id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.126 Rolnummer: A. 90064/XII-2518 Zaak: Arrest 147126 - - 30/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-29 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 20:34 Fiche Arrest nr 147.126 van 30 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.126 van 30 juni 2005 in de zaak A. 90.064/XII-2518. In zake : Jan SMITS, die woonplaats kiest bij advocaten H. Schiltz en A. Smulders, kantoor houdende te Antwerpen, Tavernierkaai 2 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan Smits op 7 maart 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 20 (lees: 17) december 1999 van het gemeenschapsonderwijs waarbij hij niet vast benoemd werd “als leraar AV-HO (OSP) Nederlands Ec K en leraar TV-HO (OSP) in de betrekking nr. 50008 aan CVO Vilvoorde/Mechelen
(9u)en als leraar TV-HO (OSP) TV Comm.vaardigheden Pe K; TV Stage; TV Taalbeheersing Pe K in de betrekking nr. 50175 aan CVO Sint-Michiels/Maldegem /Knokke”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 24 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2518-1/17 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Smulders, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De gegevens van de zaak Overwegende dat verzoeker met ingang van 1 januari 1999 vast benoemd wordt als leraar TV-HO (OSP) aan de HLTO-LHO Mechelen voor 6 uren; Overwegende dat de lokale raad nr. 304 op 18 november 1999 beslist : “de volgende kandidaten voor te dragen aan de Centrale Raad voor vaste benoeming met ingang van 1 januari 2000: [...] 50175 304 lk. TV-PE K communicatieve vaardigheden + taalbeheersing + stage, 7u
- Smits Jan [...]”; XII-2518-2/17 Overwegende dat dezelfde lokale raad op 9 december 1999 beslist verzoeker “af te wijzen op basis van uitgesproken negatieve elementen in zijn dossier als kandidaat voor vaste benoeming in de [betrekking 50175]”; dat hij die beslissing als volgt motiveert : “In de vergadering van 18/11/99 heeft de LR 304 beslist Dhr. Jan Smits voor te dragen voor vaste benoeming in bovenstaande betrekking. Op 6/12/99 heeft de afgevaardigd-bestuurder de resultaten van de decretale controle ontvangen. Hieruit blijkt dat er zich een probleem voordoet i.v.m. het laatste verslag van het inrichtingshoofd dat een onvoldoende bevat. De AB heeft hieromtrent informatie ingewonnen bij de Dienst Bijzondere Maatregelen en de volgende inlichtingen (zie bijlage) verkregen: - onvoldoende op 28/04/95 in KA Boom - onvoldoende op 13/02/98 in KA Vilvoorde - afwijzing door de Raad van Beroep van het personeel van het Gemeenschapsonderwijs van het beroep van Dhr. J. Smits tegen de beslissing van 13/02/
- - intussen heeft Dhr. J. Smits beroep aangetekend bij de Raad van Staat tegen de beslissing door de Raad van Beroep. Een uitspraak moet nog volgen. - bovendien blijkt Dhr. J. Smits in februari 99 (?) eveneens een onvoldoende gekregen te hebben in het KA Mol. Beroep van Dhr. J. Smits bij de Raad van Beroep werd aanvaard, vooral op basis van formele zaken. Bij de sollicitatie heeft de AB van de LR 304 gevraagd naar het “laatste verslag instellingshoofd”. Dhr. J. Smits heeft een verslag van 26.04.97 afgegeven. Hoewel hij dus nog na die datum beoordelingsverslagen ontvangen heeft, heeft hij nagelaten die in te dienen. Dhr. J. Smits heeft dus informatie achtergehouden, die het de LR 304 onmogelijk maakten een gefundeerde mening te formuleren. Op basis van deze uitgesproken negatieve elementen in het dossier van Dhr. Jan Smits, die niet bekend waren aan de leden van de Lokale Raad 304 op 18/11/99, wordt de kandidatuur van Dhr. Jan Smits afgewezen”; Overwegende dat verzoeker op 14 december 1999 met een aan de afgevaardigd bestuurder gerichte aangetekende brief klacht indient tegen deze beslissing; dat de lokale raad nr. 304 op 23 december 1999 beslist verzoekers klacht af te wijzen en de genomen beslissing te handhaven, omdat de klacht geen elementen blijkt te bevatten die een wijziging van de genomen beslissing rechtvaardigen, hetgeen aan verzoeker wordt meegedeeld bij brief van 24 december 1999; XII-2518-3/17 Overwegende dat verzoeker, die er van uitgaat dat het vast bureau van de Argo op 15 december 1999 hierover vergadert, in de nacht van 14 op 15 december 1999 zijn bezwaren eveneens met fax-berichten stuurt aan de centrale administratie en op 15 december 1999, blijkbaar nogmaals afzonderlijk, aan de ondervoorzitter van de Argo; Overwegende dat het vast bureau van de Argo op 17 december 1999 beslist : “[...] CVO St. Michiels/Maldegem/Knokke- betrekking nr. 50175 304 - leraar Pe-Hokt De betrekking nr. 50175 304 - leraar Pe-Hokt wordt niet toegewezen. [...] CVO Vilvoorde/Mechelen - betrekking nr. 50008 358 - leraar OSP-HO De betrekking nr. 50008 358 - leraar OSP-HO wordt niet toegewezen”; Overwegende dat bij brief van 20 december 1999 van het gemeenschapsonderwijs aan verzoeker wordt meegedeeld : “dat aan de aanvragen voor de volgende betrekkingen rekeninghoudend met de soort ‘aanvraag’ geen gunstig gevolg kon worden gegeven wegens de bijvermelde reden. 1 Betrekking nr.50008
(9u)aangevraagd voor uitbreiding vaste benoeming volgens artikel 36ter DRP [...] Afgewezen omdat de betrekking niet praktisch organiseerbaar is 5 Betrekking nr.50175
(7u)aangevraagd voor benoeming volgens artikel 36 tot en met 40 DRP [...] Afgewezen omdat negatieve elementen [...]”; De ontvankelijkheid van het beroep 2.
- Overwegende dat verwerende partij stelt dat het beroep niet ontvankelijk is aangezien het laattijdig werd ingesteld, omdat het verzoekschrift door de griffie van de Raad van State werd ontvangen op 8 maart 2000, zijnde de 61e dag na de beweerde kennisgeving; dat zij ter terechtzitting vaststelt dat het XII-2518-4/17 verzoekschrift blijkens de poststempel werd ingediend op 7 maart 2000 en dienvolgens afstand doet van haar exceptie; 2.2.
- Overwegende dat verwerende partij voorts doet gelden dat verzoeker geen middelen aanvoert tegen de weigering hem te benoemen in de betrekking nr. 50008, dat verzoeker overeenkomstig de geldende regelgeving nochtans gehouden is in zijn verzoekschrift het voorwerp van zijn beroep aan te geven en feiten en middelen uiteen te zetten, dat bijgevolg de vordering terzake als onontvankelijk moet worden beschouwd; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker inderdaad geen enkel middel aanvoert tegen de weigering hem te benoemen in de betrekking nr. 50008 zodat dit onderdeel van het beroep niet op ontvankelijke wijze is bestreden; De grond van de zaak 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het eerste middel stelt dat artikel 37, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeen- schapsonderwijs (hierna: het rechtspositiedecreet) werd geschonden omdat hij de enige kandidaat was voor de betrekking en hij aan alle benoemingsvereisten voldeed zodat de lokale raad hem moest voordragen; dat hij in een tweede onderdeel doet gelden dat ook artikel 37bis van voornoemd decreet werd geschonden aangezien de centrale raad verplicht was hem te benoemen daar hij kandidaat was voor een vaste benoeming, voldeed aan de benoemings- voorwaarden en door de benoeming in de betrekking minstens een halftijdse opdracht zou verkrijgen; dat verzoeker ten slotte in een derde onderdeel betoogt dat de raad van bestuur 366 in strijd met de omzendbrief van 20 oktober 1997 met kenmerk ARGO/VAD/1997-063 handelde doordat hem bij aanvang van de werkzaamheden niet werd meegedeeld dat het evaluatiedossier zou worden gebruikt; XII-2518-5/17 Overwegende dat verwerende partij repliceert op het eerste onderdeel dat uit artikel 37, § 1, van het rechtspositiedecreet blijkt dat het lokale bestuursorgaan, indien er verschillende kandidaten zijn, slechts één kandidaat voor vaste benoeming kan voordragen, dat de lokale raad enkel kandidaten kan voordragen die aan de benoemingsvereisten voldoen, dat uit voornoemd artikel niet kan worden afgeleid dat de lokale raad verplicht was verzoeker zonder meer voor te dragen, dat nergens wordt bepaald “dat de voordracht voor een betrekking waar slechts één kandidaat is, steeds positief moet zijn”, dat niets uitsluit dat de voordracht negatief gemotiveerd kan worden, dat de aangevraagde benoeming in betrekking nr. 50175 werd afgewezen omwille van uitgesproken negatieve elementen in verzoekers dossier, hetgeen overeenkomstig de omzendbrief met kenmerk ARGO/VAD/1997-063 een valabel motief is om een kandidaat af te wijzen; dat zij voorts over het tweede onderdeel stelt dat artikel 37bis, § 2, van het rechtspositiedecreet enkel bepaalt dat een personeelslid dat aan de in deze bepaling omschreven voorwaarden voldoet voorrang heeft op een personeelslid dat niet in die voorwaarden verkeert, dat dit artikel te dezen niet van toepassing is aangezien verzoeker de enige kandidaat was voor de betrekking; dat zij ten slotte argumenteert met betrekking tot het derde onderdeel dat het zonder voorwerp is en verzoeker verwart met een andere procedure, aangezien in huidig beroep geen beslissing van de raad van bestuur 366 wordt aangevochten; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord met betrekking tot het eerste onderdeel handhaaft dat de lokale raad “tot voordracht verplicht [was]”; dat hij vervolgens uitvoerig argumenteert waarom de lokale raad noch uit enige omzendbrief, noch uit de feitelijke gegevens aangehaald in de beslissing van 9 december 1999 deugdelijke redenen mocht halen om van die voordracht af te zien: het gemeenschapsonderwijs kan enkel niet-verordenende omzendbrieven uitvaardigen die het rechtspositiedecreet niet kunnen wijzigen en die enkel verklaringen en aanwijzingen opleggen aan de eigen administratie; de decretale controle van een kandidatuur kan enkel op grond van de bepalingen van het rechtspositiedecreet plaatsvinden; de lokale raad nr. 304 gaf hem op 25 november 1999 een rangschikking 1 op voorwaarde van decretale controle; deze XII-2518-6/17 rangschikking is een eenzijdige beslissing van het administratief orgaan die mag worden geacht gelijkvormig te zijn met het recht; deze rangschikking diende te worden voorgedragen mits aan de voorwaarde van decretale controle werd voldaan; de eerste onvoldoende, in KA Boom, werd toegekend voor lessen aardrijkskunde waarvoor hij niet specifiek is opgeleid; de tweede onvoldoende, in KA Vilvoorde, wordt bestreden voor de Raad van State; de derde onvoldoende, in KA Mol, dient te worden beschouwd als een voldoende aangezien de onvoldoende door de raad van beroep werd vernietigd; het decreet verbindt enkel inzake dienstanciënniteit en ontslag gevolgen aan een onvoldoende; hij voldeed aan de voorwaarden om vast te worden benoemd; een loutere beoordeling overeenkomstig de voorschriften van het rechtspositiedecreet houdt geen discriminatie in ten aanzien van andere kandidaten; de “zogezegde” decretale beoordeling mocht “geenszins een passe-partout betekenen om discretionair te kunnen beslissen”; zijn laatste beoordeling was een voldoende; Overwegende dat hij het aan artikel 37bis van het rechtspositiedecreet ontleende middelonderdeel herneemt; dat hij over het derde middelonderdeel niets meer schrijft; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie over het eerste onderdeel argumenteert dat hij voldoet aan de decretale voorwaarden, dat de overheid niet beschikte over een discretionaire bevoegdheid inzake zijn niet- benoeming, dat de lokale raad enkel diende vast te stellen dat hij aan de decretale voorwaarden voldeed, dat hij de enige kandidaat was en bijgevolg moest worden voorgedragen, hetgeen blijkt uit het feit dat een nieuw artikel 37, § 2, van het rechtspositiedecreet uitdrukkelijk bepaalt dat het lokale bestuur de mogelijkheid heeft een enige kandidaat gemotiveerd af te wijzen zodat de overheid thans over een discretionaire bevoegdheid beschikt en vroeger niet; dat hij zich betreffende het tweede onderdeel vragen stelt bij een interpretatie van artikel 37bis van het rechtspositiedecreet dat hij benoemd had moeten worden indien er meerdere kandidaten zouden zijn geweest, maar niet als hij de enige kandidaat is die aan de XII-2518-7/17 voorwaarden voldoet en dat het decreet duidelijk bepaalt dat er een voordracht moet gebeuren; dat het derde middelonderdeel andermaal onbesproken blijft; 3.1.
- Overwegende, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat artikel 37, § 1, van het rechtspositiedecreet ten tijde van de bestreden beslissing als volgt was gesteld : “Het lokale bestuursorgaan of bij ontstentenis hiervan het instellingshoofd draagt, onder de personeelsleden die kandidaat zijn voor een vaste benoeming en aan de benoemingsvereisten voldoen, per betrekking die bij hem vacant verklaard is, één kandidaat voor aan de centrale raad. Het dossier dat wordt voorgelegd bevat al de ingediende kandidaturen. De centrale raad kan de voordracht op gemotiveerde wijze afwijzen. In dit geval maakt de centrale raad het dossier voor een nieuwe voordracht over aan de lokale bestuursorganen of het instellingshoofd. [...]”; Overwegende dat in het midden kan blijven of en onder welke voorwaarden een lokale raad mag weigeren een voordracht te doen; dat immers in artikel 37, § 1, van het rechtspositiedecreet hoe dan ook geen verplichting voor de lokale raad kan worden gelezen om een kandidaat zonder meer voor te dragen; dat met verwerende partij wordt aangenomen dat dergelijke voordracht, wanneer er slechts één kandidaat is, niet steeds positief moet zijn; dat de centrale raad luidens artikel 37, § 1, van het rechtspositiedecreet, zoals het toentertijd gold de voordracht “op gemotiveerde wijze [kan] afwijzen”; dat, om de centrale raad daarvoor nuttig te informeren, de lokale raad steeds - ook na zijn voordracht - eigener beweging of op verzoek van de centrale raad de nodige inlichtingen en appreciaties mag verschaffen; dat te dezen in de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de lokale raad op 18 november 1999 een voordracht heeft gedaan, die achteraf niet werd ingetrokken; dat de lokale raad vervolgens op 9 december 1999 op grond van de hem toekomende bevoegdheid een negatief advies heeft verstrekt; dat overigens voor de betrekking nr. 50008 hetzelfde blijkt te zijn gebeurd; dat immers ook de raad van bestuur nr. 358 verzoeker voor de betrekking nr. 50008 heeft voorgedragen als enige kandidaat én -in dat geval tegelijk- motiveerde om hem toch niet te benoemen : XII-2518-8/17 “De voordracht der kandidaten doet zich als volgt voor :
- De heer Hugo Smits U werd afgewezen door de Raad, gelet op de onorganiseerbaarheid van de betrekking binnen het CVO Mechelen-Vilvoorde-Zaventem. [...] Het gelieve te willen noteren, dat de Raad enkel en alleen een voordracht heeft gedaan naar de Centrale Administratie toe. U zult dus de definitieve beslissing van de Centrale Administratie dienen af te wachten”; dat weliswaar de bewoordingen verwarrend zijn, maar de bedoeling duidelijk; dat ook in de bestreden beslissing zo werd gehandeld; dat ten slotte uit de aan verzoeker gerichte brief blijkt dat de centrale raad hem niet heeft afgewezen wegens het feit niet te zijn voorgedragen, maar wel wegens “negatieve elementen”; dat het middelonderdeel waarin verzoeker er van uitgaat door de lokale raad niet te zijn voorgedragen, feitelijke grondslag mist; Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat artikel 37bis, § 2, van het rechtspositiedecreet oorspronkelijk luidde : “De centrale raad moet de personeelsleden die kandidaat zijn voor een vaste benoeming en die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen, benoemen in een vacant verklaarde betrekking, wanneer het personeelslid hiervoor tenminste een halftijdse opdracht verkrijgt”; dat het evenwel met ingang van 1 september 1999 bij decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs-XI werd vervangen en ten tijde van de bestreden beslissing was gesteld als volgt : “Een personeelslid dat kandidaat is voor vaste benoeming en aan de benoemingsvoorwaarden voldoet en dat door die benoeming ten minste een halftijdse opdracht als vastbenoemde krijgt, heeft voorrang op een personeelslid dat niet in die voorwaarden verkeert”; dat in zijn nieuwe redactie het artikel 37bis, § 2, van het rechtspositiedecreet dan ook niet méér doet dan een voorrangsrecht in te stellen bij concurrentie van kandidaten, zonder enige onder hen nog een recht op benoeming te verlenen; dat het middelonderdeel niet gegrond is; XII-2518-9/17 Overwegende inzake het derde middelonderdeel dat uit verzoekers stilzwijgen dient te worden afgeleid dat hij aan dit middelonderdeel verzaakt; Overwegende tenslotte dat de voorgaande bespreking aantoont dat de verschillende kritieken die verzoeker in de memorie van wederantwoord formuleert bij de motivering om hem af te wijzen, verband houden met de hierna te bespreken middelen maar voor het thans besproken middel niet terzake zijn; dat ze immers wel de motieven om hem af te wijzen op de korrel nemen, maar niets bijbrengen met betrekking tot de in het eerste middelonderdeel aangevoerde plicht van de lokale raad om hem als enige kandidaat hoe dan ook voor te dragen, of van de in het tweede middelonderdeel aangevoerde verplichting voor de centrale raad om hem als enige kandidaat hoe dan ook te benoemen; Overwegende dat het middel niet gegrond is; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel aanvoert, onder meer, dat hij te laat op de hoogte werd gebracht van het gewijzigde standpunt van de lokale raad nr. 304, zodat het zinloos was een beroep in te stellen en zijn rechten van verdediging werden geschonden, dat werd verwezen naar een onvoldoende terwijl deze beoordeling als gevolg van een beslissing van de raad van beroep werd omgezet in een voldoende en volgens de vigerende regelgeving - artikel 22, § 4, in fine, van het rechtspositiedecreet- moest worden verwijderd uit zijn dossier, dat ook een andere onvoldoende van KTA Mol door verzoeker met succes werd bestreden, dat ook die onvoldoende uit het dossier diende te worden verwijderd en bijgevolg geen rol mocht spelen bij de besluitvorming van de lokale raad nr. 304; Overwegende dat verzoeker in een derde middel een schending van een substantiële vormvereiste aanvoert; dat hij betoogt dat het advies van de lokale raad een wezenlijk onderdeel van de benoemingsprocedure is dat is voorgeschreven in het belang van de kandidaten, dat de lokale raad de plicht heeft XII-2518-10/17 een advies uit te brengen en dat deze plicht zorgvuldig moet worden uitgeoefend, dat het advies een substantiële vormvereiste is “waarvan [...] de onregelmatigheid de rechtmatigheid aantast van de benoemende overheid”, dat het gemeenschaps- onderwijs zich duidelijk heeft gesteund op het negatieve en onregelmatige advies van de lokale raad nr. 304 en bovendien geen rekening heeft gehouden met het feit dat de beslissing van de lokale raad te laat werd meegedeeld zodat hoger beroep bij de centrale raad na behandeling van het eerste beroep niet meer mogelijk was zodat de weigering hem vast te benoemen de geldende reglementering schendt; Overwegende dat verwerende partij repliceert dat verzoeker enkel de nietigverklaring vordert van de beslissing van het vast bureau van “20” december 1999 zodat het tweede middel onontvankelijk en minstens ongegrond dient te worden verklaard voor zover het is gericht tegen de beslissing van de lokale raad nr. 304; dat het haar voorts niet duidelijk is welke substantiële vormvereiste volgens het derde middel zou zijn geschonden, dat verzoeker er op grond van het procedurereglement van de Raad van State nochtans toe gehouden is zijn middelen duidelijk te omschrijven; Overwegende dat zij subsidiair opmerkt dat de lokale raad nr. 304 op 6 december 1999 de resultaten van de decretale controle van de kandidaturen ontving waarna op 9 december 1999 werd beslist verzoekers kandidatuur af te wijzen, dat dit gebeurde op basis van uitgesproken negatieve elementen in verzoekers dossier die de lokale raad op 18 november 1999, datum waarop aan verzoeker voorlopig rangschikking 1 werd gegeven, niet bekend waren, dat verzoekers kandidatuur in eerste instantie niet probleemloos werd goedgekeurd aangezien er bij de beslissing van 18 november 1999 voorbehoud werd gemaakt, namelijk dat de lokale raad nr. 304 op dat ogenblik niet officieel op de hoogte was van het al dan niet decretaal voldoen van de kandidatuur-stelling, dat verzoeker slecht geplaatst is om terzake verwerende partij enig verwijt te maken, dat bij de sollicitatie door de afgevaardigd bestuurder van de lokale raad nr. 304 aan verzoeker uitdrukkelijk werd gevraagd naar het “laatste verslag instellingshoofd”, dat verzoeker op dat ogenblik een verslag van 26 april 1997 XII-2518-11/17 heeft overgemaakt terwijl hij ook na die datum beoordelingsverslagen heeft ontvangen die hij niet aan de lokale raad heeft bezorgd, dat verzoeker aldus bewust informatie heeft achtergehouden hetgeen ertoe heeft geleid dat de lokale raad nr. 304 zich onmogelijk een gefundeerde mening kon vormen, dat de lokale raad nr. 304 tijdens de vergadering van 18 november 1999 geen puntenevaluatie heeft toegekend omdat verzoeker de enige kandidaat was voor de bedoelde betrekking, dat bij het inkijken van verzoekers stukken grote slordigheden aan het licht kwamen: zo vermeldde verzoeker bijvoorbeeld bijscholing en nuttige ervaring waarvan hij geen bewijsstukken indiende hoewel dat uitdrukkelijk werd gevraagd, dat verzoeker door de afgevaardigd bestuurder van de lokale raad nr. 304 tijdens de sollicitatie uitdrukkelijk werd gevraagd “het laatste verslag instellingshoofd” te bezorgen betekent ook dat hij perfect op de hoogte was van het feit dat bij de beslissing rekening zou worden gehouden met de hem toegekende evaluaties, dat hij de lokale raad nr. 304 bewust foutief en minstens onvolledig heeft geïnformeerd, dat verzoeker eveneens ten onrechte suggereert dat de evaluatie onvoldoende waarop verwerende partij zich mede heeft gebaseerd, ongedaan werd gemaakt; dat de beslissing van 9 december 1999 van de lokale raad nr. 304 waarbij verzoekers kandidatuur werd afgewezen, bij schrijven van 13 december 1999 aan verzoeker wordt meegedeeld, dat verzoeker bij schrijven van 14 december 1999 bij de lokale raad en bij fax van 15 december 1999 bij de ondervoorzitter van het gemeenschapsonderwijs een klacht indient tegen de afwijzing van zijn kandidatuur in voormelde betrekking, dat de raad van bestuur op 23 december 1999 unaniem beslist de eerder genomen beslissing te handhaven, dat deze beslissing bij schrijven van 24 december 1999 aan verzoeker wordt meegedeeld, dat verzoeker dan ook bezwaarlijk kan stellen dat zijn rechten van verdediging niet werden gerespecteerd nu hij gebruik heeft kunnen maken en heeft gemaakt “van de voorziene klachtenprocedure zoals omschreven in Omzendbrief ARGO/PBW (BEW)-06”, dat er met betrekking tot de beslissing van de lokale raad nr. 304 geen sprake is van enige onregelmatigheid; Overwegende dat verzoeker dupliceert dat zowel de lokale raad nr. 304 als de centrale raad de rechten van verdediging dienden te eerbiedigen, dat XII-2518-12/17 het feitenrelaas en het administratief dossier aantonen dat hij zich niet overeenkomstig de voorschriften van het rechtspositiedecreet heeft kunnen verdedigen, dat overeenkomstig artikel 37, § 1, derde lid, van het rechtspositie- decreet de centrale raad een voordracht gemotiveerd kan afwijzen, dat de lokale raad de tweede beslissing van 9 december 1999 pas meedeelde op 14 december 1999, dat hij bijgevolg onmogelijk bij wege van klacht een heroverweging kon vragen bij de lokale raad zodat hem minstens één beroepsmogelijkheid werd ontnomen, dat het schrijnend is dat belangrijke beslissingen steeds weer bij gewone brief, die pas na enkele dagen wordt verstuurd, worden verzonden waardoor de korte beroepstermijnen intussen verlopen zijn; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie stelt dat zijn aangetekend schrijven van 14 december 1999 aan de afgevaardigd bestuurder ten onrechte als een beroep wordt beschouwd aangezien het niet als een beroep werd behandeld, dat de klachtenprocedure overeenkomstig de omzendbrief met kenmerk Argo/PBW (BEW)-06 niet werd gevolgd; 3.2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing moet worden geacht de motieven uit het advies van de lokale raad nr. 304 te hebben overgenomen; dat dit wordt afgeleid uit het feit dat de énige motivering van de bestreden beslissing bestaat in een loutere verwijzing naar “de voordrachtdossiers van de lokale bestuursorganen en instellingshoofden”; dat bijgevolg de onregelmatigheden die aan het advies van de lokale raad nr. 304 kleven kunnen worden aangevoerd tegen de eindbeslissing; dat voorts uit het tweede en het derde middel ten minste wordt onthouden -en zij minstens in zoverre niet verkeerd kunnen worden begrepen- dat verzoeker aan het bestuur verwijt geen rekening te hebben gehouden met zijn bezwaren, waarin hij precies kritiek levert op het door de lokale raad gegeven advies om hem af te wijzen; Overwegende dat verwerende partij niet betwist dat aan een personeelslid dat, zoals verzoeker, klachten heeft over de behandeling van zijn aanvraag voor vaste benoeming, over de geformuleerde voordracht door of over XII-2518-13/17 het advies van het lokaal bestuursorgaan, een bezwaarmogelijkheid wordt geboden bij de lokale raad en, vervolgens, in beroep bij de centrale raad; Overwegende dat verzoeker op 14 december 1999 inderdaad een aangetekende brief aan de afgevaardigd bestuurder heeft gestuurd waarin hij zijn grieven kenbaar heeft kunnen maken; dat verzoeker bijgevolg beroep heeft kunnen aantekenen en heeft aangetekend bij de lokale raad; dat het evenwel niet volstaat vast te stellen dat hij dit heeft kunnen doen, opdat dan de beroeps- mogelijkheid is gerespecteerd; dat een bezwaarprocedure immers zinloos is indien het bestuur niet minstens bij de uiteindelijk te nemen beslissing blijkt rekening te hebben gehouden met die bezwaren, nog daargelaten de vraag of en in welk detail het op het bezwaar moet antwoorden; Overwegende dat de lokale raad ook uitspraak heeft gedaan over het beroep van verzoeker, maar eerst op 23 december 1999, nadat de bestreden beslissing reeds was genomen, en dus voor verzoeker te laat om nog nuttig beroep te kunnen instellen bij de centrale raad conform de beroepsprocedure zoals omschreven in de meervermelde omzendbrief Argo/PBW (BEW)-06; dat dit ook meebrengt dat de motieven -welke ook- die de lokale raad op 23 december 1999 tot het verwerpen van verzoekers klacht hebben gebracht, niet op het ogenblik van de bestreden beslissing op 17 december 1999 door de centrale raad in rekening kunnen zijn gebracht; Overwegende dat evenwel de vraag kan rijzen of verzoeker wel belang heeft om deze grief te doen gelden; dat immers, eensdeels, het antwoord van de lokale raad uiteindelijk ook negatief uitviel voor verzoeker, en het dus de voorstelling van zijn zaak bij de centrale raad zeker niet in zijn voordeel had kunnen bijstellen; dat, anderdeels, verzoeker diezelfde bezwaren in afschrift heeft bezorgd aan Argo-centraal op 15 december 1999, bijgevolg vooraleer deze op 17 december 1999 de bestreden beslissing heeft genomen; dat vastgesteld moet worden, zonder ze ten gronde te beoordelen, dat die bezwaren zeer concreet waren: onder meer wordt geargumenteerd dat met zijn laatste beoordeling XII-2518-14/17 rekening moet worden gehouden, en zelfs enkel met die beoordeling, dat die laatste beoordeling goed was, dat hij nooit in het KA Mol heeft gefungeerd maar wel in het KTA Mol, dat ingevolge een uitspraak van de raad van beroep de onvoldoende in het KTA Mol uit zijn dossier moest worden verwijderd en dat de onvoldoende in Boom slaat op een niet relevante opdracht; Overwegende dat, om verzoeker dit belang te ontzeggen, dan wel moet blijken dat het vast bureau niet alleen die klacht heeft ontvangen voor het treffen van de eindbeslissing, maar ook dat het ter dege zélf de bezwaren van verzoeker in overweging heeft genomen; Overwegende dat het administratief dossier, zoals het door verwerende partij aan de Raad van State is overgelegd, dit niet aantoont; dat het enkel stukken bevat uitgaande van de lokale raad; dat verwerende partij bij de ingereedheidbrenging van de zaak daarom ter kennis is gebracht dat “het onderdeel ‘Met betrekking tot de zaak’ van het administratief dossier enkel documenten bevat inzake de voorbereiding van de bestreden beslissing door de lokale raad nr. 304”; dat met dezelfde brief verwerende partij werd verzocht “om ook de van de centrale raad uitgaande documenten die verband houden met de bestreden beslissing aan het administratief dossier toe te voegen”; dat verwerende partij in antwoord op dit schrijven er zich toe heeft bepaald een afschrift over te leggen van de bestreden beslissing zelf, van 17 december 1999, die tot dan toe in het dossier ontbrak; dat dienvolgens moet worden aangenomen dat behalve dit stuk geen andere “van de centrale raad uitgaande documenten die verband houden met de bestreden beslissing” bestaan; dat als gezien de énige motivering van de bestreden beslissing blijkens dit stuk bestaat in een verwijzing naar “de voordrachtdossiers van de lokale bestuursorganen en instellingshoofden”; dat nergens uit kan worden opgemaakt dat het vast bureau de bezwaren van verzoeker ook maar heeft onder ogen genomen; dat, alweer onderstrepend: zonder dat de Raad van State de bezwaren van verzoeker inhoudelijk onderzoekt of nagaat of en in welk detail er een formeel veruitwendigd antwoord op moest volgen, vastgesteld wordt dat het bestuur te kort is geschoten in de op hem rustende plicht XII-2518-15/17 tot behoorlijke afhandeling van de aan verzoeker geboden en door hem ingestelde bezwaarprocedure; dat de beide middelen in die mate gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 17 december 1999 van het vast bureau van de Argo waarbij de betrekking nr. 50175 304 - leraar Pe-Hokt aan het CVO St. Michiels/Maldegem/Knokke niet wordt toegewezen. Artikel
- Het beroep wordt verworpen voor het overige. XII-2518-16/17 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2518-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.126 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div