekking tot de aanvraag van verzoeker : “•m.b.t. publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten, zijn er elementen met beperkte uitstraling; •m.b.t. eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste praktijk van betrokkene, hebben deze eigen publicaties weinig uitstraling; • m.b.t. regionale, federale of internationale prijzen, is er een bijzonder beperkte lijst; • m.b.t. deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland, noteert men de deelname aan talrijke realisaties maar vooral secundair en éénzijdig; • m.b.t. realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven, zijn er relevante bijdragen aan belangrijke producties zonder dat betrokkene daar een grote uitstraling bekomt; •m.b.t. relevante bijdragen aan belangrijke producties, noteert men een aantal expo's zonder al te grote uitstraling; •m.b.t. tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea, zijn er geen relevante elementen, zodat er onvoldoende elementen aanwezig zijn om aan betrokkene een ruime artistieke faam toe te kennen”; 3.
  3. Overwegende dat verwerende partij behalve voornoemd proces-verbaal in het administratief dossier als stukken uitgaande van de adviescommissie audiovisuele en beeldende kunst voorts de “technische fiche” voor verzoeker, de individuele beoordelingen van de zes commissieleden, de formulieren “AF - Werkdocument I” en “AF - Werkdocument II” en een met de hand uitgeschreven motivering voorlegt; dat verzoeker blijkens die stukken overeenkomstig de hiervoor geschetste procedure een totaalscore bereikt van 35; dat de technische fiche over verzoeker stelt: “Na grondige kennisname van het dossier van betrokkene kwam de bevoegde commissie dd. 21.05.1999 tot onderstaand advies: [...] gezien betrokkene geen totaalscore heeft bereikt van minimaal 40, luidt het advies hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de RvB d.d. 14.09.98, geen artistieke faam toe te kennen”; dat diezelfde technische fiche andermaal de motivering bevat zoals hiervoor aangehaald, maar zonder de woorden “zijn er geen relevante elementen”; Overwegende dat de fiche met de handgeschreven motivering evenwel luidt : XII-2179-6\20 “A •m.b.t. publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten, zijn er elementen met beperkte uitstraling; B •m.b.t. eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste praktijk van betrokkene, hebben deze eigen publicaties weinig uitstraling, beperkt in aantal; C • m.b.t. regionale, federale of internationale prijzen, is er een bijzonder beperkte lijst; d • m.b.t. deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland, noteert men de deelname aan talrijke realisaties maar vooral secundair, te beperkt en te lokaal; e • m.b.t. realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven, noteert men talrijke realisaties maar vooral secundair en eenzijdig; f •m.b.t. relevante bijdragen aan belangrijke producties, zijn er relevante bijdrage aan belangrijke producties zonder dat betrokkene daar een grote uitstraling bekomt; g • expo’s zonder al te grote uitstraling is, beperkt zodat er onvoldoende elementen aanwezig zijn om aan betrokkene een ruime artistieke faam toe te kennen”; De gegrondheid van het beroep
  4. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel schending van het grondwettelijk beschermd gelijkheidsbeginsel aanvoert, in een tweede middel schending van het vertrouwensbeginsel en in een derde middel schending van het rechtszekerheidsbeginsel; dat in het schorsingsarrest over deze zaak wordt vastgesteld dat de drie middelen niet ernstig zijn omdat “verzoekers premisse onjuist is”; dat verzoeker in de memorie van wederantwoord verklaart dat hij zich met betrekking tot de eerste drie middelen “naar de wijsheid van Uw Raad zal gedragen”; Overwegende dat verzoekers vierde middel, ontleend aan de “onwettelijkheid van de aangevochten beslissing” omdat zij is getroffen op basis van het advies van een onwettig in het leven geroepen commissie artistieke faam, in het meervermeld schorsingsarrest insgelijks niet ernstig is bevonden omdat “een administratieve overheid, zelfs bij ontstentenis van wettelijke bepalingen die daarin voorzien, adviesorganen mag oprichten die haar kunnen voorlichten in verband met de uitoefening van taken welke de wet haar opdraagt”; dat verzoeker in de memorie van wederantwoord verklaart dat hij “zich ook hier naar de wijsheid van Uw Raad gedraagt, voor zover de betrokken Commissie wettig zetelt en functioneert”; Overwegende dat in het auditoraatsverslag wordt geconcludeerd “dat [de eerste drie] middelen niet tot vernietiging kunnen leiden” en dat het vierde XII-2179-7\20 middel ongegrond is; dat verzoeker vervolgens geen laatste memorie indient en zich bijgevolg niet verzet tegen deze conclusie; Overwegende dat verzoeker op grond van wat voorafgaat geacht wordt afstand te hebben gedaan van het eerste tot het vierde middel; 5.
  5. Overwegende dat verzoeker als vijfde middel onder meer betoogt dat het evaluatiesysteem niet correct is toegepast omdat de onderscheidingscriteria niet relevant zijn voor zijn discipline toegepaste kunsten, in casu fotografie voor restauratie, waar de situatie in verband met bekendheid anders ligt dan bij de vrije kunsten, dat naambekendheid in een veel kleinere cirkel van professionelen en vakbladen circuleert dan bij voorbeeld bij schilderkunst waar men veel meer kan tentoonstellen en artikelen gepubliceerd krijgen; dat volgens verzoeker de commissie “partijdig of minstens onbekwaam” was, wat zou blijken uit het motief “een aantal expo’s zonder al te veel uitstraling”, waar geen enkele expo in deze rubriek stond, verschillende recente tijdschriften en vakbladen aan de jury onbekend blijken te zijn en omdat volgens de jury alles wat gelieerd is aan restauratie, conservatie, monumentenzorg en aanverwante “een beperkte of weinig uitstraling” heeft, zowel wetenschappelijke uitgaven als gevulgariseerde brochures, prestigieuze kijk- en geschenkboeken en goedkopere cahiers en gidsen; dat verzoeker refereert aan zijn diverse publicaties, aan de eerdere opname door verwerende partij, in 1995, op de lijst van artistieke faam, op zijn regelmatige publicaties waarvoor hij “steeds opnieuw gevraagd wordt”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat verzoeker geen enkel concreet element aanvoert ter staving van het partijdig optreden van de Hogeschool, dat zij de artistieke faam van verzoeker heeft beoordeeld op basis van het door hemzelf ingediende dossier, en strikt overeenkomstig de decretale bepalingen ter zake, dat de verwijzing naar de vorige procedure door de Raad niet ter zake dienend is nu verzoeker, nog voor het vernietigingsarrest werd uitgesproken, op basis van het nieuwe artikel 317bis van het hogeschooldecreet werd opgenomen op de lijst van personeelsleden die in aanmerking kwamen voor de toekenning van artistieke faam, dat hij werd beoordeeld op basis van de door de wet voorziene criteria en, zoals alle andere personeelsleden, de kans heeft gekregen om een uitgebreid dossier in te dienen en deze ook heeft benut en dat het advies van een objectieve commissie, mee aangewezen door het XII-2179-8\20 departement van verzoeker, wordt ingewonnen ten einde met volledige kennis van zaken te kunnen oordelen; Overwegende dat verwerende partij voorts, wat betreft de kritiek van verzoeker op de decretale criteria, repliceert dat aan verzoeker, volgens de uitdrukkelijke bepalingen van de goedgekeurde procedure enerzijds, en de vermeldingen op de formulieren die hij ontvangen heeft anderzijds, de mogelijkheid werd verleend om in het kader van zijn persoonlijk dossier de relevantie van de criteria te becommentariëren, dat alle criteria door hem werden besproken en nergens werd aangegeven dat zij niet relevant zouden zijn voor zijn discipline, dat hij ten onrechte suggereert dat de adviserende commissie onbekwaam zou zijn geweest nu zij onder meer is samengesteld uit niet permanente leden van het eigen departement van verzoeker, dat zelfs gesteld dat sommige criteria voor zijn discipline niet relevant zouden zijn, één en ander in ieder geval niet aan de Autonome Hogeschool Antwerpen ten kwade kan worden geduid, dat zij gehouden is de decretaal voorziene beoordelingscriteria te hanteren, en dit voor alle personeelsleden op gelijke wijze is geschied, dat men er mag van uitgaan dat de overheid bij het vaststellen van de criteria met alle disciplines terdege rekening heeft gehouden, dat tot slot, wanneer men daarenboven het administratieve dossier van verzoeker bekijkt, de door hemzelf ingevulde recente CUMF 31-formulieren duidelijk aangeven dat hij 100 % ter beschikking is van de Hogeschool en geen enkele nevenactiviteit uitoefent, dat het op die wijze wellicht moeilijk is om ‘recente’ artistieke faam te verwerven, dat het tegendeel ook niet blijkt uit het door verzoeker ingediende dossier; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord, nadat hij voor het eerst kennis heeft kunnen nemen van het administratief dossier en bijgevolg van de sub 3.
  6. opgesomde fiches en formulieren van de beoordelingscommissie, volgende uiteenzetting geeft om aan te tonen waarom verwerende partij onterecht aan zijn artistieke faam is voorbij gegaan : “
  7. M.b.t. publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen. tijdschriften of kranten werd verwezen naar : - besprekingen van de Beschermd Brussel-tentoonstellingen - recensies over De middeleeuwse muurschilderingen, oktober ’94-maart, mei ’95 - recensies over het Bourlaschouwburg-boek, december ’93-januari ’94 De verwerende partij stelt dat dit slechts ‘elementen met beperkte uitstraling’ zijn. Nochtans heeft verzoeker opgemerkt : XII-2179-9\20 ‘Vrijwel al mijn werk is functioneel. Het maakt samen met tekst, typografie, lay-out e.d.m. deel uit van boeken, tentoonstellingen, tijdschriften, die normaliter als geheel worden beoordeeld. Omdat het meestal om monumentenzorg, restauratie en conservatie gaat, is het dus zowel naar fotografische documentatie (C&R), als naar fotografie (GV) relevant. Mag ik opmerken dat vrijwel elk dergelijk project uitgebreid besproken wordt in diverse media, maar dat het niet zo gebruikelijk is om elke recensie te bewaren, zoals dat bij vrije artiesten is? (alleen al omdat, zowel voor een grafisch vormgever, als een restaurateur, een bescheiden houding op de achtergrond als een kwaliteit beschouwd wordt. En bovendien de enig deontologisch juiste is.) De bijgevoegde stukken zijn a.h.w. een toevallige greep’. Hierbij is de overweging van Uw Raad van toepassing dat in zoverre de criteria voor toegepaste kunsten minder relevant zijn dan voor vrije kunsten, de verwerende partij gemakkelijker tot de erkenning van ruime artistieke faam zou moeten besluiten (zie blz 10 v/h arrest nr. 87.654 van 26/05/00).
  8. Eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste artistieke praktijk van betrokkene : Ook hier wordt bij wijze van typeformulering door de verwerende partij geponeerd dat deze ‘weinig uitstraling’ zouden hebben. Voor dit criterium geldt nochtans : - De Koninklijke serres van Laken, uitg. Lannoo. Het is niet ernstig zonder meer te poneren dat dit werk weinig ‘uitstralingsniveau’ heeft, wanneer het werd gedrukt op 10.000 ex., het twee herdrukken kende (waarvan één een vereenvoudigde spin-off), het werd bekroond met de prijs Plantin-Moretus, gouden legpenning 1989 en werd vertaald in het Engels, Frans en Duits. - Orgels van Vlaanderen, uitg. Ministerie v/d Vlaamse Gemeenschap. Het is niet ernstig zonder meer te poneren dat dit werk weinig ‘uitstralingsniveau’ heeft, wanneer de volledige oplage (3000 ex.), van dit overigens vrij gespecialiseerde werk, werd uitverkocht en vrijwel alle publicaties, gelieerd aan dit onderwerp, er sindsdien naar refereren. - De Bourlaschouwburg. Het is niet ernstig zonder meer te poneren dat dit werk weinig ‘uitstralingsniveau’ heeft, wanneer de Hogeschool het zelf maandenlang als één van de ‘highlights’ van Antwerpen ’93 plaatste in de pronkkast van haar Departement B, voor de kaft van haar tijdschrift gretig één van de opnames gebruikte en de afdeling grafische vormgeving (Departement B) er als de kippen bij was om de foto’s te gebruiken ten behoeve van een promotiekalender voor het fotogravurebedrijf De Schutter. - De Grote Markt van Brussel. Het is niet ernstig zonder meer te poneren dat dit werk weinig ‘uitstralingsniveau’ heeft, wanneer het in drie talen verscheen, met telkens een oplage van 5000 ex., en reeds één herdruk, en als paradepaardje werd opgevoerd voor de collectie van Lannoo. - Middeleeuwse muurschilderingen in Vlaanderen. Het is niet ernstig zonder meer te poneren dat dit werk weinig ‘uitstralingsniveau’ heeft, wanneer het werd gedrukt op 3000 ex. en sinds publicatie er in vrijwel elk nieuw werk dat ook maar enigszins raakt aan dit onderwerp, er wordt naar verwezen. - Flandre, entre l’Yser et le canal de Furnes. Het is niet ernstig zonder meer te poneren dat dit werk weinig ‘uitstralingsniveau’ heeft, wanneer het werd uitgegeven, zowel door ‘Images XII-2179-10\20 du Patrimoine’ en verspreid in Frankrijk, als vertaald in het Nederlands en verspreid in Vlaanderen, telkens met een oplage van 3000 ex. - Monumenten gids SVE. Het is niet ernstig zondermeer te poneren dat dit werk weinig ‘uitstralingsniveau’ heeft, wanneer het werd gedrukt op 3000 ex. en na één jaar uitgeput, waarna een herziene herdruk op 6000 ex. volgde. - Promenades Art Nouveau à Bruxelles. Het is niet ernstig zonder meer te poneren dat dit werk weinig ‘uitstralingsniveau’ heeft, wanneer het werd vertaald in het Nederlands en in beide talen verschillende herdrukken kende. - De Belgische art nouveau en art deco wandtegels. Het is niet ernstig zondermeer te poneren dat dit werk weinig ‘uitstralingsniveau’ heeft, wanneer dit boek (gedrukt op 3000 ex.) algemeen beschouwd wordt als een referentiewerk over dit onderwerp. Welke betekenis men ook aan het begrip ‘uitstraling’ wil geven, aantal exemplaren, volume of prestige, verkoopsprijs of wetenschappelijke relevantie, de omschrijving ‘weinig’ is in strijd met de voorgelegde feitelijke gegevens.
  9. Regionale federale of internationale prijzen : Volgens de verwerende partij is er een bijzonder beperkte lijst. Ook hier houdt de verwerende partij geen enkele rekening met het feit dat de discipline van verzoeker een toegepaste kunst uitmaakt, zodat zijn werk wordt geïntegreerd in andere kunstvormen; aldus is het criterium minder relevant om de artistieke faam te toetsen en dient de aanwezigheid van een aantal belangrijke prijzen in de sector de verwerende partij ertoe te leiden gemakkelijker de erkenning van ruime artistieke faam te aanvaarden. Er werd hierbij verwezen naar : - de Gouden legpenning De Koninklijke serres. Deze prijs bekroont het uitzicht (fotografie, typografie, vormgeving) van een boek en sluit dus eerder aan bij de onderwijsactiviteiten, dan een zuivere vrijblijvende fotoprijs zou doen. - kalender De Schutter,
  10. Het bekroonde ontwerp bestond uit de foto’s van verzoeker en werd geselecteerd n.a.v. een wedstrijd ter gelegenheid van 50 jaar Fotogravure De Schutter. Aangezien het bekroonde ontwerp de foto’s van verzoeker omvatte en werd vormgegeven door één van zijn toenmalige studenten, is er een zéér sterke relevantie naar de onderwijs-activiteiten van verzoeker.
  11. De deelname aan talrijke belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland : Alhoewel de verwerende partij erkent dat deze realisaties talrijk zijn, worden zij afgedaan als secundair en eenzijdig en dit ten onrechte. Ook hier dient te worden opgemerkt dat de manifestaties waarnaar verzoeker verwijst, betrekking hebben op conservatie, restauratie, monumenten- en landschapszorg men begrijpt niet waarom de verwerende partij dit afdoet als eenzijdig, temeer daar het decreet een relevantie naar de lesopdracht voorschrijft. De verwerende partij heeft verschillende gerenommeerde personen artistieke faam geweigerd, omdat die faam niet verkregen was in het vakgebied dat zij doceerden; wanneer dit in het geval van verzoeker wel zo is, doet men dit af als eenzijdig en dit is kwetsend, omdat aldus aan de specialisatie van verzoeker een negatieve klank wordt gegeven. Bovendien is de artistieke faam van elke hedendaagse kunstenaar gebaseerd op een eigenheid die men steeds minimaliserend kan afdoen als ‘eenzijdigheid’ (zie bv. Picasso, die steeds opnieuw de werkelijkheid herleidde tot geometrisch aandoende vormen, de eeuwige stations van Magritte, de drippings van Pollock, de ingepakte objecten Christo, de vliegtuigen van Panamarenko, ... ....) XII-2179-11\20 Men kan niet eenzelfde gegeven naar persoonlijke smaak en voorkeur nu eens positief en dan weer negatief (eenzijdig, secundair) beoordelen. Dit besluit is dus in strijd met de aan de verwerende partij voorgelegde feitelijke gegevens en in strijd met de geest van het decreet, zodat de motivering niet afdoende is, temeer gelet op de talrijke realisaties, wat door de verwerende partij wordt erkend (voor zover als nodig kan verwezen worden naar de lijst, vermeld in de aanvraag, die hier als herhaald mag worden beschouwd).
  12. De realisaties voor buitenlandse of binnenlandse instellingen of bedrijven : Ook hier is de motivering van de verwerende partij niet afdoende, want tegenstrijdig en zonder enig begrip voor de aard van de artistieke bedrijvigheid van verzoeker (toegepaste kunst). Men erkent immers dat de realisaties van verzoeker belangrijke producties betreffen en men erkent de relevantie van zijn bijdrage, maar toch zou verzoeker daardoor geen grote uitstraling bekomen. Dergelijke motivering spreekt zichzelf tegen, tenzij men van de fotografie van verzoeker als toegepaste kunstvorm in een groter geheel dezelfde uitstraling verwacht als een op zichzelf staande vrije kunstvorm, waarbij de uitstraling aan één en dezelfde kunstenaar toekomt. Waar men de belangrijkheid én van de producties erkent, én de relevantie van de bijdrage van verzoeker hiertoe, is het evident dat er een ruime artistieke faam is. Bovendien werd verzoeker hier gediscrimineerd ten aanzien van zijn collega’s, die in eerdere concordantierondes ongelimiteerd waardevolle originelen konden voorleggen, omdat zij nadien door de verwerende partij werden teruggegeven. In de huidige concordantieronde heeft de verwerende partij gesteld dat de artistieke bewijsstukken niet zouden worden teruggegeven en verzoeker heeft zich dan maar gedepanneerd door fotokopies van de omslag van een boek of tijdschrift voor te leggen, wat uiteraard niet eenzelfde artistieke uitstraling kan hebben dan een origineel kunstwerk.
  13. Relevante bijdragen aan belangrijke producties : Op een onbegrijpelijke wijze motiveert de verwerende partij op niet afdoende wijze dat verzoeker enkel een aantal expo’s zou hebben voorgelegd, zonder al te grote uitstraling. Reeds in het arrest nr. 87.654 van 26/05/00 wordt er op gewezen dat volgens verzoeker geen enkele expo in deze rubriek was vermeld en Uw Raad heeft dit euvel aanvaard, doch heeft gesteld dat verzoeker hierdoor geen nadeel heeft geleden. Zelfs indien verzoeker hierdoor geen nadeel lijdt, dan toch is een dergelijke motivering niet afdoende, daar een motivering, om draagkrachtig te zijn, moet beantwoorden aan de realiteit en aldus de beslissing effectief moet kunnen verantwoorden. (zie P. VAN ORSHOVEN, De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, R.W. 1991-’92, 488; Zie ook A. VAN MENSEL, De formele motiveringsplicht - De wet van 29/07/91, P.B.P. 1992, 388) Volgende producties werden ingediend : - ‘Beschermd Vlaanderen’, een inventaris van beschermde monumenten, een boek, geen expo - ‘Glas in lood’, een boek, een naslagwerk over glaskunst, geen expo - ‘De kruisoprichting van Rubens’, een monografie over het doek, een boek, geen expo - ‘De kathedraal van Antwerpen’, een boek (uitgave Mercatorfonds), geen expo - ‘Architectuurgids Antwerpen’, een gids (uitgave Brepols), geen expo XII-2179-12\20 - ‘Architectuurgids Gent’, idem, maar dan over Gent - ‘Gebouwen om naar te luisteren’, een boek, geen expo - ‘De wintertuin van het instituut der religieuzen Ursulinnen’, een boek, geen expo - ‘Bossen van Vlaanderen’, een boek, geen expo - ‘De woonstede door de eeuwen heen’, een driemaandelijks tijdschrift, geen expo - ‘M&L’, een tweemaandelijks tijdschrift, geen expo Dit laatste tijdschrift, waar verzoeker zowat als huisfotograaf fungeert, heeft een oplage van 5000 exemplaren en 2848 abonnementen, zodat het het belangrijkste tijdschrift over monumenten- en landschapszorg in Vlaanderen is, zich bevindend in vrijwel alle openbare bibliotheken. Dit tijdschrift wordt ons in het buitenland benijd en het is dan ook merkwaardig dat een deskundige jury, met specialisten uit het vakgebied, dit kan verwarren met een expo, zonder al te grote uitstraling. De motivering van dit criterium is dan ook duidelijk in strijd met de aan de verwerende partij voorgelegde feitelijke gegevens.
  14. Tentoonstellingen in vooraanstaande binnen- of buitenlandse galerijen of musea : Volgens de verwerende partij zou de lijst van verzoeker geen relevante elementen bevatten, zodat men, logisch met zichzelf, het in punten zou moeten quoteren met nul. Er kan hierbij worden opgemerkt dat ook in het verslag van het Auditoraat, naar aanleiding van de schorsingsprocedure, opgemerkt werd dat de cijfermatige quotering niet gedragen werd door een voldoende duidelijke motivering. Bovendien kan nog opgemerkt worden dat de verwerende partij in haar Memorie van Antwoord ten onrechte een argument wil halen uit de CUMF31-formulieren, die betrekking hebben op de cumulatie. Zelfs indien men geen bezoldigde activiteiten uitoefent, dan nog kan men op vrijwillige basis en uit maatschappelijk plichtsgevoel zijn vak uitoefenen. Maar de opmerking dat men aldus geen ‘recente’ artistieke faam zou kunnen verwerven en dat dit ook niet blijkt uit het ingediende dossier, is andermaal tegen de stukken, nu uit de aanvraagformulieren blijkt : ‘De criteria A t/m G betreffen activiteiten, uitgevoerd in de periode tot uiterlijk 31.12.1995 (zie AF-26/10/98, p. 2 ‘Voorstel procedure bepaling AF’)”; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie opwerpt dat verzoeker in de memorie van wederantwoord de wet op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen geschonden acht, terwijl nergens in het inleidend verzoekschrift blijkt dat dit middel eerder werd aangebracht; dat volgens haar slechts in de memorie van wederantwoord -en dus te laat- wordt gesteld dat de beslissing onvoldoende gemotiveerd zou zijn; dat zij subsidiair nog betoogt dat het middel alleszins ongegrond is, dat de commissieleden het dossier van verzoeker “criterium per criterium hebben onderzocht, maar quasi unaniem van oordeel waren dat de publicaties weinig uitstraling hadden, de manifestaties talrijk waren maar veelal secundair beperkt en te lokaal, en er wel relevante bijdragen zijn geweest aan XII-2179-13\20 belangrijke producties doch verzoeker hier zelf geen grote uitstraling mee bekomen heeft”, dat één van de juryleden hier uitdrukkelijk aan toevoegt dat de faam van verzoeker “niet artistiek” is, dat die motivering ook tot uiting komt in de toegekende score per criterium; 5.
  15. Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift inderdaad niet de schending van de formele motiveringsplicht als middel heeft aangevoerd; dat hij ook in de memorie van wederantwoord niet de formele motiveringsplicht met name noemt; dat hij blijkens zijn omstandig betoog over de motivering, per criterium, geacht moet worden niet een schending van de formele, maar van de materiële motiveringsplicht aan te voeren; dat hij in het inleidend verzoekschrift reeds grieven omtrent de motieven van de beslissing en over de vermeende onbekwaamheid van de jury bij het beoordelen van zijn artistieke faam heeft ontwikkeld; dat hij die grieven na inzage van het administratief dossier nader heeft kunnen -en mogen- concretiseren; dat de exceptie van onontvankelijkheid van het middel niet wordt aangenomen; 5.
  16. Overwegende dat de ruime artistieke faam die in vergelijking met het andere onderwijzend personeel bijkomend vereist wordt van het personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, los staat van de andere, algemene, pedagogische of organisatorische vereisten; dat de decreetgever een autonome beoordeling heeft gewenst van de ruime artistieke faam, zoals blijkt uit het in herinnering gebrachte artikel 317bis, § 3, in samenhang met artikel 2, 28ter/, van het hogescholendecreet; Overwegende dat aan de aan verzoeker ter kennis gebrachte beslissing van de raad van bestuur een motivering, voor elk van de decretale criteria, is toegevoegd; dat de verwerende partij, hoe summier zij die beslissing ook gemotiveerd moge hebben, de erkenning van de ruime artistieke faam blijkens die motivering wezenlijk heeft geweigerd, op grond van het haar voorgelegde dossier en van de bij decreet voorgeschreven criteria, wegens de beperkte uitstraling van de aangegeven realisaties of voor sommige criteria, wegens het beperkte aantal of het zelfs ontbreken van relevante elementen; XII-2179-14\20 Overwegende dat de decreetgever voor de concordantie tot docent van het personeel belast met artistiekgebonden onderwijs, niet enkel oog heeft voor de intrinsieke artistieke kwaliteiten van de betrokkene in de beoefende kunsttak; dat het door de decreetgever gehanteerde begrip “faam” op zich reeds refereert aan bezit van reputatie en prestige in de ogen van het publiek of, anders gesteld, van de “uitstraling” die het werk van de kunstenaar heeft; dat het bestuur voorts geen onwettige invulling geeft aan het bij decreet opgelegde vereiste van “ruime artistieke faam”, door het “ruime” en de “faam” -of de “erkenning van de vermaardheid”- van de ruime artistieke faam minstens ook te begrijpen als de uitgestrektheid ervan gesteld tegenover het louter plaatselijke en als de ruime renommee bij derden gesteld tegenover de reputatie in eigen kring of in het kader van de opleiding; dat immers, door het onderscheiden in artikel 317bis, § 3, van het decreet van regionale, federale of internationale prijzen en van realisaties, manifestaties of tentoonstellingen in binnen- en buitenland, de decreetgever het artistieke ook door een kwantitatief element bewezen heeft willen zien; dat voorts de publicaties en gerealiseerde dossiers volgens de decreetgever “in verband met de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene” moeten staan; dat de vermaardheid blijkens artikel 2, 28ter/, “in een kunsttak” moet zijn verworven; 5.
  17. Overwegende dat, los van de concrete gegevens van het dossier, de door het bestuur veruitwendigde redenen als zodanig in rechte grondslag kunnen geven aan een afwijzende beslissing; dat de door verwerende partij aan verzoeker gegeven beknopte toelichting eventueel niet als motivering zou volstaan wanneer de concrete gegevens van het dossier kunnen doen twijfelen aan de ernst van de bij ieder criterium neergeschreven beoordeling; dat de afwijzing van verzoekers aanvraag tot erkenning van ruime artistieke faam wegens de bij de bestreden beslissing gevoegde motieven immers rechtens niet de beslissing van het bestuur kan schragen, wanneer die verantwoording geen steun vindt in feite; dat de controle die de Raad van State als annulatierechter vermag uit te oefenen op de wettigheid van de motieven vereist dat de rechtens vereiste feitelijke grondslag ten minste moet blijken uit het administra- tief dossier; dat verzoeker ten gronde betwist dat die motieven ook feitelijk juist zijn; dat bij het onderzoek van het middel dan ook moet worden nagegaan of de door verzoeker aangebrachte gegevens en argumenten van die aard zijn dat zij doen twijfelen of de bestreden beslissing steunt op rechtens aanvaardbare en op werkelijke XII-2179-15\20 feiten berustende motieven, die door het discretionair oordelend bestuur met de nodige zorgvuldigheid werden vastgesteld; 5.
  18. Overwegende dat de door de commissie te volgen werkwijze aan verzoeker bekend is; dat het middel niet de wettigheid in twijfel trekt van dit procedurereglement; dat verzoeker uit dit procedurebesluit weet dat de door de leden van de commissie toe te kennen scores geen eigendunkelijke quotering in een schaal van nul tot twintig punten is, wat in dat geval als motief niet zou kunnen volstaan, maar een verkorte vorm die staat -moet staan- voor een waardering niet/wel relevant en weinig/grote/uitzonderlijke uitstraling; dat elke score als equivalent staat -hoe summier ook- voor een onder woorden gebrachte waardering van ieder jurylid van de hem voorgelegde gegevens in de overzichtslijst; Overwegende, in het algemeen, dat het aldus gegeven oordeel over verzoeker niet zo “quasi unaniem” was als verwerende partij het wil voorstellen; dat één lid van de commissie aan verzoeker voor elk criterium een score “0” heeft gegeven, en daarvoor als -enige- motivering “geen ‘artistieke’ faam”; dat evenzeer een ander lid aan verzoeker voor vijf van de zeven criteria een score “10” heeft gegeven, met als -eveneens enige- motivering “de kandidaat heeft een evenwichtige en sprekende faam opgebouwd in binnen- en buitenland”; Overwegende, wat het criterium “eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene” betreft, dat verzoeker in de overzichtslijst als items een tiental boeken, een aantal prentkaar- tenreeksen en een cd heeft vermeld en over de boeken verduidelijkt dat “fotografie de dragende pijler is, waarbij mijn aandeel de belangrijkste component vormt”; Overwegende dat in de motivering voor dit criterium is te lezen dat de publicaties “weinig uitstraling” hebben; Overwegende dat vooreerst de afzonderlijke leden van de jury blijkens hun beoordelingsfiches het daar onderling niet enkel wat de gegeven scores betreft over oneens blijken te zijn, maar dat zij ook tegenstrijdige motieven geven: voor een lid gaat het wel degelijk om “eigen publicaties” weze het “zonder grote uitstraling” (score 5), volgens een ander lid zijn het “uitgebreide realisaties” (score XII-2179-16\20 10) maar volgens nog een ander lid zijn het evenwel “producties …publicaties” (score 0), terwijl de overige leden zonder bijkomende inhoudelijke motivering scores toekennen van 5, 0 en 5; dat de Raad vooreerst niet ziet waarom de opgesomde boeken of prentkaarten voor een fotograaf niet als “eigen publicaties of gerealiseerde dossiers” begrepen mogen worden; dat slechts één jurylid dit in twijfel trekt; dat zijn of haar beoordeling “0” echter in dat geval niet zorgvuldig is tot stand gekomen want vertrekkend van een verkeerde premisse; dat voorts, tegenover de hoegenaamd niet eenduidige en alleszins summiere motivering van de overige juryleden het uitgebreid en concreet verweer staat van verzoeker over, onder meer, de oplage, herdrukken, vertalingen van en de prijzen en anderszins getoonde waardering voor de door hem opgesomde items; dat hij zich terecht mag afvragen waarom de jury, en met haar de raad van bestuur, bij dit criterium tot de beoordeling “weinig uitstraling” komt; dat “de voorgelegde feitelijke gegevens” vergelijkende met de stukken uitgaande van de beoordelingscommissie en van de raad van bestuur, de Raad het antwoord niet terugvindt in het administratief dossier; Overwegende, wat het criterium “tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea” betreft, dat nazicht van de werkdocumenten leert dat de eerst met de hand geschreven motieven van het juryverslag in de latere versies bij vergissing zijn omgewisseld of weggevallen, en dat meer bepaald de bemerking over “een aantal expo’s zonder al te grote uitstraling” hoorde te staan bij dit criterium G (tentoonstellingen), terwijl bij criterium F (bijdragen aan belangrijke producties) moet worden gelezen “zijn er relevante bijdragen aan belangrijke producties zonder dat betrokkene daar een grote uitstraling bekomt”; Overwegende dat de raad van bestuur blijkbaar de verschrijving niet heeft opgemerkt, en bijgevolg de blanco geworden motivering van criterium G eigener beweging opnieuw heeft aangevuld met de woorden “zijn er geen relevante elementen”; dat dit door de raad van bestuur in de uiteindelijke beslissing aangenomen motief strijdt met de feiten van het dossier; dat verzoeker immers vooreerst wél een reeks tentoonstellingen heeft opgesomd bij criterium G; dat niettemin twee commissieleden de score “0” geven, de ene met de aanvullende motivering “nihil” en de andere zonder specifieke aanvullende motivering; dat daarenboven de aldaar opgesomde tentoonstellingen plaats hadden in, onder meer, Amsterdam, Madrid, XII-2179-17\20 Lissabon en Galway; dat dienvolgens ook de oorspronkelijke handgeschreven motivering “zonder al te grote uitstraling” niet zonder meer begrepen wordt; dat verzoeker wat te lezen is over dit criterium in de stukken van het dossier terecht verwijt “niet gedragen [te zijn] door een voldoende duidelijke motivering”; Overwegende, terugkerende naar het criterium F “relevante bijdragen aan belangrijke producties”, dat de uiteindelijke motivering wegens de gesignaleerde verschrijving uiteraard niet kan stroken met de feiten van het aanvraagdossier; dat zelfs kijkend naar de oorspronkelijke handgeschreven motivering, de Raad van State zich met verzoeker afvraagt hoe men de door verzoeker opgesomde items, onder meer voor het belangrijkste tijdschrift over monumenten- en landschapszorg in Vlaanderen, “waar verzoeker zowat als huisfotograaf fungeert, [met] een oplage van 5000 exemplaren en 2848 abonnementen”, ziet als “relevante bijdragen aan belangrijke productie” maar toch oordeelt dat verzoeker daar geen grote uitstraling uit haalt; dat verzoeker daarenboven in dat verband wijst op het feit als fotograaf in de toegepaste kunsten werkzaam te zijn, wat onder meer meebrengt dat hij vooral bekendheid bij specialisten geniet; dat uit het dossier niet genoegzaam blijkt dat de leden van de commissie rekening hebben gehouden met de beoefende kunstvorm; dat verzoeker zich overigens ook voor de andere criteria mag afvragen of de commissieleden, of minstens sommige onder hen, bij de toepassing van de in het decreet vastgelegde criteria voldoende oog hadden voor de eigenheid van de toegepaste fotografie als kunstdiscipline; dat één commissielid op zijn of haar fiche schrijft “geen ‘artistieke’ faam” om dan voor alle criteria een “0” toe te kennen, wat, zonder nadere verduidelij- king, wel de indruk moet wekken dat naar het oordeel van dit lid wie fotograaf is voor restaurateurs en conservatie, geen kunst bedrijft; dat dergelijk besluit niet strookt met de erkenning van verzoekers vakspecialiteit als een artistiekgebonden onderwijsactiviteit; dat eenzelfde bedenking rijst als men, zonder meer, wél “talrijke realisaties” erkent, “talrijke manifestaties” of “relevante bijdragen”, maar de rol van verzoeker daarin als secundair bestempelt; dat verwerende partij niet ontkracht dat zulks voortvloeit uit de aard van de toegepaste fotografie, wat naar de woorden van verzoeker een ondergeschikte rol en teamwerk veronderstelt; Overwegende dat de Raad van State niet bevoegd is om de beoordeling van verzoekers artistieke faam aan de hand van zijn dossier over te doen, XII-2179-18\20 maar enkel om de beoordeling van de verwerende partij te vernietigen indien is aangetoond dat zij niet wettig tot stand is gekomen; dat het daarom volstaat vast te stellen in de concrete omstandigheden van deze zaak dat verzoeker, bij een nieuwe beoordeling van zijn aanvraag, aan één hogere quotering voor een van de zeven criteria genoeg heeft, opdat zijn eindscore 40 zou worden, wat dan weer het vereiste minimum is om de ruime artistieke faam erkend te weten; dat verzoeker bijgevolg reeds een nieuwe kans heeft op de beoogde erkenning, indien de ernst van de toegekende beoordeling voor een van de zeven criteria zou wankelen; dat wat voorafgaat aantoont dat verzoeker er reeds in slaagt de Raad hiervan te overtuigen voor minstens drie criteria; dat een nader onderzoek van verzoekers grieven bij de overige criteria dienvolgens achterwege kan blijven; dat het middel, minstens in de besproken mate, gegrond is, BESLUIT: Artikel
  19. Vernietigd wordt de beslissing van de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen van 21 juni 1999 om Oswald Pauwels “geen ruime artistieke faam toe te kennen”. Artikel
  20. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-2179-19\20 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2179-20\20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.121 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.87.654 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.