← België

Arrest 147129 - - 30/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.129 Rolnummer: A. 125964/XII-3633 Zaak: Arrest 147129 - - 30/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-19 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 20:35 Fiche Arrest nr 147.129 van 30 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 147.129 van 30 juni 2005 in de zaak A. 125.964/XII-

  1. In zake : Leentje VAN DOOREN, die woonplaats kiest bij advocaat R. Rombaut, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat 18, bus 25 tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Leentje Van Dooren op 26 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 24 juni 2002 van de gouverneur van de provincie Antwerpen waarbij zij bij tuchtmaatregel gedurende een maand in haar schepenambt wordt geschorst; Gelet op het arrest nr. 113.451 van 10 december 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 15 januari 2003 ingediend door verzoekster; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-3633-1/14 Gelet op de beschikking van 29 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van adjunct van de directeur H. Cools, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De feiten.
  2. Overwegende dat de gemeenteraad van Niel op 30 augustus 2001 de betrekking van een gemeente- en OCMW-ontvanger open verklaart; dat op 18 september 2001 het college van burgemeester en schepenen de jury, belast met het afnemen van de bekwaamheidsproef, samenstelt; dat de proef bestaat uit een schriftelijk gedeelte, waaronder de oplossing van een gevalstudie, en een mondeling gedeelte; Overwegende dat een van de kandidaten M. G. is; dat verzoekster, schepen van personeelszaken, hem belooft over het correct verloop van het examen te waken; dat zij op 12 of 13 november 2001 contact opneemt met het jurylid verantwoordelijk voor de gevalstudie; dat zij hem vraagt haar de proef per e-mail mee te delen; dat het, naar zij verklaart, haar bedoeling is de proef aan een onafhankelijk expert voor te leggen teneinde na te nagaan of hij wel binnen de krijtlijnen blijft van het personeelsstatuut - versta: of hij niet al te boekhoudkundig- technisch is; Overwegende dat de gemeentesecretaris op 14 november 2001 toevallig van verzoeksters vraag weet krijgt; dat hij er de burgemeester en schepen Van Linden van inlicht, die op hun beurt verzoekster interpelleren; dat ’s avonds verzoekster kandidaat M. G. opbelt; dat ten gevolge van het telefoongesprek betrokkene besluit niet aan het examen te zullen deelnemen; XII-3633-2/14 Overwegende dat met brief van 16 december 2001 de burgemeester, schepen Van Linden en de gemeentesecretaris bij de gouverneur van de provincie Antwerpen klacht indienen tegen verzoekster “wegens misbruik van haar ambt als schepen voor personeel met het oogmerk het examen van gemeente-OCMW ontvanger te manipuleren”; dat, na een administratief onderzoek, de arrondissementscommissaris van Antwerpen in zijn verslag van 12 februari 2002 onder meer concludeert dat het niet uitgesloten is dat verzoekster wou frauderen, maar dat het ook niet bewezen is, dat zij fout handelde door examenopgaven op te vragen zonder medeweten van haar collega’s en de gemeentesecretaris en dat zij daardoor tenminste de indruk wekte te (willen) frauderen; Overwegende dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen met een brief van 4 maart 2002 aan verzoekster laat weten door de gouverneur om advies te zijn gevraagd omtrent een “eventueel op te leggen tuchtstraf”; dat haar, aldus de brief, ten laste wordt gelegd bij een jurylid voor het examen van ontvanger om bepaalde vragen te hebben verzocht en de bedoeling te hebben gehad om deze vragen door te spelen aan kandidaat M. G.; dat de bestendige deputatie, na verzoekster te hebben gehoord, op 28 maart 2002 aan de gouverneur adviseert een tuchtstraf van een maand schorsing op te leggen; dat wordt overwogen dat de aantijging dat verzoekster fraude wilde plegen niet sluitend bewezen is, maar dat wel het feit blijft dat zij op eigen houtje examenvragen heeft opgevraagd “met het oog op de deelname aan het examen van één bepaalde kandidaat”; dat, na op zijn beurt verzoekster te hebben gehoord, de gouverneur bij besluit van 24 juni 2002 haar met ingang van 1 juli 2002 bij tuchtmaatregel gedurende een maand in haar schepenambt schorst; dat het besluit overweegt : “Overwegende dat noch uit het onderzoek van de arrondissements- commissaris, noch uit de latere verklaringen van mevrouw Van Dooren kan worden afgeleid dat zij fraude heeft willen plegen door examenvragen door te spelen aan één van de kandidaten bij het examen; dat ook de klachtindieners geen sluitend bewijs hiervan hebben geleverd; Overwegende dat deze tenlastelegging dan ook niet kan worden weerhouden; Overwegende dat anderzijds wel het feit blijft dat mevrouw Van Dooren zonder ruggenspraak met haar collega’s bepaalde examenvragen opvroeg en desbetreffend ook contact opnam met één van de kandidaten; dat dit ook door betrokkene wordt toegegeven; Overwegende dat schepen Van Dooren stelt dat zij enkel tussenkwam omdat zij een objectief en eerlijk verloop van het examen voor ogen had; dat zij tijdens het verhoor tevens poneerde dat ingeval bepaalde examenvragen te moeilijk zouden zijn geweest, zij het voltallige schepencollege hiervan zou hebben op de hoogte gebracht; dat in voorliggend geval hèt examen niet zou hebben kunnen doorgaan en de examenprocedure had dienen te worden heropgestart; dat desgevallend een nieuwe jury had moeten worden aangesteld; XII-3633-3/14 Overwegende dat toch wel ernstige vragen rijzen bij de handelwijze van mevrouw Van Dooren; dat zij blijkbaar van oordeel is dat de benoemende overheid mag interveniëren bij het opstellen van de examenvragen; Overwegende dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van State de examencommissie de examenvragen opstelt, uiteraard binnen het door de bevoegde overheid opgestelde examenprogramma, (R.v.St Everaet, nr 12.303, 22 maart 1967; R.v.St Mathieu, nr 22.285, 27 mei 1982); dat bijgevolg de jury zelf de moeilijkheidsgraad en de aard van de vragen bepaalt, rekening houdend met het niveau van de te begeven functie; Overwegende dat de zogenaamde krachtlijnen Kelchtermans bepalen dat examens dienen te worden afgenomen door een jury bestaande uit deskundigen met uitsluiting van de leden van de gemeenteraad; dat deze regeling haar maatschappelijke en juridische verantwoording vindt in de algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur: onpartijdigheid, gelijke toegang tot het openbaar ambt, redelijkheid, zorgvuldigheid en motiveringsplicht; dat het in het kader van deze beginselen essentieel is dat examens op een strikt onafhankelijke wijze worden georganiseerd zonder inmenging van de raadsleden, die later in alle redelijkheid en objectiviteit de titels en verdiensten van de geslaagde kandidaten zullen dienen te beoordelen; Overwegende dat betrokkene dan ook haar boekje is te buiten gegaan door bepaalde proeven op te vragen met als doel eventueel corrigerend te kunnen optreden; dat zij aldus de onafhankelijkheid van de jury in het gedrang bracht; dat haar bedenkelijke visie dat de jury desgevallend kan worden vervangen helemaal niet strookt met de bekommernis aanwervingen binnen de lokale besturen te objectiveren; Overwegende dat het bovendien niet betaamt dat mevrouw Van Dooren als schepen van personeelszaken contact opneemt met één van de kandidaten en informatie verstrekt over de moeilijkheidsgraad van het examen; dat aldus de heer [M.G.] zelfs niet meer heeft deelgenomen op basis van de door betrokkene verstrekte gegevens; Overwegende dat mevrouw Van Dooren door haar handelen op zijn minst een vermoeden van subjectiviteit heeft gecreëerd. Overwegende dat de bemerking van betrokkene dat de gewestdirectie aan de bestendige deputatie had voorgesteld om geen tuchtstraf aan mijn ambt te adviseren niet terzake doet; dat het in casu enkel ging om een voorstel en het de bestendige deputatie zelf is die uiteindelijk de beslissing neemt; dat de deputatie voldoende heeft gemotiveerd waarom zij de tuchtstraf van 1 maand schorsing heeft geadviseerd; Overwegende dat ik mij gelet op wat voorafgaat, dan ook aansluit bij het door de bestendige deputatie verstrekte advies; dat de handelwijze van betrokkene de waardigheid van haar schepenambt heeft in het gedrang gebracht en derhalve een grove nalatigheid in de uitoefening van haar schepenambt uitmaakt; Gelet op artikel 83 van de Nieuwe Gemeentewet dat ondermeer bepaalt dat mijn ambt op overeenkomstig en met redenen omkleed advies van de bestendige deputatie van de provincieraad, een schepen kan schorsen of afzetten wegens kennelijk wangedrag of grove nalatigheid”; De grond van de zaak. 2.
  3. Overwegende dat verzoekster een eerste middel afleidt uit de schending van artikel 83, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet; dat zij toelicht dat naar de bedoeling van de wetgever alleen feiten die “een zeer grote omvang” hebben XII-3633-4/14 aanleiding kunnen geven tot een tuchtstraf, dat zij een “manifest” karakter dienen te hebben, wat impliceert dat zij “door geen enkel normaal voorzichtige schepen” zouden zijn begaan, en dat geen tuchtstraf kan worden opgelegd indien “gerede twijfel” er over bestaat of de handelingen al dan niet gerechtvaardigd zijn; dat verzoekster vervolgens uiteenzet dat zij “valabele motieven” had om de proef op te vragen, met het oog op een bespreking met een onafhankelijk expert, dat zij mocht vrezen dat een praktische boekhoudkundige proef zou worden ingericht die “niet [kadert] binnen de krijtlijnen van het door de gemeenteraad vastgestelde personeelsstatuut, dat een eerder algemeen-inhoudelijke dan een louter kennis- theoretische gevalstudie voorschrijft”, dat haar houding was ingegeven “door de gerechtvaardigde vrees voor een mogelijke annulatie van de examenverrichtingen” en moest voorkomen “dat de gemeenteraad niet op een objectieve manier de titels en verdiensten van de kandidaten kan vergelijken bij gebrek aan rechtsgeldige examenresultaten, waardoor één en ander ex post moet worden rechtgezet en het continuïteitsbeginsel in het gedrang komt”; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord bijkomend verduidelijkt dat zij zich geplaatst zag “voor een afweging tussen twee rechtsgoederen”: enerzijds de beginselen van non-interferentie in de werkzaamheden van de jury en anderzijds het beginsel van de kansgelijkheid bij examens, evenals het beginsel dat examenvragen moeten beantwoorden aan de vereisten van het personeelsstatuut en moeten aansluiten bij de betrokken functie, dat een praktische boekhoudkundige proef die peilt naar het praktische kennisniveau van de kandidaten strijdt met het statuut, dat het statuut gericht is op de aanwerving van beleidsmensen, die niet noodzakelijk alle technische finesses van de betrokken materie beheersen, dat het “niet aannemelijk [is] dat geen enkele andere schepen, geplaatst voor dit dilemma, in redelijkheid tot de handelswijze gesteld door verzoekster zou zijn gekomen”; dat ook nog in de laatste memorie verzoekster benadrukt dat “zij er zich wilde van vergewissen dat geen sturing door de examencommissie zou gebeuren van het exame[n]gebeuren anders dan de Gemeenteraad dit had beslist” en dat haar geen grove nalatigheid kan worden verweten; 2.
  4. Overwegende dat artikel 83, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet luidt als volgt : “De provinciegouverneur kan, op overeenkomstig en met redenen omkleed advies van de bestendige deputatie van de provincieraad, de schepenen schorsen of afzetten wegens kennelijk wangedrag of grove nalatigheid. Zij worden vooraf gehoord. De schorsing mag de tijd van drie maanden niet te boven gaan”; XII-3633-5/14 Overwegende dat, volgens de bestreden beslissing, verzoekster zich heeft schuldig gemaakt aan “een grove nalatigheid in de uitoefening van haar schepenambt”; dat haar wordt aangewreven, eensdeels, bij een lid van de examencommissie, belast met het afnemen van een bekwaamheidsproef met het oog op de benoeming van een gemeenteontvanger, bepaalde proeven te hebben opgevraagd met als doel eventueel corrigerend te kunnen optreden en, anderdeels, contact te hebben opgenomen met één van de kandidaten en hem informatie te hebben verstrekt over de moeilijkheidsgraad van het examen; 2.
  5. Overwegende dat naar eis van het toepasselijke personeelsstatuut, het voorgeschreven bekwaamheidsexamen voor gemeente- en OCMW-ontvanger te Niel moest worden afgenomen door een jury bestaande uit een OCMW-ontvanger van een ander bestuur, twee gemeenteontvangers van een ander bestuur, een psycholoog en, als secretaris, de gemeentesecretaris van Niel; dat met de gouverneur, in de bestreden beslissing, wordt aangenomen dat de keuze voor een dergelijke jury van deskundigen hierdoor verantwoord wordt dat het “essentieel is dat examens op een strikt onafhankelijke wijze worden georganiseerd zonder inmenging van de raadsleden”; Overwegende dat het aldus aan de examenjury toekwam om, binnen het vastgestelde examenprogramma, op discretionaire wijze te oordelen welke vragen dienen te worden gesteld en om bijgevolg te bepalen welke “[g]evalstudie” de kandidaten in het kader van het schriftelijke gedeelte van het examen hebben op te lossen; Overwegende dat verzoekster met de examenvragen niets heeft uit te staan; dat zij zich dan ook er van moest onthouden ter zake tussen te komen; dat, door zulks niet te doen, zij de onafhankelijkheid van de jury in het gedrang bracht, zoals de gouverneur terecht overweegt; dat daarvoor geen valabel motief is dat zij de opgevraagde proef wou laten toetsen door “een onafhankelijke expert”; dat immers juist de juryleden reeds als zodanige onafhankelijke deskundigen waren aangesteld; dat overigens, in zoverre het nu eenmaal niet a priori is uit te sluiten dat de jury met een of meer vragen haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid te buiten gaat, het hoe dan ook niet aan verzoekster was om, op eigen houtje en in het geniep, te trachten daarop te anticiperen en daartoe in de werkzaamheden van de jury te interveniëren; dat een “normaal voorzichtige schepen” dat kennelijk weet en zich daar aan houdt; XII-3633-6/14 2.
  6. Overwegende, bovendien, dat aan verzoeksters actie klaarblijkelijk niet vreemd is geweest haar bijzondere bekommernis voor één welbepaalde kandidaat, M. G., wiens gebrek aan boekhoudkundige ervaring problematisch kon zijn in geval van een moeilijke boekhoudkundige proef; dat verzoekster in dit verband tijdens haar verhoor voor de verwerende partij onder meer verklaarde dat zij, met het dagelijks bestuur van haar partij, “volledig” achter de kandidatuur van partijgenoot M. G. stond, dat zij aan hem had beloofd te zullen waken over het correct verloop van het examen, dat zij, ingeval M. G. geen kandidaat zou zijn geweest, het jurylid misschien niet zou hebben gecontacteerd, en dat zij M. G. zoals beloofd uiteindelijk ook heeft opgebeld en ervan verwittigd heeft “dat er met het examen iets niet pluis was”; Overwegende dat terecht de gouverneur vindt dat het niet betaamt dat verzoekster als schepen van personeelszaken contact opneemt met één van de kandidaten en hem informatie verstrekt over de moeilijkheidsgraad van het examen, en dat verzoekster hierdoor “een vermoeden van subjectiviteit heeft gecreëerd”; dat dit aspect van de zaak verzoeksters inmenging in de jurywerkzaamheden nog meer afkeurenswaard maakt; 2.
  7. Overwegende dat het in de gegeven omstandigheden vanwege de verwerende partij niet verkeerd was om te menen dat verzoeksters handelwijze de waardigheid van haar schepenambt in het gedrang heeft gebracht en om die handelwijze als een grove nalatigheid in de zin van artikel 83 van de nieuwe gemeentewet te kwalificeren; dat het begrip “grove nalatigheid” de gouverneur een ruime appreciatievrijheid laat; dat hij niet de grenzen van die vrijheid te buiten gaat door verzoeksters inbreuk op de onafhankelijkheid van de jury en de objectiviteit van de examenverrichtingen als een duidelijke en erge tekortkoming in haar schepenambt te beschouwen; dat het middel ongegrond is; 3.
  8. Overwegende dat volgens een tweede middel het redelijkheids- beginsel is geschonden; dat verzoekster uiteenzet dat er geen sprake is van een flagrante inbreuk op haar ambtsverplichtingen, dat naar eis van het redelijkheids- beginsel de tuchtsancties bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet slechts subsidiair mogen worden uitgesproken, te weten “wanneer vermaningen of waarschuwingen niet het gewenste effect zouden sorteren”, en dat de gouverneur er mee had kunnen volstaan te berichten dat verzoeksters handelingen zijns inziens niet in overeenstemming waren met haar ambtsverplichtingen; dat verzoekster in de XII-3633-7/14 memorie van wederantwoord en laatste memorie herhaalt dat haar interventie geen tuchtstraf verdiende en dat het wijzen op de visie van de hogere overheid omtrent haar ambtsverplichtingen, of een vermaning, afdoende zou zijn geweest; 3.
  9. Overwegende dat het middel er blijkbaar van uitgaat dat verzoekster geen grove nalatigheid als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet beging, reden waarom tegen haar gedragingen moest zijn opgetreden zonder tot eigenlijke tuchtmaatregelen te komen; dat in het eerste middel evenwel is vastgesteld dat terecht kon worden gemeend dat verzoekster zich aan een “grove nalatigheid” had schuldig gemaakt; dat er voor de verwerende partij aldus wel degelijk voldoende grond was om een tuchtstraf op te leggen, hetzij om meer te doen dan een afkeuring of aanmaning uit te spreken; dat het middel ongegrond is; 4.
  10. Overwegende dat een derde middel de formele-motiveringsplicht geschonden noemt op twee punten; dat wordt betoogd dat een eerste punt het advies van de gewestdirectie van het provinciebestuur van Antwerpen betreft, dat in het advies aan de bestendige deputatie werd voorgesteld om de gouverneur aan te raden geen tuchtstraf op te leggen, dat noch in het advies van de bestendige deputatie, noch in het besluit van de gouverneur de precieze, juiste en pertinente motieven kenbaar worden gemaakt die verantwoorden dat het advies niet werd gevolgd, dat een tweede punt de strafmaat aangaat, dat ter zake het tuchtbesluit beperkt is tot een loutere verwijzing naar het artikel 83 van de nieuwe gemeentewet, wat geen afdoende motivering uitmaakt; Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoekster er op wijst dat het advies van de gewestdirectie niet kan worden beschouwd als een louter beleidsvoorbereidend document, dat het integendeel de eindneerslag van de onderzoeksbevoegdheid ex artikel 122 van de provinciewet en aldus “een wettelijke vereiste” is; dat ook nog wordt opgemerkt dat de gouverneur niet gebonden is door de motieven van de bestendige deputatie en er toe gehouden is “vanuit zijn eigen specifieke functie de ingeroepen gronden te formuleren”; 4.
  11. Overwegende dat, voorafgaand aan de hoorzitting van 14 maart 2001, de dienst toezicht personeel van de gewestdirectie aan de bestendige deputatie voorstelt om de gouverneur te adviseren aan verzoekster geen tuchtstraf op te leggen; dat, na de hoorzitting gevraagd om een aanvullend verslag, de dienst evenwel voorstelt de tuchtstraf van een maand schorsing te adviseren; dat de bestendige XII-3633-8/14 deputatie kennelijk het advies gevolgd heeft; dat er derhalve hoe dan ook geen reden toe was in de formele motieven te expliciteren waarom het advies niét zou zijn gevolgd; dat het eerste onderdeel van het middel ongegrond is; 4.
  12. Overwegende dat volgens het tweede onderdeel, de gouverneur ter motivering van de strafmaat had dienen te verwijzen naar de concrete omstandigheden van het dossier, zoals de aard en de ernst van de feiten, het al dan niet repetitief karakter van de feiten, de weerslag van de feiten op het aanzien bij het publiek, enzovoort; dat de gouverneur dat ook gedaan heeft; Overwegende dat hij aldus in zijn beslissing uiteenzet dat verzoekster de onafhankelijkheid van de jury in het gedrang heeft gebracht door bepaalde proeven op te vragen met als doel eventueel corrigerend op te treden, terwijl het in het kader van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur juist essentieel is dat examens op een strikt onafhankelijke wijze worden georganiseerd zonder inmenging van de raadsleden; dat hij vervolgt dat het, vanwege ten minste een vermoeden van subjectiviteit, niet betaamt dat verzoekster als schepen van personeelszaken één van de kandidaten contacteert en informeert over de moeilijkheidsgraad van het examen; dat hij ten slotte uitdrukkelijk verklaart zich, “gelet op wat voorafgaat”, aan te sluiten bij het advies van de bestendige deputatie; dat luidens dit verzoekster bekende advies, aan haar een tuchtstraf van een maand schorsing moet worden opgelegd om reden dat haar tussenkomst in de examenprocedure op geen enkele wijze kan geduld worden, dat het een vermoeden van bevoordeling of subjectiviteit op het bestuur laadt, dat uit het dossier blijkt dat zij alleszins tussenbeide kwam met het oog op de deelname aan het examen van één bepaalde kandidaat, en dat haar handelwijze voldoende zwaarwichtig is om een tuchtstraf uit te spreken; Overwegende dat die motivering geacht kan worden de opgelegde schorsing van één maand afdoende formeel te verantwoorden; dat, anders dan verzoekster meent, zij kennelijk meer is dan een stijlformule; dat ook het tweede onderdeel van het middel ongegrond is; 5.
  13. Overwegende dat verzoekster in een vierde middel de schending van de rechten van de verdediging aanvoert, doordat de gouverneur haar slechts gehoord heeft na het verstrekken van het eensluidend advies door de bestendige deputatie en niet, zoals uit de wetseconomie van artikel 83, eerste lid, van de nieuwe XII-3633-9/14 gemeentewet voortvloeit, in de onderzoeksfase, “zijnde het moment waarop de gouverneur over de volheid van bevoegdheid beschikt t.a.v. het verder verloop van de tuchtprocedure”; Overwegende dat ook in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie verzoekster doet gelden dat het nuttige tijdstip voor het organiseren van het voorafgaande verhoor op grond van artikel 83 van de nieuwe gemeentewet, het stadium van het onderzoek door de gouverneur is, voordat de bestendige deputatie haar advies verleent; 5.
  14. Overwegende dat artikel 83, eerste lid, tweede zin, in het recht van de tuchtrechtelijk vervolgde schepen voorziet om door de provinciegouverneur “vooraf gehoord” te worden; dat het een echt recht van verdediging betreft dat onder meer waarborgt dat de vervolgde schepen het volledige dossier kan inzien, inbegrepen het advies van de bestendige deputatie; dat hieruit volgt dat het bedoelde horen pas kan geschieden nàdat de bestendige deputatie advies heeft uitgebracht, en niet er voor; dat het middel ongegrond is; 6.
  15. Overwegende dat een vijfde middel “Schending van het onafhankelijkheids- en onpartijdigheidsbeginsel” luidt; dat nader betoogd wordt dat, blijkens twee e-mailberichten, een gedeputeerde op de beraadslagingen van de bestendige deputatie werd voorbereid aan de hand van een dossier, samengesteld en toegelicht door een indiener van de klacht tegen verzoekster, dat dit de indruk wekt dat de betrokken gedeputeerde bevooroordeeld was, dat hij niet had mogen deelnemen aan de beraadslaging over de tuchtvordering; Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoekster nog verklaart dat zij “slechts laattijdig” op de hoogte is gebracht van het bestaan van de redenen tot wraking, dat er tenminste afspraken zijn gemaakt om de betrokken gedeputeerde op de beraadslagingen van de bestendige deputatie voor te bereiden, dat dergelijke afspraken een schijn van partijdigheid wekken, dat er a fortiori een schijn van partijdigheid is wanneer een lid van de tuchtraad op voorhand door de klagende partij in kennis wordt gesteld van gegevens van het dossier “waarvan de objectiviteit in twijfel kan worden getrokken”, dat het lid zich reeds een voorafgaand oordeel zal vormen, zodat er in de meest letterlijke zin sprake is van een “vooroordeel”, dat ten slotte de eenparigheid van de bestendige deputatie een schending van het onafhankelijkheids- en onpartijdigheidsbeginsel niet uitsluit; XII-3633-10/14 Overwegende dat in de laatste memorie verzoekster doet kennen dat het aanvoeren van een eventuele partijdigheid in een procedure voor de Raad van State nooit laattijdig kan zijn, dat het niet aan verzoekster toekwam om “in de uiterst penibele omstandigheden waarin zij zich bevond op 14.3.2002 daarenboven nog ter zitting de wraking te eisen van een Bestendig Afgevaardigde”, dat het “nogal logisch” is dat zij schroom heeft om haar bronnen aangaande de e-mailberichten bekend te maken, dat er een schending was van de schijn van onpartijdigheid en dat zij zich, gelet op “wat haar boven het hoofd hing”, geenszins in de situatie bevond om “ook nog eens één van de gedeputeerden en daarmee ook de Bestendige Deputatie op zich in een kwaad daglicht te stellen”; 6.
  16. Overwegende dat de beschuldiging van subjectieve, persoonlijke partijdigheid van een bestuur of bestuurder, of tenminste de schijn ervan, slechts kan worden aangenomen indien zij gewettigd voorkomt, hetzij dus voldoende gerechtvaardigd is door concrete en precieze feiten; dat, tevens, het geëigende sanctiemiddel in geval van verdenking van vooringenomenheid in principe de wraking is; dat in dit verband reeds het arrest van de Raad van State nr. 26.116, van 28 januari 1986, waarnaar verzoekster in haar verzoekschrift zelf verwijst, aangeeft dat ter zake van de bestuurde een actieve opstelling mag worden verwacht; 6.
  17. Overwegende dat volgens het middel weliswaar niet de verwerende partij vooringenomen zou zijn geweest, maar dan toch een lid van de bestendige deputatie, op wier overeenkomstig advies de bestreden beslissing is genomen; dat verzoekster dat meer bepaald opmaakt uit twee e-mailberichten; dat in een eerste bericht de gemeentesecretaris op 4 februari 2002 meldt dat hij samen met de burgemeester “een dossiertje aan het voorbereiden” is voor C. M.; dat in een tweede bericht, eveneens van maandag 4 februari 2002, schepen Van Linden laat weten dat de burgemeester op woensdagvoormiddag een afspraak heeft met C. M., in verband met “het ondertussen beruchte dossier”, en “dat ondertussen ook [gedeputeerde J. G.] is ingelicht en ook de nodige stappen zal zetten”; 6.
  18. Overwegende dat verzoekster niet verduidelijkt wanneer precies ze van de e-mailberichten of hun inhoud kennis heeft gekregen; dat blijkens haar laatste memorie die kennis zich vóór haar verhoor van 14 maart 2002 door de bestendige deputatie moet situeren; dat zij niettemin heeft verkozen de berichten en de verdenking die zij bij haar deden rijzen, niet voor de deputatie ter sprake te brengen; dat, in zoverre zij zou hebben mogen vrezen dat zij hiermee riskeerde de XII-3633-11/14 bestendige deputatie tegen zich in te nemen, die vrees hoe dan ook niet meer ter zake doet bij het verhoor door de gouverneur; dat zij de kwestie echter evenmin op dat moment aanbrengt, althans niet met een minimale duidelijkheid; dat zij zich jegens de gouverneur ertoe beperkt er uitsluitend in vage bewoordingen op te alluderen; dat zij, getuige stuk 20 van het administratief dossier, alleen meedeelde : “Daarbij wens ik de aandacht te vestigen op het feit dat één lid van de Bestendige Deputatie zichzelf wraakte in heel deze procedure omwille van aantijgingen van een ander lid van de Bestendige Deputatie die nochtans van heel de zaak werd ingelicht door de klagers in deze zaak twee weken vooraleer de Bestendige Deputatie deze klacht officieus besprak. Hiermee wordt het eenparig advies van de Bestendige Deputatie aanzienlijk beter verklaard. Ik wil u hieromtrent graag officieus meer toelichtingen verstrekken. In het belang van anderen kan ik dit helaas niet officieel doen”; Overwegende dat uiteindelijk pas voor het eerst voor de Raad van State verzoekster er toe komt haar verdenking van vooringenomenheid “officieel” en met een minimum aan precisie te doen gelden; dat “het belang van anderen” nu blijkbaar geen beletsel meer is; dat, in het auditoraatsverslag er op gewezen dat zij geen geldig excuus heeft voor haar laattijdigheid, verzoekster kortweg stelt dat het niet haar toekomt, maar “hetzij de Bestendige Deputatie, hetzij de Gouverneur, hetzij de Gewestdirectie [...] om vast te stellen dat onregelmatigheden gebeurden en verzoekster geen eerlijk proces heeft gekregen”; dat dit niet overtuigt; dat niet wordt ingezien hoe de genoemde instanties de vooringenomenheid van gedeputeerde C. M. kunnen vaststellen als de belanghebbenden die er de aanwijzingen voor hebben, de voorkeur er aan geven deze voor een annulatieprocedure te reserveren; 6.
  19. Overwegende, overigens, dat alleen dàn de e-mails een vermoeden van partijdigheid in hoofde van C. M. kunnen staven, indien redelijkerwijze mag worden aangenomen dat het plan om hem met “een dossiertje” te bewerken effectief is uitgevoerd; dat anders het vermoeden niet gerechtvaardigd is; dat over de uitvoering van genoemd plan echter twijfel kan bestaan, en wel op grond van de eigen, hierboven aangehaalde verklaring van verzoekster aan de gouverneur; dat daaruit immers moet blijken dat net C. M. een ander lid van de bestendige deputatie -J. G., die in de tweede e-mail eveneens ter sprake komt- beschuldigd heeft en er toe gebracht heeft zich te wraken; dat de zorg voor de onpartijdigheid van de bestendige deputatie die hieruit spreekt, maar moeilijk samengaat met de vooringenomenheid die verzoekster tegen C. M. inbrengt; dat verzoekster, ofschoon kennelijk terdege geïnformeerd, geen moeite doet om deze ogenschijnlijke contradictie nader toe te lichten of te verklaren; XII-3633-12/14 6.
  20. Overwegende, samenvattend, dat verzoekster de Raad van State vraagt de subjectieve-onpartijdigheidseis geschonden te bevinden op grond van twee e-mails omtrent voorgenomen demarches ten overstaan van bestendig afgevaardigde C. M.; dat evenwel verzoekster die e-mails noch voor de bestendige deputatie, noch voor de gouverneur vermeldenswaard vindt en er geen reden in ziet om de betrokken gedeputeerde te wraken; dat zij dat niet laat begrijpen; dat het in de concrete omstandigheden van de zaak ten anderen onwaarschijnlijk is dat, tenminste onduidelijk of, de geplande stappen jegens C. M. daadwerkelijk ondernomen zijn; dat een en ander er toe doet besluiten verzoeksters wantrouwen met betrekking tot de onbevangenheid van gedeputeerde C. M. niet bij te vallen; dat het middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-3633-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3633-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.129 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.113.451 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.