← België

Arrest 147125 - - 30/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.125 Rolnummer: A. 83014/XII-1927 Zaak: Arrest 147125 - - 30/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-29 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 20:33 Fiche Arrest nr 147.125 van 30 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.125 van 30 juni 2005 in de zaak A. 83.014/XII-

  1. In zake : Jan SMITS, die woonplaats kiest bij advocaten A. Smulders en H. Schiltz, kantoor houdende te Antwerpen, Tavernierkaai 2 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan Smits op 18 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 6 januari 1999 van het vast bureau van de Argo waarbij hij niet vast benoemd werd als leraar Nederlandse taalbeheersing in betrekking nr. 50.125 aan de Hogere Leergangen voor Technisch Onderwijs van het Gemeenschapsonderwijs te Diest; Gelet op het arrest nr. 118.818 van 29 april 2003, waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van der Gucht; Gelet op de beschikking van 15 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-1927-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van verzoeker en de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Smulders, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Op 30 oktober 1998 dient verzoeker een formulier “98-06-B”, “aanvraag vaste benoeming (supertijdelijke) en toelating tot de proeftijd op 1.1.99” in. Onder het punt “gevraagde betrekkingen” duidt hij onder meer aan, de betrekking nr. 50.125 (Lorgo nr. 366) van 3 u leraar Nederlandse taalbeheersing aan de Hogere Leergangen voor Technisch Onderwijs van het Gemeenschaps- onderwijs te Diest. XII-1927-2/10 Op 30 oktober 1998 vraagt de afgevaardigd bestuurder van de raad van bestuur 366 verzoeker “een volledig dossier op te maken” en ten laatste tegen 10 november 1998 te zenden aan de instelling en nodigt hij verzoeker uit voor een interview op 17 november 1998 om 22.50 uur. Verzoeker verschijnt op 17 november 1998 niet op de afspraak. De raad van bestuur beslist diezelfde dag verzoekers aanvraag af te wijzen, beslissing die op 24 november 1998 door de afgevaardigd bestuurder aan verzoeker namens de raad van bestuur 366 wordt meegedeeld. Op 30 november 1998 tekent verzoeker bij de raad van bestuur 366 bezwaar aan tegen de afwijzing van zijn kandidatuur. Bij brief van 3 december 1998 wordt hij door de afgevaardigd bestuurder “uitgenodigd op een interview met de Raad van Bestuur 366” en dit op 8 december 1998 om 19.45 uur. Op 9 december 1998 beslist de raad van bestuur 366 “de kandidatuur van de heer Jan Smits af te wijzen”. Op 14 december 1998 deelt de afgevaardigd bestuurder aan verzoeker mee dat de raad van bestuur heeft beslist dat hij “uw kandidatuur niet zal voordragen voor het ambt”. De brief vermeldt als argumentatie : “Bij beslissing P023, genomen op de zitting van de Raad van Bestuur op woensdag 9 december 1998, is beslist dat de Raad uw kandidatuur niet zal voordragen voor het ambt 50125 366 aan de HLTO te Diest. Hieronder vindt u de argumentatie van de Raad en de u toegekende score. [...] Tot spijt van de leden van RVB 366 werd vastgesteld dat dhr. J. Smits 20 minuten te laat op de afspraak verschijnt en het blijkbaar zelfs niet nodig vindt zich hiervoor te verontschuldigen. Interview *Algemeen voorkomen: Aangezien betrokkene -blijkbaar stelselmatig te laat komt op afspraken. -de elementaire beleefdheid niet heeft zich hiervoor te verontschuldigen. -de gevraagde documenten nog niet op de gevraagde manier kan afleveren geen onderscheid maakt tussen ambt- en dienstanciënniteit (zie het XII-1927-3/10 bijgevoegde document op een kladblad, met een vlugge berekening in potlood...) hij schuift de verantwoordelijkheid hiervoor naar de school, Argo en zelfs het departement. Scoort betrokkene 2/5 *Spreekvaardigheid Aangezien betrokkene -zich vlot uitdrukt. Scoort betrokkene 7/10 *Structuur van de opleiding waar men zijn kandidatuur stelt: Aangezien betrokkene -weinig of geen kennis heeft van de modulaire structuur van de GPB - opleiding. (De module ‘onderwijsgedrag van de leraar’ is hem totaal onbekend). -geen onderscheid kan maken tussen een module en een eenheid. -de verwachtte antwoorden er slechts kwamen na gerichte vraagstelling. Scoort betrokkene 5/15 *Visie op het ambt: Aangezien betrokkene -gebruik maakt van educatieve middelen die niet zijn aangepast aan de doelgroep, m.n. gebruik van een handboek ‘nederlands’ bestemd voor 3 BSO, waar er aangepaste werken voor volwassenen op de markt zijn. -de leerinhouden verwart van de eenheid ‘communicatievaardigheden’ met de eenheid ‘taalbeheersing’, stellen we ons vragen bij de correcte invulling van het jaarplan voor de eenheid ‘taalbeheersing’ Scoort betrokkene 3/10 *Ervaring in de te geven leervakken en studierichting: Aangezien betrokkene -niet duidelijk kan maken hoeveel jaar hij lesgeeft in het Pedagogisch onderwijs. -afgaand op het gesprek en het bij het dossier gevoegd document betreffende de ervaring in het ambt, blijkt dat deze ervaring voornamelijk is opgebouwd in het economisch- en niet in het pedagogisch onderwijs. Scoort betrokkene 5/10 *Evaluatieverslag omtrent het gestelde ambt: Alhoewel: -uit de antwoorden niet valt af te leiden of er ambtsanciënniteit verworven is in het gevraagde ambt. -willen we toch rekening houden met het intrinsiek goed verslag Scoort betrokkene 7/10 Besluit: Dhr. J. Smits behaalde 29/60 voor het mondeling onderhoud met een totaal van 60/
  3. Dhr. J. Smits kan niet worden voorgedragen voor benoeming, temeer daar hij geen 36/60 behaalde op het mondeling gedeelte”. XII-1927-4/10 Op 21 december 1998 richt verzoeker aan de raad van bestuur 366 een “Bezwaarschrift tegen afwijzing kandidatuur voor ambt 50125 366”. Op 6 januari 1999 beslist het vast bureau van de Argo om verzoeker af te wijzen “wegens afwijzing door lr op basis v/h valabel motief niet voldoen aan gestelde profiel”. Op 7 januari 1999 deelt verwerende partij aan verzoeker mee dat aan zijn aanvraag geen gunstig gevolg kon worden gegeven “omdat de kandidaat niet voldoet aan het voor de betrekking gestelde profiel”;
  4. De grond van de zaak. 2.
  5. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de omzendbrief met kenmerk ARGO/VAD/1997-063 duidelijk stelt dat het lokale bestuursorgaan bij de aanvang van de werkzaamheden aan elke kandidaat moet meedelen welke criteria worden gehanteerd, welke werkwijze wordt gevolgd alsook informatie in verband met de te begeven betrekking, dat deze regels met de voeten werden getreden aangezien de helft van de criteria niet werd meegedeeld bij het begin van de werkzaamheden, er geen puntenverdeling werd meegedeeld, er geen te behalen percentage werd meegedeeld en er geen informatie werd verstrekt omtrent de te begeven betrekking; dat hij verder stelt dat verschillende criteria niet correct werden toegepast, zo heeft bijvoorbeeld criterium 8 betrekking op een mondeling onderhoud en is het bijgevolg subjectief en niet controleerbaar; dat verzoeker daarnaast betoogt dat artikel 37 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs (hierna : het rechtspositie-decreet) werd geschonden; dat hij voorts doet gelden dat bepaalde criteria verkeerd werden berekend of niet correct werden toegepast, of nog dat zij werden gehanteerd om een kandidaat zonder dienstanciënniteit in de betrokken school af te wijzen hetgeen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en met de letter en de geest van de omzendbrief; dat verzoeker besluit dat het algemeen totaal zoals weergegeven in de toetsingstabel ontoereikend is en dat een correcte toepassing van de criteria een totaal ander beeld zou geven; XII-1927-5/10 Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord onder meer stelt dat hem bij zijn kandidaatstelling slechts enkele criteria waaraan hij diende te voldoen werden meegedeeld, dat als laatste criterium een onderhoud met de kandidaat werd vermeld terwijl er na het interview sprake is van allerlei andere criteria, namelijk algemeen voorkomen, spreekvaardigheid, structuur van de opleiding waar men zijn kandidatuur stelt, visie op het ambt, ervaring in de te geven leervakken en studierichting, evaluatieverslag omtrent het gestelde ambt; dat hij voorts argumenteert dat de bedoeling van de decreetgever ondubbelzinnig is: een enige kandidaat die voldoet aan de statutaire voorwaarden moet worden benoemd, dat verwerende partij ten onrechte besluit dat er sprake kan zijn van een negatief gemotiveerde voordracht, dat bovendien uit geen enkel document blijkt dat de raad van bestuur 366 een voordracht heeft gedaan, zij het positief of negatief; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift nalaat aan te geven op welke wijze het door hem aangevoerde artikel 37 van het rechtspositiedecreet zou zijn geschonden; dat het middel in die mate onontvankelijk is; Overwegende dat inzake het volgens verzoeker onvoldoende verstrekken van informatie bij de aanvang van de procedure kan worden opgemerkt dat, conform de door verzoeker ingeroepen bepaling, aan verzoeker bij schrijven van 30 oktober 1998 de door verwerende partij gehanteerde beoordelingscriteria werden bezorgd; dat nergens uit blijkt dat hem, en dan nog op straffe van nietigheid van een en ander, bovendien ook nog de te begeven punten per onderdeel van de vastgelegde criteria hadden moeten worden meegedeeld; Overwegende dat met betrekking tot het achtste criterium, het mondeling onderhoud, de vermelding dat één van de selectiecriteria een onderhoud met de kandidaten zou zijn als voldoende informatie dient te worden beschouwd, zeker als naderhand blijkt dat dit onderhoud betrekking had op vrij evidente aandachts- en gesprekspunten zoals voorkomen en spreekvaardigheid van XII-1927-6/10 de kandidaat, diens visie op de te begeven betrekking en ervaring in bedoelde onderwijssector, criteria die een alert kandidaat bezwaarlijk kunnen verrassen of voor de betrokken selectie als niet relevant of niet ter zake dienend kan aanmerken; dat voorts van dit mondeling onderhoud te gelegener tijd aan verzoeker een schriftelijke, gemotiveerde neerslag ter kennis is gebracht, die een beoordeling bevat; dat hiermee ook is tegengesproken dat het mondeling onderhoud “niet controleerbaar” zou zijn; dat evenwel verzoeker bij de uiteenzetting van zijn middelen thans geen enkel onderdeel ervan concreet bekritiseert; dat verzoeker niet aantoont en uit de schriftelijke neerslag van het interview geenszins blijkt dat het interview een subjectief karakter zou hebben; dat, integendeel, tijdens het onderhoud objectieve en relevante onderwerpen werden behandeld; dat kan worden besloten dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij onterecht slechts 29 op 60 behaalde op het interview; Overwegende dat de vooraf opgestelde toetsingscriteria onder meer stellen dat een kandidaat die geen 60% behaalt op het interview niet in aanmerking kan komen voor het ambt; dat de overige door verzoeker aangevoerde onregelmatigheden dan ook niet meer worden onderzocht; dat, zelfs al waren zij aanneembaar, dit hem niet de kans op slagen kan opleveren die hij beoogt, aangezien hiervoor een globaal slaagcijfer voor het mondeling gedeelte is vereist; Overwegende dat het middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; 2.
  6. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel aanvoert dat de raad van bestuur 366 “een loopje neemt met de regels van behoorlijk bestuur”; dat hij toelicht: “zie ondermeer de snelheid waarmee moest gereageerd worden op de vraag tot indienen van het dossier. Zie ondermeer het niet-meedelen van de helft van de criteria bij het begin van de werkzaamheden”; XII-1927-7/10 Overwegende dat verzoeker op dit middel niet ingaat in zijn memorie van wederantwoord; Overwegende dat artikel 2, §1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift onder meer een uiteenzetting van de feiten en middelen dient te bevatten; dat de uiteenzetting van een middel in principe vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die zou zijn geschonden als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden handeling werd geschonden; dat verzoeker in zijn verzoekschrift een schending van de “regels van behoorlijk bestuur” aanvoert; dat hij onvoldoende duidelijk aangeeft welk rechtsbeginsel werd geschonden en op welke wijze het werd geschonden; dat dergelijke losse, niet onderbouwde bewering niet als een “middel” kan worden beschouwd; dat het onontvankelijk is; 2.
  7. Overwegende dat verzoeker in een derde middel een schending van een substantiële vormvereiste aanvoert; dat hij betoogt dat het advies van de raad van bestuur een wezenlijk onderdeel van de benoemingsprocedure is dat is voorgeschreven in het belang van de kandidaten, dat de raad van bestuur de plicht heeft een advies uit te brengen, plicht die zorgvuldig moet worden uitgeoefend, dat het advies een substantiële vormvereiste is “waarvan [...] de onregelmatigheid de rechtmatigheid aantast van de beslissing van de benoemende overheid”, dat Argo-centraal zich duidelijk heeft gesteund op het negatieve en onregelmatige advies van de raad van bestuur 366 en geen rekening heeft gehouden met het feit dat het ingestelde beroep niet werd behandeld; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord voorts stelt dat er niet werd geantwoord op het omstandig gemotiveerd bezwaar dat hij bij schrijven van 21 december 1998 indiende, dat de oproep bepaalt dat de lokale bestuursorganen dergelijke bezwaarschriften binnen vijf dagen na ontvangst ervan moeten behandelen, het resultaat hiervan onmiddellijk schriftelijk meedelen aan de kandidaat en aan de Argo-administratie en dat de centrale raad na de XII-1927-8/10 behandeling van het bezwaarschrift door het lokaal bestuursorgaan de bestuursinstantie is die zich over het bezwaar en de behandeling ervan door het lokaal bestuursorgaan buigt, dat er geen enkele aanwijzing bestaat dat voornoemd bezwaar werd behandeld door de lokale raad, dat hij pas op 11 januari 1999 een brief ontvangt van de afgevaardigd bestuurder, dat de termijn van vijf dagen niet werd gerespecteerd en er evenmin sprake is van een degelijke motivatie, dat de beslissing van de centrale raad op dit ogenblik reeds was genomen zodat hij niet eens de kans kreeg een beroep in te dienen bij de centrale raad; Overwegende dat het onderdeel van het derde middel volgens welk de “Argo geen rekening [heeft] gehouden met het feit dat het ingestelde beroep niet werd behandeld” door de Raad van State reeds in het arrest nr. 118.818 van 29 april 2003 ongegrond werd bevonden; dat over verzoekers kritiek dat “Argo-centraal [...] zich dus duidelijk [heeft] gebaseerd op het negatieve en onregelmatige advies van de Raad van Bestuur 366” hoger reeds werd vastgesteld dat het advies van de raad van bestuur 366 de toets van de door verzoeker aangevoerde wettigheidsbezwaren genoegzaam heeft doorstaan; dat ook dit middelonderdeel, en aldus het derde middel, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : XII-1927-9/10 de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1927-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.125 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.118.818 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.