← België

Arrest 147123 - - 30/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.123 Rolnummer: A. 160191/XII-4395 Zaak: Arrest 147123 - - 30/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-15 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 20:33 Fiche Arrest nr 147.123 van 30 juni 2005 - Beslissing : Verwerping heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.123 van 30 juni 2005 in de zaak A. 160.191/XII-

  1. In zake : Michael SMETS, die woonplaats kiest bij advocaat F. Judo, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3 tegen : de ERASMUSHOGESCHOOL, die woonplaats kiest bij advocaat S. Van Geeteruyen, kantoor houdende te 1080 Brussel, Leopold II-laan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Michael Smets op 21 februari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 23 december 2004 van de examencommissie van het derde jaar audiovisuele techniek: podiumtechnieken van het departement Rits van de Erasmushogeschool, waarbij hij “wordt afgewezen na deliberatie”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door auditeur D. Mareen op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door auditeur D. Mareen; XII-4395-1\6 Gelet op de beschikkingen van 25 april 2005 houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2005; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Judo, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. Van Geeteruyen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies over het beroep tot nietigverklaring en het eensluidend advies over de vordering tot schorsing van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De gegevens van de zaak Overwegende dat verzoeker tijdens het academiejaar 2003-2004 ingeschreven is als student in het derde jaar audio-visuele technieken/assistent- podiumtechnieken van het departement Rits van de Erasmushogeschool; dat de examencommissie van het desbetreffende jaar op 23 december 2004 een eerder hem betreffende beslissing intrekt en de examenresultaten van verzoeker opnieuw in overweging neemt, om finaal te besluiten dat hij -andermaal- wordt afgewezen; dat die afwijzing de thans bestreden beslissing vormt; De procedure artikel 93 van het algemeen procedurereglement Overwegende dat in het auditoraatsverslag tot de kennelijke onontvankelijkheid van het annulatieberoep besloten wordt omdat verzoeker niet de regeling gevolgd heeft, voorgeschreven door de bepalingen van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in XII-4395-2\6 het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, die voor een beslissing als de bij onderhavig beroep bestredene, een beroep hebben ingesteld bij de raad voor examenbetwistingen, zodat verzoeker niet vermag de Raad van State te vatten vooraleer bij deze raad voor examenbetwistingen de betwisting aanhangig gemaakt te hebben; Overwegende dat verzoeker ter terechtzitting opmerkt dat hij de door de auditeur aangekleefde stelling, zoals die ook is verwoord in ’s Raads arrest Ingrosso, nr. 139.777 van 25 januari 2005, in beginsel kan bijvallen; dat volgens hem die stelling in de thans voorliggende zaak evenwel niet kan worden toegepast, omdat de door hem bestreden beslissing nog dateert van 23 december 2004, op een ogenblik bijgevolg dat de Raad van State nog wel bevoegd was; dat hij daar nog bij opmerkt dat de kennisgeving van de bestreden beslissing dateert van 24 december 2004 en dat hem dan ook op geen enkele manier het decreet van 19 maart 2004 kan worden tegengeworpen, aangezien de beroepstermijn voor die raad vijf kalenderdagen bedraagt en, toegepast op zijn zaak, óók verstreken was alvorens bedoeld decreet op 1 januari 2005 in werking is getreden; dat hij vaststelt toen nog niet naar die raad te kunnen zijn gegaan, want toen was die nog niet bevoegd; dat hij besluit dat weliswaar alle beroepen over examenbeslissingen die genomen zijn vanaf 1 januari 2005 voor de raad voor examenbetwistingen moeten komen, maar dat de beslissingen genomen voor 1 januari 2005 nog bij de Raad van State aanvechtbaar zijn en dat er hoogstens discussie kan zijn voor de beslissingen waarvan de kennisgeving, anders dan in zijn geval, te situeren is in de vijf laatste kalenderdagen van het jaar; Overwegende dat de verwerende partij wijst op het ontbreken van enige overgangsmaatregel in het decreet van 19 maart 2004 en aanneemt dat verzoeker wél beroep kon instellen bij de raad voor examenbetwistingen; Overwegende dat samen met verzoeker dient vastgesteld dat het decreet van 19 maart 2004, voor zoveel als hier van belang, in werking is getreden op 1 januari 2005 en, zoals verwerende partij opmerkt, zonder in enige overgangs- maatregel te voorzien; dat in die omstandigheden verzoeker ter terechtzitting voldoende twijfel doet rijzen over de vraag of hem verweten mocht worden dat hij niet de bij dit decreet voorgeschreven regeling gevolgd heeft en, met andere woorden, of de nieuwe beroepsprocedure van dit decreet voor hem wel open stond op het ogenblik van de totstandkoming of de kennisgeving van de bestreden XII-4395-3\6 beslissing; dat niet zo kennelijk vaststaat dat verzoeker die regeling had moeten of zelfs kunnen volgen en dat hij, om de enkele reden dat hij dit niet heeft gedaan, dienvolgens de onmiddellijke toegang tot de Raad van State heeft verbeurd; dat het bijgevolg aangewezen is het voorliggende beroep volgens de gewone procedure verder af te handelen; De vordering tot schorsing Overwegende dat de thans bestreden beslissing is getroffen op 23 december 2004 en volgens verzoeker aan hem ter kennis is gebracht op 24 december 2004; dat de afdeling administratie van de Raad van State, zoals verzoeker het zelf bepleit, op dat ogenblik nog bevoegd was om kennis te nemen van een annulatieberoep tegen die beslissing, in de veronderstelling althans dat zij de in laatste aanleg genomen eindbeslissing was van de verwerende partij in deze zaak; dat de Raad dit voorbehoud formuleert, onder meer omdat het examenreglement niet is neergelegd in het administratief dossier; dat verzoeker daarenboven, gelet op het door hem gevreesde nadeel een schooljaar te moeten verliezen, op dat ogenblik ook met passende voortvarendheid de schorsing van tenuitvoerlegging kon vorderen, in voorkomend geval zelfs bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van dezelfde beslissing; Overwegende dat verzoeker evenwel eerst bij verzoekschrift van 21 februari 2005 de voorliggende vordering aanhangig maakt bij de Raad van State; dat bijgevolg het geschil nog op geen enkele manier aanhangig was gemaakt wanneer op 1 januari 2005 reeds de bepalingen van het meervermeld decreet van 19 maart 2004 in werking zijn getreden waarbij de decreetgever de raad voor examenbetwistingen als administratief rechtscollege heeft opgericht, om uitspraak te doen “over de beroepen die door studenten worden ingesteld [...] na uitputting van de [...] interne beroepsprocedure” (artikel II.15 juncto artikel II.46 van het decreet van 19 maart 2004); Overwegende dat, nu de decreetgever gemeend heeft daarbij in geen overgangsbepalingen te moeten voorzien, deze nieuwe bevoegdheidsregel onmiddellijke werking heeft; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt, zo lijkt, dat de afdeling administratie van de Raad van State op 21 februari 2005, ogenblik waarop verzoeker XII-4395-4\6 huidig beroep aanhangig maakte, met toepassing van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, over betwistingen betreffende examenbeslissingen in het hoger onderwijs, althans voor zover de beroepen worden ingesteld “door studenten”, nog slechts geroepen wordt om uitspraak te doen in geval van cassatieberoep ingesteld tegen de door het bedoelde administratieve rechtscollege in laatste aanleg gewezen beslissingen; dat niet wordt betwist door verzoeker dat hij de voorliggende vordering heeft ingesteld als student; Overwegende dat verzoeker ter terechtzitting vergeefs pleit voor een uitzondering of een afwijking op de dadelijke werking van de nieuwe bevoegdheidsregel, argumenterende dat hem op 23 december 2004 de nieuwe regeling nog niet kon worden “tegengeworpen”; dat, vooreerst, al was het nog niet in werking getreden, het decreet van 19 maart 2004 en bijgevolg de weerslag van de nieuwe regeling op zijn rechtsmiddelen aan verzoeker op 23 december 2004 al bekend moesten zijn, nu het decreet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 juni 2004; dat, voorts, de feitelijke vaststelling dat het decreet op 23 december 2004 nog niet in werking was getreden in de huidige stand van de procedure niet relevant voorkomt en hem ook niet wordt “tegengeworpen”; dat de Raad van State niet kan instemmen met de door verzoeker gevraagde prorogatie van zijn rechtsmacht; dat verzoeker immers zijn zaak aan de Raad van State had kunnen voorleggen maar bewust zelf heeft gekozen eerst te ageren op 21 februari 2005; dat op die datum, ingevolge de klaarblijkelijke wil van de decreetgever om in geen overgangsbepalingen te voorzien, de Raad van State prima facie slechts kan vaststellen zonder rechtsmacht te zijn; dat verzoeker in zijn vordering de overeenstemming van de nieuwe bevoegdheidsregeling met de Grondwet overigens niet in vraag stelt; dat de Raad van State in de huidige stand van de procedure aanneemt dat hij geen kennis mag nemen van de voorliggende vordering, op 21 februari 2005 ingesteld door een student tegen een examenbeslissing in het hoger onderwijs, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep tot nietigverklaring is niet kennelijk onontvankelijk. Artikel
  4. XII-4395-5\6 De debatten worden heropend en de zaak wordt volgens de gewone procedure voortgezet. Artikel
  5. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  6. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4395-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.123 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.082 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.